Zaterdag 04/02/2023

Reiscultuur in de mist

'De Spaanse Pyreneeën?,' had iemand betekenisvol gevraagd toen we op een lenteavond onze vakantieplannen uit de doeken deden. 'Dan moet je zeker naar Serraduy, een dorpje dat we vorige zomer bij toeval ontdekten en waar we zijn blijven hangen. Rust en natuur bij een kabbelende rivier. Een paradijsje waar tijd van geen tel is.'

We halen er het kaartenboek van Michelin bij en vinden inderdaad op bladzijde zestien: Serraduy. Een speldenprik in Aragon bij de Catalaanse grens, enkel te bereiken langs een zwart lijntje dat parallel loopt met een blauw lijntje, de Rio Isabena. "Doe de groeten aan Julio. Hij runt er een hotelletje waar enkel toeristen verblijven die het kennen van horen zeggen. Wij waren er alleen."

Pau ligt achter ons. We hebben er met de wagen zo'n 1100 km opzitten. De vermoeidheid begint te wegen maar veel wordt goedgemaakt als ze plots als een vaalgrijs silhouet voor ons opdoemen. De Pyreneeën!

Voorbij het laatste stadje slaat de weg rechtsaf tussen de rotsen bergop en even verder, op de top van de Pic du Pourtalet, ligt de Spaanse grens. Van een grenspost is niks te merken. Puerto de Pourtalet heeft meer weg van een parking bij een supermarkt. Toeristen zoeken een parkeerplaats, rijden af en aan, want er is van alles te koop. Kitscherig gekleurde souvenirstalletjes met potsierlijk aardewerk en ander goedkoop artisanaal werk. Het geurt er meer naar geld en plastic bloemen dan naar pijnbomen en oude eiken. Weg van deze braderie. Dit is onze wereld niet. Door een wijd groen dal dalen we af aan Spaanse zijde. Komt het omdat het vandaag zondag is of heeft het met de zon te maken ? Dit dal lijkt, zolang de rivier bereikbaar is, een echt vakantieoord. Picknick aan de rio met de hele familie. Opa, oma en de kleinkinderen incluis.

Hoewel in Spanje vrij kamperen is toegestaan zijn de wettelijke gedragscodes er tegenwoordig zo streng rden dat er v an slapen onder de sterrenhemel nog weinig te genieten valt. Dus zoeken we een camping in de buurt van het nationaal park van Ordessa. Aan de hand van het Michelinkaartenboek komen we in Biescas, een klein dorp met oude huizen aan de oever van de Rio Gàlleco. Het lijkt er rustig. Te rustig, blijkt even later. Als we de weg vragen aan een vrouw die de stoep staat te vegen, maakt ze ons met veel gebaren duidelijk dat er geen camping meer is. Ze slaat de handen voor de ogen. In 1996 is de bloeiende camping door hevige regens weggespoeld door een grote modder- en stenenstroom. Verscheidene mensen lieten er het leven bij. De natuur stelde even orde op haar zaken.

De ondergaande zon achterna haasten we ons naar het volgend icoontje op de kaart. Torla, een paar jaar geleden nog een bescheiden veedorp slaagde erin de nieuwe uitvalsbasis voor het nationaal park te worden. Op het terrein van de 'Camping-Residencial-Hotel-Restaurant-Bar-Zwembad Ordessa' is nog een plaatsje vrij. Ergens tussen twee mobilhomes wordt ons perceel 413 toegewezen, net groot genoeg voor de wagen en onze bescheiden iglotent. Terwijl onze buren op hun wankel vouwtafeltje bij gaslicht de dobbelstenen laten rollen en onverstoord hun spel Mens-Erger-Je-Niet verder spelen, sluiten we ons op in de tent. In de buurt wordt de stem van Céline Dion overstemd door gelul in plat Antwerps. We kruipen dicht bij elkaar en wachten op de stilte van de nacht, die maar niet komen wil.

`s Ochtends wordt pas duidelijk waar we zijn terechtgekomen. Camping Ordessa lijkt op een goedkope Almodovar-filmset, maar dan met de (wan)orde van de weekendtuintjes waar Vlaanderen een patent lijkt op te hebben. Campingwagens en tenten in alle vormen en formaten geïnstalleerd met huis-, tuin- en keukengerei. Droogrekken, barbecues, open 'Campingaz'-keukens, met nylontouw in plastic hoezen ingepakte auto's en mobiele hondenhokken. Perceeltjes met ingerichte tuintjes vol franjes en versiersels. Alleen de tuinkabouters ontbreken. Mensen schuifelen in pyjama naar het sanitair. Sommigen met een toiletzak, anderen met een nachtemmer. We willen snel naar het nationaal park van Ordessa. Help, natuur, help...

Om het park te bezoeken, vertelt onze buurman, moet je de autobus nemen. Met je eigen wagen mag je d'r niet in. Tickets zijn te koop bij de receptie. En inderdaad, bij de ingang van de camping staan tientallen toeristen met stapschoenen, wandelstokken, fototoestel en verrekijker te wachten om in groep naar de parking in het park te worden gevoerd. Daar bevinden zich dan picknickweiden, openbare toiletten, cafés en restaurants. Aan het eind van de parkeerplaats kan je langs voorgetreden paden het park doorkruisen, door een water- en bloemrijk landschap vol kloven en steile wanden.

Na een tip van een oude dorpsbewoner vinden we een pad aan de andere kant van de Rio Ara. De man kent het weggetje uit zijn kindertijd toen het gebruikt werd om met de veestapel naar de hoge groene weilanden te trekken. Een gouden tip, zo blijkt na een paar uur flink bergop. Het pad volgt de kolkende rivier tot diep in het park stroomopwaarts door bossen van beuken, steeneiken en zilversparren. Hoe hoger we klimmen, des te mooier de rode canyonachtige wanden zich aftekenen aan de andere kant van de rivier. Van onder mijn zonnebril zie ik zo nu en dan de asfaltslingers van de gestroomlijnde weg waarop de toeristenbussen elkaar voorzichtig kruisen. Boven de boomgrens, die door het stelselmatig rooien van bomen kunstmatig van 2200 m naar ongeveer 1200 m gezakt is, liggen uitgestrekte weiden en heidevelden. Prachtig beeld, maar toch niet zoals het in een van mijn reisgidsen beschreven staat: 'De zeldzame steenbokken lopen er naast de gemzen, de marmot staat fluitend op de uitkijk, de koningsarend vliegt hoog in de lucht en de lammergier wacht op prooi'.

Van Torla naar Ainsa is het niet zo ver en gelukkig is er weinig verkeer. Een kudde koeien wordt opgehouden door een colonne campingwagens met Nederlandse nummerplaten, waarvoor de weg te steil en te bochtig is. In het stadje zijn er geen koeien meer, maar wagens die elkaar blokkeren door dubbelparkeren. De jongedame achter de balie van het toerismebureau knikt vriendelijk. "Of er een rustige camping in de buurt is? Op sommige campings zijn er meer dan tweeduizend kampeerplaatsen. Wat is uw nationaliteit?" Ze kruist enkele campings aan op de lijst. "Hier zijn veel Belgen," zegt ze, alsof ze me pleziert. Sorry, daarvoor zijn we niet tot hier gekomen. Heeft ze niets met wat meer privacy? Een kamer, een appartement of zo ? "Deze camping heeft bungalows. Even telefoneren."

We hebben geluk. Achttien kilometer ten noorden van Ainsa ligt tussen de dorre uitlopers van de Pyreneeën een kunstmatige oase waar we drie nachten kunnen verblijven. Een stukje camping en, even hogerop, een park met houten bungalows. Bij de receptie hangt een bord waarop in vijf talen de rechten en vooral de plichten van de bezoeker staan. Een badge maakt het ons mogelijk elektronisch de automatische slagboom te openen die toegang biedt (enkel tussen 8 en 23 uur) tot het houten minidorp. Onze blokhut ligt te midden van twintig andere. Vier op een rij. Vijf rijen van vier, op geijkte afstand van elkaar neergeplant. Het park is omheind met groene tuindraad waar je net overheen kan kijken. Elke dag worden de grasperkjes rond de blokhutten met een ingenieus irrigatriesysteem besproeid, telkens stipt tussen zeven en kwart na zeven 's avonds. Ongedierte en onkruid op de kiezelpaadjes worden dagelijks doodgespoten. En steeds is er ergens wel iemand een jonge sparrenhaag aan het snoeien.

's Ochtends zijn de bergen niet meer donker. De vroege zon kleurt ze oker tegen de blauwe hemel. Met de wetenschap dat er achter die bergen 80.000 hectare plateaus en canyons liggen is onze vluchtroute vlug bepaald. We vertrekken naar de Sierra Guara. Sommigen noemen dit natuurpark het Europese Colorado. En inderdaad, een tocht met de wagen langs wegen die niet in de reisgidsen staan leidt ons door eindeloze graanvelden naar een gebergte dat miljoenen jaren nodig had om zijn bodem te vinden. Rivieren zochten in het droge kalkgesteente hun bedding en hebben diepe kloven gesleten. Hier is de mens even niet in staat geweest om de natuur tot zijn erfgoed te verwerven.

Ook de weg schuurt zich door bochten. De indrukken moet je vasthouden want om het allemaal goed te zien zou je moeten stoppen en uitstappen, en zoiets is levensgevaarlijk in deze kalkwoestijn met diepe spleten. Vanuit de wagen maak ik enkele foto's. We pakken de ruimte in en nemen ze mee op klein formaat. Als het even vlak gaat rijden we door oude dorpen die vervallen en verlaten zijn. Daar kunnen we de wagen parkeren. Tijdens de wandeling tussen de verwilderde struiken die woekeren op wat ooit een straat was valt op hoe we als enig menselijk wezen de stilte breken. Boven ons heersen gieren over het luchtruim.

Op deze vouw plooit het grote toeristenpubliek de wegenkaart blijkbaar nooit open. Hier zijn geen rood en geel gekleurde wegen. Het zwarte lijntje dat we volgen blijkt bij elk dorp dat we kruisen de hoofdstraat te zijn. Kleine grijze huizen lijken er als versteende zwammen tegen de rotswand aangegroeid.

Zo komen we in Serraduy. En inderdaad, net voor we het dorp uitrijden staat een hotel. 'Hotel Casa do Peix'. Het moet er al honderd jaar staan, of langer. Op een bankje naast de deur zitten een paar oude mannen te nietsen. Ze groeten ons met een knikje. Binnen is het sober, fris en proper. Ook het interieur lijkt er in honderd jaar niet veranderd en toch is het van nu. Julio, de eigenaar, heet ons welkom. Hij heeft wat van de Spaanse charmezanger met dezelfde voornaam, maar dan in Pyreneeën-versie. Ongeschoren en wat wilder van huid. Maar de vriendelijkheid zelve. Geen computer, geen registratie, geen badge. Maar een warme glimlach en een glas frisse wijn. Alles wat we vragen is meteen oké. Hier zijn we eindelijk thuis.

Het hotel is ook het plaatselijk restaurant en café. De boeren uit de streek komen er met de tractor hun dagelijkse carachillo drinken. Ook de vuilnisman houdt even halt voor een drankje. In de tuin staan een tiental oude appelaars. Julio's vader, een oude grijsaard met een mond vol gouden tanden, heeft ze als kind nog geplant. Onze kleine kamer ligt aan de achterzijde, de kant van de Rio Isabena. De nacht is van de krekels en het kabbelende water. De sterren droom ik erbij.

's Anderendaags ondernemen we nogmaals een tocht naar een nationaal park. Dat van d'Aigüestores. Er is maar één weg die erheen voert, langs Bonansa, het dorp 21 km verderop. Net voor we een tunnel inmoeten, staat een groot verbodsteken. Steenslag .Verder mag niet en een andere weg is er niet. We blijven staan. Tot een tegenligger uit de tunnel komt gereden. Wat hij kan, kunnen wij ook, en we duiken met de wagen de spelonk in. Zes, zeven donkere tunnels volgen elkaar op. Aan het einde van de verboden weg, bij Bonansa, begint de twintigste eeuw opnieuw. Campings dus. We slaan er geen acht meer op en rijden verder naar Espot, het dorp dat de toegang vormt tot het nationaal park.

Welk dier stoot zich ook alweer geen tweemaal aan dezelfde steen ? Wat tien jaar geleden nog een vredig bergdorp was waar je bij de bewoners een kamer kon huren is nu een aaneenschakeling van hotels, restaurants en campings geworden. Welkom in het nationaal park, maar dan niet met de eigen wagen! Enkel plaatselijke jeeps zijn toegelaten. Duizend peseta's voor een zitje. De tien minuten dat we er bleven reden er evenveel jeeps in en uit het park. Wij zijn teruggekeerd door de verboden tunnels naar onze thuis. Daar waar geen tijd bestaat.

Natuurlijk zijn de Spaanse Pyreneeën mooi ! Een van de grilligste natuurgebieden van Europa dat miljoenen jaren nodig had om zich te vormen en dat, mede door zijn ontoegankelijkheid, heel lang ongerept is gebleven. Tot begin vorige eeuw bestonden er nog geen overzichtskaarten van. Alleen herders staken de bergen over bij de wisseling van de seizoenen, op zoek naar groener gras. Maar sinds de ontwikkeling van het massatoerisme hebben touroperators de Pyreneeën 'ontdekt' en kon de ontginning als vakantiebestemming beginnen. In een mum van tijd is de plaatselijke bevolking vanuit een ver verleden terechtgekomen tussen mobilhomes en verwoede sportliefhebbers. Door de lokroep van het grote geld verliest dorp na dorp zijn eigenheid. De boer verkoopt zijn vee en richt zijn weiland in als kampeerterrein. Waar tot voor kort stallingen waren staan nu gebouwen in snelbouwsteen met sanitaire voorzieningen om te wassen en te plassen. Oude dorpen zijn omringd door een gordel van stijlloze nieuwbouw ten gunste van de vakantieganger.

Ook voor nieuwe sporten bleek dit ongerepte natuurgebied een goudmijn. Na het neerplanten van skiliften, hotels en chaletdorpen in het hooggebergte kwamen de lager gelegen rivieren aan de beurt. Waar het water er zich toe leent kan men waterski's, roeiboten, pedalo's, zelfs zeilboten huren. Sinds de opkomst van het deltavliegen en parachutezweven wordt ook het luchtruim onveilig gemaakt. De overheid probeert de kerk in het midden te houden door bepaalde stukken als nationaal park te erkennen. Maar ook dit gebeurt ietwat dubbelzinnig. Terwijl de Unesco erop aandringt om van het hele centrale Pyreneeëngebied één groot internationaal natuurpark te maken blijft de industrialisering toenemen en zijn er vergevorderde plannen voor de aanleg van nieuwe tunnels en wegen door het hooggebergte.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234