Vrijdag 18/10/2019

Ergens Onderweg

Reizen om niet blind te worden

IERLAND. Croagh Patrick Pilgrimage. 1972. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos

Henri Cartier-Bresson gaf hem één raad: 'Verlies je oog niet, begin dus níét met fotojournalistiek.' Josef Koudelka luisterde, en nu hij 78 is, is hij daar blij mee. Zoals hij dat is over zijn werk en over hoe de wereld zijn thuis werd. Vandaag Rotterdam, morgen Istanbul.

Twee jaar geleden stond Carl De Keyzer naast Josef Koudelka op de jaarlijkse Magnum-bijeenkomst in Parijs. We sms'ten Carl: "Wil je hem aub een interview vragen?" Zoals altijd zei Koudelka neen. Soms kan iets niet.

Dat we hier nu toch aan een tafel in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam zitten, is dus uniek. "Maar áls hij ja zegt en je slaagt in de Josef-test, dan is dit de meest vrolijke man die ik ken. Hij kijkt altijd naar de bright side of life", zegt zijn dochter Lucina. Dat zegt ze vanachter de camera waarmee ze het hele interview zal filmen. Misschien ter controle. Misschien wil ze gewoon de uitzonderlijke tijd die zij met haar vader kan doorbrengen niet kwijtraken.

Dit interview kan dus misgaan. Een dag eerder mailde Annemarie van den Eijkel van het Nederlands Fotomuseum: "Josef Koudelka zou het zeer op prijs stellen als het interview goed is voorbereid. In de bijlage tref je een Q&A. Mijn verzoek is of je dit document zou willen lezen en niet dezelfde vragen aan bod wil laten komen tijdens het interview." Die bijlage telt 22 bladzijden, de titel is The Maximum, That's What's Always Interested Me, het is de weergave van lange gesprekken met Koudelka gedurende tien jaar. En daarin staat álles wat je over Josef Koudelka wil weten. Daar mag je dus niet meer naar vragen. Er is één gelukje. Het laatste gesprek waaruit deze tekst voortvloeit, dateert uit 2001. Interviewer Karl Hvizdala kon dus niet vragen: "Waar bent u deze dagen mee bezig?"

Het is de gok van de openingsvraag. Er blijkt alleen, als dit verhaal geschreven is, een 'maar' te zijn. Geslaagd in de Josef-test of niet: via Magnum komt de vraag "of er echt geen quotes in het stuk komen te staan". Dit wordt een interview zonder citaten. Er is voor alles een eerste keer. U zult Josef Koudelka hier niet lezen en toch heeft hij het allemaal gezegd.

Hij is gekleed in het groene hemd met twee grote borstzakken waarin je Koudelka op alle foto's ziet en, ja, daar wil hij wel over vertellen. Dat hij na Rotterdam naar Turkije vertrekt. Hij gaat er al voor de zevende keer heen, nu voor drie weken, om te werken aan een project dat Ruins heet. Koudelka begon ermee in 1991, eerder toevallig. Zoals bij veel projecten, vertelt hij, ze komen gewoon uit zijn leven. Hij is een visueel mens, iemand die altijd rondkijkt, naar mensen, naar objecten. Zo komen foto's op zijn pad. En zo zag hij 25 jaar geleden, vanaf zijn balkon aan een hotelkamer in Athene - waar hij was voor een tentoonstelling - een plein met oude zuilen. Het was de start van een project over archeologische sites.

25 jaar is een kwarteeuw en dat is lang. In Syrië en Lybië was hij twee keer toen dat nog kon. Algerije, Egypte, allemaal meer dan eens, zeven keer Turkije. Soms, zegt de fotograaf, moet hij maar twee keer gaan om het beeld te hebben dat hij wil. Soms zeven keer. Twee keer is het minimum: dat is de ontdekking. Aan Henri Cartier-Bresson, de Franse fotograaf en stichter van Magnum, zei hij dat ooit: "Ik beschouw me meer als een verzamelaar van foto's dan als een fotograaf." Nu zegt Koudelka dat hij gaat naar waar foto's op hem liggen te wachten.

ITALIE. Sicily. Palermo. 1980. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos

'Koudelka is Bach'

Exiles/Wall is de titel van de tentoonstelling in Rotterdam, en volgens Hoofd Afdeling Presentaties Marieke Wiegel is het de eerste keer dat die twee projecten van Koudelka in één expo zijn samengebracht. Ook dat was een vraag: loop voor het interview even door de expo.

Wall realiseerde Koudelka in 2013, met zijn panoramische camera had hij vijf jaar langs de muur tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever gelopen. "It took him eight trips in total to realize it", lees je in de krant die voor deze expo werd gemaakt en 35 beelden bevat. Kost geen 5 euro, Koudelka wilde dat zelf: Wall, het boek, kost vlug 60 euro en is dus niet voor iedereen bereikbaar.

"Het liefst zou hij willen dat wie de krant koopt, de foto's uithangt op zijn muur thuis", zegt Wiegel. En dan is er Exiles, foto's die al in 1988 voor het eerst in een boek terechtkwamen. Ze dateren uit de jaren 60, 70 en 80 en je wordt van alle foto's stil. Zwart-wit, natuurlijk, mensen die daarom niet allemaal verbannen zijn, maar wel vaak alleen. Verstild, weggegomde dromen, een hond in de sneeuw. Het meesterschap van Koudelka is immens.

Zijn interesses zijn niet veranderd, vertelt hij. Sinds Koudelka begon te fotograferen, stapt hij naar eigen zeggen door het leven, wordt geïnteresseerd, ontwikkelt. In Israël kwam hij automatisch bij Wall. Toen hij gisteravond door de haven van Rotterdam liep, raakte hij geboeid, maar probeerde niet toe te geven. Zij oog leidt hem, maar Koudelka wil niet in alles verwikkeld raken. En hij wil focussen omdat hij bijna 80 is. De tijd is beperkt.

Automatisch kom je bij Exiles: de biografie van Josef Koudelka leest als een encyclopedie van dat ene woord. Toen hij in '68 instinctief foto's ging maken van de Praagse Lente, nadien het land uitvluchtte en in Londen terechtkwam, kreeg hij het stempel 'Nationality Doubtful'. Een jaar later werden zijn foto's gepubliceerd als 'anoniem Praags fotograaf', hij zou pas in 1990 terugkeren naar zijn land van herkomst. Frankrijk adopteerde hem, maar het is bekend: Koudelka woonde nergens en overal. Soms bij vrienden, vaak sliep hij op de grond in het kantoor van Magnum in Parijs, anders in Europese velden. Altijd, ja, 'ergens onderweg', naar wat hém boeide.

FRANKRIJK. Hauts-de-Seine. Parc de Sceaux. 1987. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos

Nergens bleef hij langer dan drie maanden wonen: ook niet in Parijs. Hij wil geen thuis. Hij wil niet naar één plaats. Hij verbood zichzelf om Parijs - hoe prachtig ook - mooi te vinden. Omdat hij er niet wilde blijven. Vandaag is Rotterdam zijn thuis. Morgen die plek in Turkije. Ooit zei hij: "I travel not to go blind."

Reizend geraak je soms ook nergens: het is 40 jaar geleden dat Koudelka in Nederland tentoonstelde. Hij las dat zelf in zijn biografie, toen Gypsies - zijn meest bekende en in- en aangrijpende project - in het Stedelijke Museum Amsterdam hing, was hij er niet bij. Dat gebeurt als je op pad bent. Volgend jaar gebeurt nog zoiets: voor het eerst in dertig jaar zullen foto's van Koudelka in Parijs te zien. De laatste keer was in 1988, nu zal Centre Pompidou Exiles tonen. Dat komt omdat de fotograaf de curator niet één (zoals hij had gevraagd) maar 75 foto's schonk. Als een soort schuldinlossing. Hij deed al een schenking aan een museum in Praag, nu ook Parijs: als dank voor het paspoort dat Frankrijk hem in 1978 gaf.

De Exiles die we in Rotterdam zien en het boek dat erbij hoort, prachtig uitgegeven, is zijn nieuwe versie van Exiles. Derde boek: andere selectie en volgorde. Idem voor de expo. De hele week voor de opening veranderde hij hoe de foto's tegen de museummuren moesten komen.

Toen Robert Delpire, de legendarische uitgever van fotoboeken, hem in 1983 voorstelde om van Exiles een boek te maken, weigerde Koudelka eerst. Omdat hij niet van het idee hield en omdat hij dacht dat hij zijn beelden zo niet gepubliceerd wilde zien. En Koudelka had vooral geen plán om er een boek van te maken. De 'exiles' waren geen vooropgesteld thema, zegt hij, de foto's kwamen er. Pas in 1988 zou Delpire ze uiteindelijk toch onder die noemer in een boek samenbrengen."

Eigenlijk, zegt hij, is de grootste fout van fotografen dat ze een boek willen maken en die foto's gewoon tegen de muur willen hangen. Dat gaat niet, vindt hij, omdat het een niks met het andere te maken heeft. Het zijn twee verschillende composities. Zoals in muziek.

Gek dat hij dat zo zegt, maar niet toevallig. In That's What's Always Interested Me (die tekst die hij liet sturen en waarvan hij zegt dat alle quotes voor het interview gebruikt mogen worden en die je zonder bronvermelding letterlijk in een verhaal in Le Monde van vorig jaar terugvindt) zegt hij: "Foto's maken in zigeunerkolonies was niet altijd makkelijk. Maar hun muziek zette me altijd opnieuw in gang. Ik denk dat mijn interesse voor volksmuziek me hielp terwijl ik fotografeerde. Terwijl ik hen bezocht, nam ik de muziek vaak op. Zigeuners zijn goeie psychologen: misschien begrepen ze wel dat als ik van hun liedjes hield, ik misschien wel van meer hield."

En een vergelijking met muziek is wat een bevriende fotograaf maakt als hij een dag voor dit interview gevraagd wordt naar de kwaliteit van het werk van Josef Koudelka. "Henri Cartier-Bresson, een geweldige fotograaf, maakte popmuziek. Prachtig, mooi afgewerkt, maar wel makkelijk te begrijpen. Koudelka is Bach. Veel moeilijker, maar ook gespeeld door een punker die zich niks van iemand aantrekt."

Hij begrijpt de vergelijking, houdt van het beeld, maar weet niet of het juist is. Ja, hij fotografeert niet alleen mensen, maar ook stillevens en sommige fotografen - ook bij Magnum - specialiseren zich in portretten. Maar 'dingen' fotograferen, is moeilijker: er zit geen gevoel in. Die moet je als fotograaf overbrengen, dat is Koudelka's uitdaging. Wall is daarom ingewikkelder dan Exiles.

In 2016 zou Exiles dan weer makkelijk uit te leggen zijn als een politiek statement. Al maakt hij de foto's in de jaren 60, 70 en 80 en zei hij altijd al dat ze niks met politiek te maken hadden. Zo dacht hij er nooit over. Hij fotografeerde Gypsies toen niemand over zigeuners praatte.

Zijn foto's van de Praagse Lente waren nieuws, maar ze verschenen pas één jaar later. Toen was er van nieuws geen sprake meer en het boek Invasion 68 Prague verscheen pas veertig jaar later. De tentoonstelling liep in twaalf landen en niemand sprak nog over Tsjecho-Slowakije. Maar iedereen zag wat hij toonde. Niet wie Rus of Tsjech was, wel dat iemand een geweer had en een ander dat niet had. De agressie tegen de vrijheid: dat telde voor Josef Koudelka.

Ook Wall is volgens Koudelka niet politiek. Hij heeft al vaak verteld dat hoe hij als kind in Tsjecho-Slowakije achter een muur opgroeide, een muur die hij echter nooit zág. Want niemand mocht dichter dan 40 kilometer bij de grens komen. Maar de muur, eigenlijk het IJzeren Gordijn, zag wel in zijn hoofd.

FRANKRIJK. Nord-Pas-de-Calais. Calais. 1973. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos

Een ander soort mensen

Dan heb je twee mogelijkheden, zegt Koudelka: je kunt de muur létterlijk nemen en naar de andere kant gaan of je kunt hem als metafoor gebruiken. Dat deed hij in Israël. Hij ging aan beide zijden kijken, maar het resultaat gaat volgens de fotograaf niet alleen over de muur die Joden en Palestijnen verdeelt. We spreken over duizend kilometer beton, waar 85 procent van een land achter verstopt is, en waarvoor een landschap voorgoed vernietigd werd. Onherstelbaar kapotgemaakt. Dat vindt hij wrang: het is land dat men 'Heilig Land' noemt.

Onverteerbaar vindt hij dat en iemand zegt het juist: het gaat ook over de liefde voor een landschap. Hij wist niks toen hij Tsjecho-Slowakije verliet: hij sprak geen Engels, had alleen zichzelf, amper geld. Soms sliep hij buiten en zo moést hij wel van het landschap houden en de natuur leren kennen. Omdat hij ervan afhing: waar is er water, hoor ik een rat, welke vogels zijn dat? Toen hij eergisteren in Rotterdam aan de haven buiten zat, speurde de fotograaf naar Vega. De eerste ster die je ziet en die deel uitmaakt van de zomerdriehoek. Hij maakte notities en realiseerde zich wat hij altijd al wist: een gewoon leven leiden kon hij niet, maar hij leidt wel een wonderlijk leven.

John Szarkowski, de vroegere directeur van het MoMA in New York en de ontdekker van onder meer Gary Winogrand en Lee Friedlander, zei hem in 1974 al: "Jij ziet er niet uit als een fotograaf." Banneling zijn, is niet gemakkelijk. Maar je kunt erom huilen of je kunt er je voordeel mee doen. De definitie van fotografie past hij toe op zijn eigen leven: iets negatiefs ontwikkelen tot iets positiefs.

Even is Lucina tussengekomen. Toen die vergelijking tussen popmuziek en Bach kwam, lachte hij het compliment even weg en toen zei zij: "Hij zegt dat hij niet weet of het juist is, maar ik weet dat hij wéét dat hij een bijzonder oog heeft. En dat hij dat ook durft zeggen."

We belden nog twee fotografen over Koudelka. Iemand zei dat hij in zijn hoofd een "visuele bibliotheek" heeft: daarin zitten alle, voor hem, belangrijke beelden. En fotograaf Walter De Mulder, die Koudelka ooit zelf portretteerde, zei: "Hij focust op een ander soort mensen dan Cartier-Bresson deed. Hij fotografeert mensen zoals hijzelf." Dat zou kunnen kloppen met wat hij ooit zei: "Het beste portret van een fotograaf is de verzameling van zijn foto's." Misschien dat hij daarom niet wil dat hier, in het Nederlands Fotomuseum, nog een nieuw portret voor De Morgen wordt gemaakt. Via Magnum (waarvan hij sinds 1971 lid is) laat hij een portret door zijn Franse collega Antoine d'Agata bezorgen.

Of het klopt wat Lucina zegt, namelijk dat hij wél ziet dat hij something special is? Koudelka vertelt dat al in Tsjecho-Slowakije, toen hij pas interesse kreeg voor fotografie, een lesgever zei: "Josef, you have an eye. Go and use it." Jaren later zei Henri Cartier-Bresson hem: "Verlies je oog niet en begin dus zeker niét met fotojournalistiek." Hij heeft al vaker gezegd dat Cartier-Bresson hem niet beïnvloedde in zijn kijken, maar dat dat niks afdeed van het belang van zijn woorden. Want dezelfde fotograaf had ook gezegd: '"Capa (met Cartier-Bresson oprichter van Magnum en bij uitstek fotoreporter, RVP) hielp me enorm, maar of hij mijn fotografie vooruit hielp, weet ik niet." Toen Cartier-Bressons boek over the decisive moment verscheen (in het Frans Images à la sauvette met een cover door Matisse) en hij dat aan Koudelka toonde, haalde hij er vier foto's uit waarvan hij hield. Terwijl dat boek voor William Eggleston de Bijbel was, was het dat niet voor hem.

Dan zegt hij dat hij alleen dit doet: fotografie. Als hij 's avonds gaat slapen, is fotografie het laatste waar hij aan denkt. Het is ook het eerste waar hij aan denkt als hij 's morgens wakker wordt. Ook al merkte hij in Rotterdam dat Lucina, die geen fotografe is, wandelend meer fotografeerde dan hijzelf. Ze stimuleerde hem om verder te doen en op zijn instinct af te gaan: reageren, zonder al te veel na te denken. Nadenken doet hij alleen als hij op een project focust. Koudelka was niet de enige fotograaf in Israël, maar hij vermoedt dat hij zelf wat beter zijn best deed dan sommige anderen.

TSJECHO-SLOWAKIJE. Moravië. Olomouc. 1968. Carnaval. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos

Traagheid

Carl De Keyzer vertelde dat Koudelka ook echt snél is. Als ze met de Magnum-fotografen door Parijs wandelen, kan niemand hem bijhouden. Dat doet hem lachen, hij relativeert het ook: nu hij 78 is, is hij trager dan toen hij bijna 50 jaar geleden door Praag liep. Toen was hij nog heel snel. Tegelijk is traagheid nodig: als je goed wilt kijken, moet je ook langzaam kunnen stappen.

Goed kijken en goed kiezen. Henri Cartier-Bresson, opnieuw komt hij dit verhaal binnen, had een Leica en werkte altijd met een 50 mm-lens. Zo, denkt Koudelka, legde hij zichzelf beperkingen op. Limieten die ook door eigen opgelegde strenge regels van compositie kwamen. Koudelka is bang van grenzen. Hij wil zichzelf niet herhalen, wil geen repititie in zijn werk. Toen hij in 1986 een panoramische camera kreeg, veranderde dat hem meer dan het paspoort dat hij bij zich had.

Wall was het laatste project van Josef Koudelka op film. Hij had altijd met Fuji-camera's gewerkt en in de documentaire film Koudelka Shooting Holy Land van Gilad Baram, die hem volgde tijdens zijn werk, zie je hem met drie zware camera's zeulen. Dat is voorbij: Leica nodigde Koudelka op een dag uit, hier in het notitieboekje tekent hij wat hij toen aan de mensen van het Duitse cameramerk uitlegde: de S2 die ze voor hem wilden ontwikkelen, moest dit panoramisch beeld opleveren. Later kon hij de camera ophalen: makkelijk 30.000 euro waard.

TSJECHO-SLOWAKIJE. Praag. Augustus 1968. Troepen van het Warschaupact trekken de stad binnen. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos

Dat is veel geld voor iemand die nooit één dag in opdracht van een magazine werkte. Die op de vloer sliep, een nomade, hij toont wat in zijn twee borstzakken zit: z'n paspoort en een met plakband bijeengehouden karton waar geld in zit. Nooit had hij een rijbewijs, gsm, computer, zelfs geen portefeuille. Dit groene hemd? Gelukkig was hij onlangs in New York en kon hij nog eens naar de winkel waar hij die al jaren koopt. Hij kocht er twee nieuwe: goed voor de volgende twee jaar.

Is zo'n leven gemakkelijk? Vroeger makkelijker dan nu, vindt hij. Niet hij veranderde, maar de wereld deed dat wel. Dat weet hij omdat hij nooit mensen fotografeerde, maar 'soorten mensen'.

Zomaar, zegt hij daarbij, dat hij zelfs zijn eigen drie kinderen niet fotografeerde. Vaak ziet hij ze niet. Eén dochter woont in Birmingham, een zoon in Italië en Lucina in Parijs. Dat moet toch een gemis zijn? Plots wordt Koudelka een stiller mens. Hij knikt en zegt dat hij ze te weinig zag. Hij was zeer gelukkig toen Lucina in 1986 geboren werd, maar hij wist: hij zou haar niet vaak zien en zij hem niet. Ze zouden elkaar missen, zoals zijn andere kinderen. Maar zo is Koudelka: hij wilde zichzelf niet toestaan om daarvan af te zien. En àls hij haar zag, zou het intens zijn.

Hij vertelt over een fotograaf die hij goed kende en die in de beste jaren van zijn professionele leven álles opgaf voor zijn kinderen. Jaren later, toen ze groot waren, zeiden ze hem: "Maar wij vroégen helemaal niet dat je je leven zou opofferen voor ons." En een andere fotografe, die van haar man scheidde, wilde nooit een andere man om haar zoon niet te kwetsen met een nieuwe vaderfiguur. Tot die jongen zelf zei: "Maar waarom heb je geen andere man genomen?" Natuurlijk, weet hij, zal Lucina afgezien hebben van het feit dat hij zoveel weg was. Maar hij zal nooit weten hoe het anders was geweest.

Exiles/Wall, tot 15 januari 2017 in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.

SPANJE. Andalusië. Granada. Guadix. 1971. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos
Vluchtelingenkamp Shu'fat, met uitzicht op Al'Isawiya, Oost-Jeruzalem. Beeld ©Josef Koudelka / Magnum Photos
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234