Maandag 03/08/2020

Reis naar de rand van Europa

Het was voorbij middernacht. Haast hardhandig viste de baas van de taxi's Robin op uit de luchthavenhal van staal, plastic en reclame, en gooide hem in een taxi. De chauffeur vertrok onmiddellijk en passeerde zijn eigen gsm aan Robin. Iemand zei daarin: 'This is Ivan speaking.'

'Hello Ivan,' zei Robin.

'Where do you wanna go?' vroeg de stem van Ivan.

Robin noemde de naam van het hotel. Hij gaf de gsm terug aan de taxichauffeur, die nu een uitgebreide wegbeschrijving door kreeg.

Eén ding zei de taxichauffeur nog: 'Fifty lev.'

'Lev?' vroeg Robin.

'Five zero Bulgarian lev,' zei de taxichauffeur, alsof hij scherpe stenen in zijn mond verborg. De rest ging vanzelf. Het meisje aan de hotelbalie had de donkere ogen van Kafka. Robin sliep voortreffelijk en 's ochtends ontbeet hij tussen internationale zakenlui. Een Chinees sprak beter Amerikaans dan een Duitser Engels, en de twee keuvelden over adapters, kreeften en de integratie van Bulgarije in Europa.

Buiten reden trams voorbij, uitgeknipt uit oranje en lichtblauw karton.

Het was zaterdagochtend, het begin van het weekend in Sofia. Robin was hier gewoonweg twee dagen te vroeg. De aanleiding was ongeloofwaardig onschuldig: hij verzamelde al jaren prentbriefkaarten waarop mensen in folklorekledij stonden. Volksdansers, dirndls, stierenvechters als jeannetten met spannende rode broekjes. Ook Grieken met witblauwe plissérokjes en ouzo-ogen. Robins vrienden en ook zijn zakenrelaties op reis in Europa stuurden hem die prentbriefkaarten. Ieder heeft recht op een onschuldige afwijking.

Robin was dol op die potsierlijke, onhandige feestelijkheid van folklore. Het was zo onvervalst primair. Als nationale vlaggen. Telkens als Robin een nieuw kaartje ontving, voegde hij het direct toe aan zijn collectie. Er bleek zelfs een logische volgorde in te zitten, vond hij. Toen hij tweehonderd prentbriefkaarten bezat, kon hij ze schudden als speelkaarten, ritselend couperen, en door dat snelle ritme ontstond tussen zijn vingers een filmpje, waarin de gezichten veranderden. De mannen en vrouwen droegen telkens andere kleren: schitterend. In deze verzameling was voor hem een wonderlijke boodschap leesbaar. Deze: 'Wij, mensen van Europa, zijn radeloos op zoek naar elkaar, naar onszelf, naar een authentieke geschiedenis, maar wij gedragen ons beschaafd.' In deze collectie was een glimp van een zuivere, duidelijke waarheid, met name het universele, tijdloze verschil tussen man en vrouw. Dit ging over verleiding, rituele paardansen maar ook het gevecht. Zoals herten met strak geregisseerd lawaai vechten in een sparrenwoud.

Soms leek de hoofdstad Sofia op Parijs, maar dan kleiner, armer en vooral vervallen. Overal waren gaten in de stoep, kapotte huizen, huurkazernes. Daken leken gerepareerd met zilverpapier. Robin liep langs het mausoleum van de Battenbergs, de Arendburg, de Brug van de Geliefden. Hij trachtte cyrillische opschriften te ontraadselen, maar slaagde daar niet in. Hij kwam langs de plek waar Bulgaren warm bronwater aftapten in grote en kleine plastic flessen. In een park bewonderde Robin ijzeren speelgoedtuigjes: een raket, een kar en een wereldbol in socialistisch geel, rood en blauw.

Binnenkort waren er verkiezingen in het land. Aan de Alexander Nevski-kathedraal was een meeting van gepensioneerden. Een Bulgaarse vlag was vastgeknoopt aan een klink. De mannen droegen hoeden en petjes, de vrouwen vreemd geruite jassen. Ze onderbraken elkaar, applaudisseerden matig, klopten zich warm. Om beurten riep iemand iets door een megafoontje. Allen waren kwaad op een verwarde, gezellige manier, tot een man met een leren bokserspet de trap op klom en het woord nam. Venijnig hakte hij in de lucht, met een opgerolde gedeukte affiche. Ieder keerde zich van hem af. Dit was Bulgarije: een nieuwe elite paste zich snel aan aan het kapitalistische Europa en de rest van de Bulgaren keek toe, verzinkend in melancholie, armoe, nationalisme ook.

Robin kwam toe bij het etnografisch museum, een oud kaal paleisje vol aangeklede paspoppen, dekens, tapijten en houtsnijwerk. Hiervoor was hij gekomen. Het was alleen in het weekend te bezichtigen. Robin maakte kennis met Shomov, een minzame zestiger. Vroeger werkte Shomov voor de nationale televisie, maar bij de val van het communisme werd hij ontslagen. Nu was hij hier directeur. Of gids, dat kon ook.

In de eerste zaal toonde Shomov een bleke kaart van Bulgarije. Druk gebarend, in een zingend Engels vertelde hij hoe elke streek haar eigen typische klederdracht had. Op het oude borduurwerk wees Shomov de symbolen aan: levensbomen, slangen, blauwe zonnen. Vroeger legden vrouwen een stuk levensbrood onder hun hoofdkussen om de man van hun dromen te zien. Vrouwen borduurden niet om iets moois te maken, maar om zich een maatschappelijke plaats te verwerven, om een man te verleiden en te behouden. Zelfs na de dood, want daarboven konden ze alleen herkend worden aan hun geborduurde kleren. Ook door hun eigen man.

'Kom dichter,' zei Shomov. Hij wees op de symmetrie in de tekeningen, maar overal zat blijkbaar een kleine opzettelijke fout in het patroon. Stippen die ontbraken, een blauwe wolk die niet herhaald werd, een verloren zwarte bol. Robin keek door het raam naar buiten. De zon scheen op de kastanjebomen en de lindes. 'Wat doe ik hier?' dacht Robin.

Shomov legde omstandig uit hoe jonge vrouwen hun bruidsschat vervaardigden. Hij zei ook: 'Als vreemde mannen toekomen in het dorp, gaan vrouwen hen tegemoet met brood en zout. Ze doen dat om die mannen te zuiveren.'

'O ja? Waarvan moeten mannen gezuiverd?'

'Van de moeheid, van het stof van de weg en van de slechte gedachten.'

Shomov lachte, knipoogde. Hij vertelde dit allemaal in de tegenwoordige tijd: alsof het nog steeds geldig was. Alsof de kwade krachten nog steeds bezworen moesten worden.

'Dragen jullie deze kleren vandaag nog?' vroeg Robin.

'Hier in Sofia niet. Hier zijn we modern, maar op het platteland gebeurt het nog.'

'Meen je dat?'

'Zeker als het feest is. Wacht even.'

Shomov knipoogde opnieuw. Hij nam zijn gsm en deed glimlachend een onverstaanbaar telefoontje. Dan zei hij: 'Ik belde met Aneta, zij was mijn maatje toen ik nog bij de televisie werkte. Zij is hier ook dol op, zij weet misschien de weg.'

Aneta sprak Frans met een licht Russisch accent. Zij droeg hoge zwarte laarzen, haar wimpers waren een kunstwerkje. Ze kende Tintin en Bécassine, ze was vertaalster Bulgaars-Frans, zei ze. Robin en Aneta gingen een koffie drinken.

'De mensen hier lopen trager dan bij ons,' merkte Robin op.

'Je moet in de zomer terugkeren. Dan lopen we nog trager.'

Robin zei haar hoe hij in de straten van Sofia onmiddellijk de vele straathonden had opgemerkt: 'En die honden kijken hier eerst links, en dan rechts als ze oversteken. Als voorbeeldige kinderen. Ze slapen gewoon op de stoep in de najaarszon en zoeken discreet hun eten in het afval. Vanwaar komen ze allemaal?'

'Als Bulgaren een huis bouwen,' zei Aneta, 'dan nemen ze een hond om de werf te bewaken. Wanneer het huis af is, schoppen ze de hond buiten. In de winter worden de honden agressiever, als ze geen eten meer vinden.'

'Houden jullie dan van straathonden?'

'De Bulgaren niet,' zei Aneta, 'maar ik wel.'

Robin zei hoe hij in de hoofdstraten van Sofia zigeuners had zien rijden. Ze haalden het afval op, met paard en kar.

'Ik hou ook bijzonder van zigeuners,' zei Aneta. 'Een zigeuner aanraken brengt geluk.'

Aneta vertelde hem over de Thraciërs en de bezetting door de Turken, over de kunstenaar Christo die niet naar Bulgarije wilde terugkeren. 'Een op zeven Bulgaren woont in het buitenland,' zei ze. 'Er mankeert iets met onze trots.'

Elk jaar vertoefde ze een volle maand in Parijs. Liefst luisterde ze naar Franse muziek: Dalida, Gainsbourg en Boris Vian. Ze hield van Michel Sardou en Sylvie Vartan, met 'Les Balkans et la Provence', ze werd daar vrolijk van. En zelfs van Claude François' 'Comme d'habitude', om eenzaam raki bij te drinken.

Ze gingen naar Aneta's flat, die volgestouwd was met schilderijen en Franse en Bulgaarse boeken. Het was er veel te warm. Robin en Aneta dronken raki en aten.

'Let op,' zei Aneta, 'wij drinken niet zoals Russen of Polen, om zo snel mogelijk dronken te zijn. Wij eten bij het drinken, om het zo lang mogelijk te laten duren.'

Ze zette twee ramen open om de kamer te laten afkoelen.

'Waarom zet je de verwarming niet gewoon lager?'

'Dat is niet de gewoonte in Bulgarije,' zei ze.

Robin legde haar uit wat hem intrigeerde in folklorekledij: 'Volgens mij bestaan er universele schema's. Lege vormen waarin al wat woekert in ons hoofd, tot rust kan komen. Misschien is er zelfs een taal van kleuren en vormen, die uitlegt hoe mannen en vrouwen zijn. Een soort wiskunde, een bron, een spiegel waarin wij onszelf kunnen zien.'

Aneta knipperde met haar ogen. Ze zei: 'Ik drink nog wat raki, en dan nog wat bier.'

'Er bestaan algemene patronen,' ging Robin door, 'die voor elk menselijk wezen dezelfde zijn. Wij denken dat chemie of sappen in ons lijf ons als een kwaadaardig horloge regelen of juist ontregelen. Maar tegelijk ruist daarin water en zand, kristallen, fluisterende accordeonmuziek. Het is het spektakel dat wij de strijd der seksen noemen.'

Aneta zweeg.

'Wat vind jij, Aneta?' vroeg Robin.

'Ach,' zei ze en ze begon over Franse schrijvers als Stendhal, Perec en Queneau. Ze proefde op haar lippen de namen van Parijse straten en metrostations, en tussendoor klaagde ze dat in Sofia steeds meer dure auto's verschenen, en ook de maffia. Die hele Bulgaarse blingbling. Elk weekend ontsnapte ze gelukkig naar haar huisje op het platteland.

'Ga je morgenvroeg mee?' vroeg ze ineens opgewekt. 'Ik neem je mee naar een dorp waar er morgenavond een volksfeest is. Morgen pik ik je op in het hotel.'

In een oude rode Twingo vertrokken Aneta en Robin 's morgens naar het noorden, richting Zwarte Zee. Ze reden langs dode chemische fabrieken, ooit de trots van het socialisme. Aneta noemde de namen van de heuvels van het Balkangebergte. Ze waren bedekt met Indian Summerbossen, met daarin vervallen politiehuisjes en lege loodsen waaruit rook opkringelde. Dan daalden ze traag de Donauvlakte in, een vlak landschap vol graan. Er heerste een Russische of zelfs Amerikaanse onbewoondheid. Rode uientrossen werden te koop aangeboden langs de weg. Na twee uur kwamen ze in een eenvoudig dorp, Nivjanin. Letterlijk betekende dat 'tarweveld', legde Aneta uit, maar het was ook de naam van een gelijknamige partisaan-dichter die hier ooit sneuvelde. Aan het bleekgele gemeentehuis stond Nivjanins standbeeld, met een gerepareerde neus en begroeid met korstmos.

'Iedereen vlucht hier weg,' vertelde Aneta. 'Vroeger waren hier tweeduizend bewoners, nu nog driehonderd.'

Op een leeg kaal plein dronken ze koffie bij Marina, die water gooide op het vloertje en het dan met één hand schoonveegde. De andere hand hield ze op haar pijnlijke rug. Auto's reden voorbij, slingerend tussen gaten in de weg. Ganzen waakten onder een hoge kar.

'Het dorpsfeest gaat niet door,' zei Marina. 'Morgen zijn het verkiezingen, dan mogen we niet drinken.'

'Niet erg,' zei Aneta tegen Robin. 'Dan verzinnen we zelf maar wat.'

Marina zette brood en zout op tafel, roosterde worstjes onder een oude kweeperenboom. Haveloze mannen kwamen brood, bier of benzine kopen. Ze droegen zonnebrillen en zwarte leren jassen uit Turkije.

Aneta toonde aan Robin het gemeenteschooltje, het piepkleine kerkje en dan het huis van de communist, die de allerbeste raki van het dorp stookte. Hij liet net zijn kalkoenen uit alsof het schapen waren. Dan wees Aneta het leegstaande huis aan van een veiligheidsagent, die onlangs zelfmoord pleegde. Hij blies zichzelf op met een bom. Ten slotte het huis van Nikolaj, bijgenaamd 'Het been', die zo mooi de dichter Nivjanin citeerde. Twaalf jaar gevangenis kreeg Nikolaj omdat hij zilver stal in de fabriek en toen hij vrijkwam, was zijn vrouw weg naar Italië. Het dorp hing van dit soort verhalen aaneen. Aan sommige huizen stonden duurdere auto's: de kinderen die in Sofia werkten, waren op bezoek.

'Nu gaan we naar mijn huisje,' zei Aneta.

Haar huisje was een klein museum. Robin bewonderde er jukken, dissels, naïeve schilderijtjes van bloemen, een fijngesneden stok en vooral tapijtjes met daarop oude motieven. Robin herkende ze van het museum in Sofia. Soms vroeg Aneta aan zigeuners om in de oude, leegstaande huizen te zoeken naar achtergelaten spullen. Ze zei: 'Zij fouilleren voor mij de huizen.'

Aneta ging zitten op een laag stoeltje aan de kachel, maakte het vuur aan met bekribbelde papierproppen. Toen het vuur volop brandde, toonde ze in het schuurtje een groot plastic vat met zelfgemaakte wijn. Aneta en Robin proefden in de zon. Plotseling beet een koude wind.

'Dit is het land waar het vandaag sneeuwt,' zei Aneta, 'en morgen is het weer twintig graden. Als de zon weg is, bevries je.'

Het dak van het schuurtje was stuk, stelde ze vast. Er zaten marters in, en misschien hadden die de kleine schouw omvergeduwd. Toch wilde Aneta geen kwaad woord over marters horen.

'Zijn ze voor jou zoals die straathonden in Sofia?' vroeg Robin.

'Ja, en zoals zigeuners in Bulgarije. In Nivjanin wonen er veel,' vertelde ze. 'In de hoofdstad spreekt iedereen kwaad van de zigeuners: omdat ze niet werken, stelen en bezig zijn met vuilnis. Dat zeggen ze toch. Hier wonen en werken ze gewoon als landbouwers.'

'Kom, nu gaan we naar mijn buurvrouw,' zei Aneta. 'Zij zorgt hier voor mijn huis. Ik noem haar Pomona, omdat ze altijd als een Romeinse godin verschijnt met groente en fruit in haar handen. Met watermeloenen en bloemen. Ze wordt altijd gevolgd door katten en honden.'

Tania opende zelf de deur. Ze begroetten elkaar hartelijk. Een kleine magere hond wrong zich tot bij Aneta. Balkan heette die, en hij rolde zich direct in een bolletje onder Robins stoel.

'Ik kom voor wat geitenkaas,' zei Aneta.

'Ik heb er geen. De bok stond te hevig,' zei Tania. Ze vertelde meteen de laatste dorpsnieuwsjes.

'Ach, iedereen doet het hier met iedereen,' besloot Aneta. Zij en Robin schoven bij aan tafel en ze aten sardientjes van de Zwarte Zee, gehaktballen en gepaneerd konijn. Robin werd voorgesteld aan de twee dochters van Tania, een schoonzoon-saxofonist en zijn broer, diens vrouw en hun dochter, en vervolgens Tania's jongste zoon Petr en zijn knappe vrouw Didi en hun rozige dochter, en nog een zigeunerjongetje dat kwam spelen. Aneta legde al die familierelaties uit aan Robin, maar het was een kluwen dat telkens weer verwarde.

Aneta was hier dol op, haar ogen blonken. Als enig kind had zijzelf nooit die rommelige gezinswarmte gevoeld. Er was ook een gaan en komen van straathonden, en zigeunerkinderen uit de buurt. Af en toe stopten auto's aan de deur. Discreet stond Didi op, nam geld aan en gaf een farde sigaretten mee.

'Die zijn gesmokkeld,' zei Aneta. 'Gestolen of gefabriceerd op een schip.'

Na al dat eten en drinken vertrokken ze. Ze wandelden tot aan de rand van Nivjanin.

'Kijk, en dit is meteen ook de rand van Europa,' zei Aneta. Oude kleine boerderijtjes stonden rond een grasveld. Een kalf en een ezel waren vastgelegd met een ketting aan hun achterpoot.

'Hier wonen de zigeuners,' zei Aneta. 'Zo meteen zie je de man die niet bestaat.'

'Hoe bedoel je?' vroeg Robin.

'Hij heet Avram, en hij heeft geen paspoort. Hij is stokoud, en zijn hele leven lang staat hij in geen enkel bevolkingsregister. Lang geleden kwam hij hier toe. Hij heeft tien kinderen die ook weer zoveel kinderen hebben. Vroeger werkte hij in de bouw, maar altijd illegaal. Hij bestaat gewoon niet, voor geen enkele overheid.'

Een oude zigeunervrouw kwam naar buiten. Donker en imposant, met een zwart doek over haar witte, lange haren. Op haar oranjerode schort stonden bloemen geborduurd. Aneta en Robin mochten binnen in haar huis. Ze had elf kinderen, vertelde ze en stelde haar jongste dochter voor. Het meisje was nu 18, binnen 20 dagen ging ze bevallen.

'Eindelijk, want ze probeert al vier jaar zwanger te worden,' zei ze. De oude vrouw wees naar een kolossale magnumfles Johnny Walker boven op de kast: 'Ik heb aan God beloofd deze fles te openen als het kind er zal zijn. Ik zal de ganse nacht drinken en dansen van geluk.'

'Waar is Avram?' vroeg Aneta.

'Avram is altijd onderweg,' zei de vrouw.

Twee uur later viel dan het gezelschap voor de avond binnen in Aneta's huisje. Eerst kwam Irene toe, volgens Aneta een seksbom, omdat ze blond was. Ze was vijftig, droeg zwarte netkousen, een zwarte plastic jas die ze de ganse avond aanhield en een gouden handtas met een chihuahua in. Ze was samen met Marin, haar nieuwste man.

Suf en puffend gaf Marin toe dat hij al te veel gedronken had. Hij vertelde flauwe grappen die Aneta vertaalde en hij viel dan in slaap. Aneta fluisterde tussendoor dat Marin erg jaloers was.

Dan kwam Irenes knappe dochter Didi binnen, met haar man Petr die een zoon was van Tania, waarna ook Tania binnenkwam met Ilya, een zigeuner van de stad Russo aan de Donau. Ilya was getaand en groot, hij lachte breed. Hij zweeg, maar als hij iets zei, luisterde iedereen. Iedereen rookte daar als een Turk, maar Ilya deed dat fysieker en met felle ogen, alsof hij mensen in zich kon opzuigen. Hij sprak ook Frans en zei: 'Il faut jamais monter plus haut qu'une femme.'

Marins ogen gingen even open en dan weer toe. Terwijl ze aten en dronken, gaf Aneta voorwerpen door. Ze vroeg aan het gezelschap te zeggen waarvoor het gediend had: een houten nap, een vreemdgevormde kruik.

Irene rookte nu lange smalle witte sigaretten met een lichtblauwe filter. Ze kirde, haar stem sloeg over. De chihuahua sliep als een vuile vod in haar tas.

'Ik rijd met John Deeremachines,' vertelde Ilya dan maar. 'In het oogstseizoen maai ik in de Donauvlakte dag en nacht zonnebloemen en graan.' Hij noemde trots zijn loon. Hij wilde nu een huis kopen, maar in het dorp waar hij woonde stonden bijna alle huizen leeg. Jonge mensen trokken weg, en de achterblijvers wachtten gewoon af, werden oud en gingen dood.

'Wat is dat toch met dit land?' vroeg hij.

Marin sliep nu diep, snurkte. De mooie Didi ging vlak bij Ilja zitten, met haar zwart krullende haar en grote donkere ogen. Ze zei niet veel, dronk bier uit de 2,5 literfles.

Ze aten en werden samen op een beheerste wijze dronken. Af en toe moest Robin ontsnappen naar het toilet, gewoon om naar buitenlucht te happen, als koude onverdunde zuurstof. Door het raampje zag hij de sterrenhemel boven hem: een uiteengespat hemelgewelf. In de watergeiser hoorde hij Bulgaarse stemmen. Toen hij terugkeerde naar het dronken gezelschap, zag hij het: het meisje Didi leek als twee druppels op Ilja.

Toen de bezoekers vertrokken, bleef Ilja als laatste achter. Hij bevestigde wat Robin had gezien: Ilja was de onwettige vader van Didi. Ooit had Ilya een nacht samen geslapen met Irene, toen die ruzie had met haar man. Irenes wraak was zoet geweest: Didi. Hiervoor was Robin naar Bulgarije gekomen: om te zien hoe mensen elkaar overal vinden. Soms volstaat een nacht om de mensheid aan de gang te houden.

'Weet men dat hier in het dorp?' vroeg Robin nog.

'Er wordt zoveel over ons zigeuners verteld, dus iedereen weet dat natuurlijk. Behalve Marin, want die is jaloers.'

's Nachts vroor het. Om acht uur kwam de zon rood op achter de moerbeiboom en stil ontsnapte Robin naar buiten, Aneta sliep nog. Robin deed de wandeling van de dag ervoor over, de hond Balkan liep spontaan met hem mee. Een vuur waarin vuilnis werd opgestookt, smeulde langs de weg. Hier en daar schoten kleine honden wakker op de erven. Robin bewonderde een ooievaarsnest boven op een elektriciteitspaal, wilde fresia's in het gras, vervallen schuren. Er hingen jarenoude overlijdensberichten op de boerderijen, en ook verse verkiezingsaffiches. Een oude vrouw was op wandel met een reusachtige zwarte geit.

Robin liep door een dreef met gewitte boomstammen. Hij voelde zich figurant in een idyllisch schilderij. Plots kwam Ilya vrolijk voorbijrijden in zijn Lada. Hij voerde mensen naar het stembureau en gaf Robin een lift naar het verkiezingslokaal. In het prefabgebouwtje zaten dikke vrouwen met ros Fabiolahaar achter een tafel. Een oranje papieren zon hing opgekleefd achter de stemhokjes. In het midden van de ruimte stond een klein Europees vlaggetje.

'Welkom in de grote Europese familie,' zei Ilya ernstig.

Robin nam afscheid. Op dat moment reed een man in witblauw houthakkershemd voorbij met paard en kar. Ilya groette hem: het was Avram, de meest papierloze, de meest stateloze Europeaan van Europa. Hij was zeker ouder dan tachtig, naast hem zat zijn achterkleinzoon. De oude Avram droeg een grote witte snor en bakkebaarden. Even hield hij halt, groette en reed dan rinkelend voorbij de verkiezingsdrukte.

In de vooravond keerden Aneta en Robin terug over de snelweg naar Sofia. Af en toe verscheen uit het niets een tankstation met een logo van Shell of Q8, als een vreemd lichtgevend lichaam. De zakelijke contacten die Robin de daaropvolgende dagen had, waren vreemd. Een traagheid sloop in Robins woorden. Hij voelde nog de rode ochtendzon van Nivjanin op zijn vel, en in zijn hoofd klonk de hele tijd 'Itsi bitsi petit bikini' van Dalida, en Boris Vian, met 'Fais moi mal, Johnny'.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234