Maandag 26/10/2020

'Relativering is de dood van de sport'

Met De renner schreef de Nederlandse schrijver en amateurwielrenner Tim Krabbé eind jaren 70 het - vooruit dan maar - beste sportboek in ons taalgebied. Vandaag blijkt hij het schrijven en fietsen absoluut nog niet verleerd. Getuige een nieuwe verhalenbundel, en getuige ook de blakende conditie waarmee hij morgen aan de Ronde van Vlaanderen begint? 'Gekte, zegt u? Weet u wel wat gekte is?'

Zet twee wielerfanaten bij elkaar, en al heel spoedig zal het ijs breken. Zo is het om te beginnen nooit lang zoeken naar de juiste openingsvraag. Die ligt voor de hand; ze is - alles welbeschouwd - ook de enige die er werkelijk toe doet.

Hoe zijn de benen, mijnheer Krabbé?

"Prima. Straks (morgen, JdP) rijd ik met mijn wielervrienden de Ronde van Vlaanderen. De hele 250 kilometer, ja. Vorig jaar heb ik ze ook al eens helemaal gereden. Na 200 kilometer zat ik er even doorheen, maar na een korte drink- en eetpauze ging het opnieuw lekker.

"Met mijn bijna 72 jaar ben ik natuurlijk niet meer van de jongste, maar op de langere afstand maakt die leeftijd niet zo heel veel uit. Twee maanden geleden nog heb ik met mijn Amsterdamse rennersgroep de Windjammers een rondje rond het IJsselmeer gereden. 270 kilometer, op de slechtste dag van het jaar. Maar het ging goed. We haalden een gemiddelde van 29 per uur, wat toch niet onaardig is."

Bar weer mag het van Krabbé ook zondag zijn, als de echte Ronde van Vlaanderen wordt gereden. "De Ronde vind ik, misschien ex aequo met Parijs-Roubaix, de mooiste koers van het jaar. En het wordt natuurlijk helemaal mooi als het rotweer is. Denk aan die Ronde van 1985, toen Eric Vanderaerden won, in helse omstandigheden. Pure heroïek."

Ooit, tussen 1973 en 1980, was Tim Krabbé een meer dan behoorlijke en bijzonder gedreven amateur. Over zijn koerservaringen gaat De renner (1978), een lange novelle waarin hij een amateurkoers in de Cévennes van binnenuit beschrijft. De renner werd een klassieker, de openingszinnen worden vandaag nog geregeld geciteerd. Krabbé beschrijft hierin hoe hij zich klaarmaakt voor zijn race. "Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. De leegheid van die levens schokt me."

De leegheid van een bestaan zonder koers. Soms, zegt Krabbé, kan die leegte hem nog altijd frapperen. "Ik zie weleens mensen die heel duidelijk nooit op een fiets zitten. Wat vreselijk zielig voor ze, denk ik dan. Het is te vergelijken met het gevoel wanneer je heel erg verliefd bent op iemand. Dat je denkt: god, die man zie er wel vrolijk uit, maar hoe kan hij nu in hemelsnaam de kracht vinden om verder te blijven leven zonder dat hij haar kent?"

Krabbé weet nochtans was wat het is, zo'n leven zonder koers. In 1980 hing hij de fiets nogal plotsklaps aan te wilgen. "Na acht jaar koersen vond ik het mooi geweest. Ik was 37, nog altijd heel erg fanatiek, maar tegelijk bekroop me het besef dat er in het leven misschien toch wel meer kan zijn dan alleen wielrennen. Vanaf 1980 ben ik steeds minder gaan fietsen, en steeds meer gaan wegen."

De renner Krabbé staat weer op in 2003, als hij te gast is in De Ronde van Tim Krabbé, een wedstrijdje dat bedoeld was als hommage aan zijn beroemde boek. Krabbé: "Daar stond ik dan, een dikke man van zestig die moest toekijken hoe getrainde atleten aan het koersen waren op mijn weggetjes en mijn cols. Ik vroeg me af of ik dit nog zou kunnen, en ben als een bezetene beginnen te trainen. Een jaar later stond ik zelf aan de start. Ik heb hem uitgereden, ja. "

Vandaag weegt Tim Krabbé 71 kilogram, bijna 40 kilogram minder dan in 2003. Wedstrijden rijdt hij sinds twee jaar niet meer, en een verbetering van zijn persoonlijke Ventoux-record - een vrij fabelachtige 1 uur en 22 minuten - zit er niet meer in. "Misschien zou, met de huidige conditie, 1.40 uur nog wel haalbaar zijn, maar beter zal niet meer lukken. Of dat pijn doet? Tja. Na je veertigste ga je niet meer verbeteren. Zo is het leven. Dat is jammer, maar in de plaats krijg je wel een ander perspectief. Bij mijn fietsvrienden zitten jongens als Thijs Zonneveld (ex-prof, vandaag journalist, JdP) en nog wel een paar andere, in de regel veel jongere ex-profs en amateurs. Voor die kerels is het leuk om mij uit het wiel proberen te rijden. Omgekeerd is het voor mij leuk om in dat wiel proberen te blijven."

1.22 op de Ventoux is behoorlijk snel. Nog tien minuten eraf en u kon mee met de profs.

"Mijn oude wielervriend wijlen Gerrie Knetemann heeft me ooit gezegd dat ik, mocht ik maar vroeg genoeg begonnen zijn, misschien wel een middelmatige tot redelijke prof had kunnen worden. Misschien had ik dan de Ronde van Frankrijk kunnen rijden, en nog veel meer over de wielersport kunnen vertellen. Maar aan de andere kant: 1.22 uur is nog altijd zeven minuten meer dan Wim van Est (Nederlandse ex-renner, JdP) in de klimtijdrit van de Tour 58. Het was ooit mijn ambitie om beter te doen dan Van Est, maar dat heb ik nooit kunnen waarmaken."

U bent doorgaans een zeer rationeel mens.

"Zeker."

Een rationeel mens die ervan droomt om beter te doen dan een prof in 1958. Mogen we dat een beetje gek vinden?

"Hoezo gek? Wim van Est - dat zou u toch moeten weten - is een legende van de Nederlandse wielersport. Een boerenheikneuter uit Brabant die nooit een verstaanbaar woord over de radio heeft gesproken, maar wél de eerste Nederlander ooit in de gele trui."

De vraag is waarom een rationeel mens zoveel investeert in iets wat weinig of helemaal niets oplevert. Een van uw mooiste resultaten reed u in een veteranenwedstrijd in Zuid-Frankrijk. De beloning: een vermelding in de lokale courant Nice-Matin, waarin u als 'de Oostenrijker Krable' werd omschreven.

(verontwaardigd) "Het is toch niet omdat je een rationeel mens bent dat je niet mag toegeven aan absurde dromen van glorie? Ik wilde die wedstrijd gewoon winnen. Waarom? Tja. Waarom wil iemand de Ronde van Sloten voor liefhebbers winnen? Waarom wil ik in het wiel van de Windjammers blijven? Ik weet niet waarom, en ik wil het eigenlijk ook niet weten. Het zou alleen maar tot relativering leiden. En relativering is, zoals ik al vaker heb geschreven, de dood van de sport."

Uit uw verhalen blijkt een grote liefde voor lijstjes. Ook dat is een vorm van gekte.

"Gekte? Weet u wat gekte is? (trekt spastische gezichten en huilt iets dat lijkt op) Luweluweluweluwe. Dat is gekte. Maar iemand hoeft toch nog niet naar het gekkenhuis omdat hij een irrationeel doel nastreeft? Ik zie het eerder als een vorm van liefde. Lijstjesliefde is hoogstens een beetje raar.

"Ik heb ooit beschreven hoe ik als jongetje gefascineerd was door de schrijfmachine die we thuis hadden. Mijn beide ouders schreven. Als ze even niet achter de machine zaten, mocht ik erop tikken. Mijn vader heeft alles wat ik toen geschreven heb, bewaard. Een van die schrijfsels is een lijstje met getallen, te beginnen bij 1, en eindigend ergens in de 3.000. Ik heb ooit gezegd dat die lijst het mooiste is wat ik ooit heb geschreven. (lacht) Er valt in elk geval geen speld tussen te krijgen."

U hoorde ooit bij de top twintig van Nederlandse schakers. Heeft uw strategisch verstand u vaak geholpen op de fiets?

"Niet echt. Zeker in de finale van een koers is geconcentreerd strategisch denken onmogelijk. Denken lukt wél als je alleen fietst. De fiets is dan ook een goeie plek om te schrijven. Het maakt je hoofd vrij, en als het hoofd vrij is, dan vliegen de zinnen en gedachten naar binnen.

"Het is een misverstand te denken dat een verstandige mens ook per definitie een verstandige renner is. In de pelotons waarin ik reed, werd ik als een enigszins domme coureur gezien. Ik ging vaak in de aanval, maar miste haast even dikwijls de goeie vlucht. Mijn ervaring is ook dat de studenten, zeg maar de academische coureurs, vaak de domste coureurs waren. De hele koers lang zag je die jongens op kop scheuren. Alleen in het laatste kwartier zag je hen niet meer."

Intelligentie in de koers. De wielerleken zal het misschien verbazen, maar die bestaat. In een van zijn verhalen geeft Krabbé er een mooi voorbeeld van. Het wordt geleverd door Michel Pollentier, die in 1980 de Ronde van Vlaanderen kon winnen door veel betere sprinters als Moser en Raas een neus te zetten. Krabbé beschrijft het zo: "Op de laatste hindernis, de Bosberg, had Pollentier bemerkt dat hij samen met Moser een lichte voorsprong had. Een stukje achter hen reed Raas, die wanhopig probeerde erbij te komen. Wat deed Pollentier dus? Hij liet het tempo zakken, om zéker te zijn dat Raas hen inhaalde. Tegen één sprinter wist hij kansloos te zijn, hij reed liever tegen twee sprinters. Sprinters hebben nu eenmaal de neiging hun krachten tegen elkaar weg te strepen. Dat deden Moser en Raas, en Pollentier won."

Krabbé: "Over het algemeen wordt Pollentier niet vreselijk veel verstand toegeschreven, maar dit had ie heel goed gezien. Tegen één goede sprinter maak je als slechte sprinter geen kans. Maar paradoxaal genoeg maakt die slechte sprinter wél een kans als hij het moet opnemen tegen twee goede sprinters. Moser wilde niet verliezen van Raas, Raas wilde niet verliezen van Moser. Dat is hen gelukt. Ze verloren van Pollentier, en dat telt niet echt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234