Zondag 01/08/2021

RegisseurNabil Ben Yadir‘Ik maak geen films om geliefd te zijn, ik maak films om gehoord te worden’

Nabil Ben Yadir (30) is een jonge filmregisseur die opgroeide in Molenbeek. Met zijn komedie Les barons heeft hij een enorm succes, met meer dan 100.000 bezoekers. Het is een komedie over zijn leven. ‘Als een vreemde zegt: ‘Man, ik zie u graag’, dat is hard.’

et Indiase liedje:Hmmm hmmm hmmm hmmmAaaa aaaa aaaa aaaaaHooo oooo aaaa aaaaaaaHmmm hmmmJeet jayenge hum... Zingadi Har Kadam ...Hoe vaak heeft hij dat niet horen klinken in het huis in Molenbeek, in de wijk Ribeaucourt? Zittend naast zijn Marokkaanse moeder op de bank, kijkend naar de video, terwijl buiten auto’s claxonneerden en hij op basis van die klank het merk van de wagens herkende.Dit beeld: een man krijgt tranen in de ogen. Hij staat voor de tralies van een deur die uitgeeft op de lange gang van een krankzinnigengesticht. De vrouw die in de gang staat, zegt: “Ik mis mijn kinderen”. Ze herkent hem niet. De man is haar zoon.Hoe vaak heeft hij dat niet opnieuw gezien. Soms met de hele familie: Nabil Ben Yadir, zijn moeder, zijn vader, zijn oudere broer en zijn twee jongere broers. Soms keken ze al vanaf ’s middags.“Zeker twintigduizend keer hebben we met de familie naar die Bollywoodfilm gekeken: Meri Jung”, zegt Nabil Ben Yadir.Het is het verhaal van een jongen wiens vader onterecht wordt opgehangen door toedoen van een corrupte rechter. Zijn moeder wordt waanzinnig van verdriet. De kiem van haat is gezaaid. De jongen besluit advocaat te worden. Op een dag zal hij weerwraak nemen, gewapend met zijn kennis van het recht. “Het is een lang en traag verhaal over een jongen die volwassen wordt en slaagt in het leven. Ik bekijk die film nog altijd met veel plezier met mijn moeder.”“Ik ben een moederskind”, vertelt Nabil. Het was zijn moeder die hem de liefde voor film bijbracht. Louis de Funès, Hitchcock, Bollywoodfilms, hij is er letterlijk en figuurlijk groot mee geworden. “Die films kon je thuis met de hele familie bekijken, er werd niet te veel in omhelsd.”“Louis de Funès is het voorbeeld van een antiheld die het toch kon maken in de film. Het zijn films die mensen samenbrengen. Ik kon een discussie hebben met mijn broer, maar even later keek ik met mijn familie naar een film en zaten we samen om dezelfde scène te lachen. Het is een beetje wat Les barons wil doen: mensen verenigen die buiten de cinema geen woord met elkaar zouden wisselen.”“Nabil”, had zijn moeder zo vaak gezegd. “Waarom zijn er nooit mooie films over ons? Wij zijn altijd de boosdoeners, waarom is het altijd triest, waarom is er altijd politie? Ik wil ook wel eens lachen.”En Nabil maakte een komedie: over zichzelf, over Molenbeek, over de lotgevallen van enkele jongens van Marokkaanse afkomst. Zelfspot, noemt hij het. Maar het is zelfspot die ergens toe leidt. Zijn vrienden die tramchauffeur zijn geworden rijden nu in Brussel rond met trams waarop Les barons als een Bollywoodaffiche staat geadverteerd.‘Om in het leven baron te zijn moet je zo lui mogelijk zijn. Ieder mens wordt namelijk geboren met een krediet aan stappen. Iedere stap brengt je dus dichter bij de dood. Wij, baronnen, weten dat. De meest ambitieuze baron ben ik, Hassan. Ik droom ervan mensen te doen lachen, maar voor mijn vader is dit geen echt beroep. Buschauffeur wel daarentegen, een beroep met een loonfiche aan het einde van de maand. Bovendien is dit bij ons ongepast: op de scène staan en de mensen doen lachen door over je familie en vrienden te praten.’Ook Nabil Ben Yadir wilde ooit stand-upcomedian worden. “Ik heb zeker materiaal voor een avondvullend programma bij elkaar geschreven. Maar op een podium gaan staan was niets voor mij.” Een film maken wel. De film bracht onbeschrijflijk veel teweeg. De Brusselse cinema’s zaten al vanaf de eerste week vol met jonge gasten en families die nog nooit in een filmzaal waren geweest. Er waren wachtlijsten voor de kaartjes. De film toont een wijk die lijkt op Molenbeek. “Molenbeek is een microkosmos”, zegt Nabil.Iedereen die ooit weg wilde vliegen uit een nest waarin hij vastzat, herkent zich in de film. Eind november kreeg Les barons op het Internationaal filmfestival van Amiens de publieksprijs. Hoofdrolspeler Nader Boussandel kreeg de prijs voor de beste mannelijke vertolking. Begin december kreeg de film de prijs van de jury op het filmfestival van Marrakech. In januari zal hij uitkomen in Frankrijk, later dit jaar in Nederland.En Nabil Ben Yadir, die blijft verder werken.We spreken af in café de Walvis, vlak bij de plek waar vroeger de stad eindigde, bij wat men nog altijd ‘De Vlaamse Poort’ noemt. Aan de overkant van het kanaal ligt Molenbeek, de wijk waar Nabil Ben Yadir opgroeide en nog altijd in zijn familienest woont. Iets verder, bij het Klein Kasteeltje, is de plek waar de ‘chasseurs à droit’ te werk gaan, gewiekste jongens die de kost verdienen door kleine ongevallen te veroorzaken door hun voorrang van rechts te nemen. Het komt allemaal terug in de film. Het avontuur van Nabil Ben Yadir begon al zo’n tien jaar geleden. Hij werkte als taxisteward en bewaker van Q-Park bij het Brusselse Zuidstation en schreef zijn dagen neer.

Waar schrijft u nu?

“Ik kan niet schrijven in een stil kantoor, ik moet op straat schrijven. Ik zit vaak in een van de theehuizen in Molenbeek te werken, samen met Laurent Brandenbourger, de coscenarist die mee aan Les barons heeft gewerkt. We praten een paar uur, we discussiëren en maken grappen. Op het eind van de dag verzamelen we alle ideeën in notities.“Die plek, die gemeente, voedt mij. Ik ben er verliefd op. Ik kan buiten op een bankje gaan zitten en kijken naar de mensen. Zo krijg ik inspiratie. Ik weet niet of ik ooit ergens anders zou kunnen schrijven dan in de volksbuurten van Molenbeek. Alles wat je in Molenbeek ziet, is op zich al een film. Ik voel me gesteund in het schrijven als ik rondom mij mensen heb die gewoon hun dagelijkse leven leiden, een plek in het universum zoeken, zich schreeuwend en claxonnerend door de straten begeven.”

De wereld komt naar u toe.

“De wereld moet mij omringen, maar het schrijven is nu moeilijker geworden. Ik word niet meer met rust gelaten, ik kan niet meer zomaar kijken. Iedereen kent er Les barons. Iedereen wil in een film zitten, wil acteur zijn of komt met ideeën voor een scenario. Dat is de tol van de roem via de televisie.”

U schrijft nu aan een thriller die op het lijf geschreven is van Jan Decleir.

“Hij is een buitengewone acteur. Voor mij is hij de beste. Ik had Daens gezien en De zaak Alzheimer en wilde per se met hem werken. Voor zijn uiterlijk, voor zijn spel. Ik heb heel veel aan hem gehad toen hij de rol van kruidenier in Les barons speelde. Prachtige en leerzame gesprekken heb ik met hem gehad. Ik wil nog verder gaan in een volgende film met en voor hem, die ik in het Nederlands wil schrijven. Het is me opgevallen, en dat is een spijtige zaak, dat ik zes jaar Nederlands op school heb gehad en het toch niet voldoende beheers. Ik ben nu opnieuw extra lessen Nederlands voor gevorderden aan het volgen. Ik ben dat aan mezelf verplicht als Belgische filmmaker.“In het werk zou ik graag samen grenzen overschrijden. Het zal niet de Jan Decleir uit Les barons zijn, maar een die zwart en donker is. Zonder scrupules, maar wel iemand die uiteindelijk een menselijke kant blijkt te hebben. Hij heeft er het fysiek voor om zo’n rol te spelen.”

Wat is het echte kwaad volgens u?

“In het leven is de hypocrisie het echte kwaad. De hypocriet is de gevaarlijkste en wreedste mens die er bestaat, omdat je het kwade niet onmiddellijk ziet.“Ik weet intussen dat er in de filmwereld veel hypocrisie heerst. Het is een wereld vol gevaarlijke voetstukken. Een mens is er de ene keer super ‘in’ en de andere keer super ‘out’, de ene dag houdt men van je, de volgende dag is de liefde op een meedogenloze manier voorbij. Maar iedereen zegt wel voortdurend voor altijd van je te blijven houden. Je moet in deze wereld heel goed met beide voeten op de grond blijven staan.”

Dat is het momentane van de liefde.

“Geliefd te zijn door mensen die je kent is heerlijk. Maar geliefd worden door mensen die je niet kent, is gevaarlijk. Mensen die ik niet ken, vreemden, komen nu naar mij toe en omhelzen me met de woorden: ‘Man, ik zie u graag’. Dat is hard. Ik ben dat niet gewend. Geadoreerd worden omdat je op televisie komt of omdat je een film hebt gemaakt is een aangenaam gevoel, maar ik blijf er wel wantrouwig tegenover staan. Het is ook goed, het verplicht een mens zich weer te richten op het essentiële, het nest, de familie, zijn vrienden: alles wat dicht bij het leven is. Ik maak geen films om geliefd te zijn, ik maak films om gehoord te worden. Het is gevaarlijk om onder druk van het succes te gaan zweven. Ik wil mijn gewone menszijn behouden. De graad van menselijkheid is de handtekening van elke kunstenaar.”

Wat is dat dan, uw graad van menselijkheid?

“Familiale waarden. Altijd dicht bij zijn familie blijven en bij zijn vrienden. Niet van vrienden wisselen alsof men van broek verwisselt. Er zijn mensen die zeggen: ik tel mijn echte vrienden op de vingers van één hand. En dan houden ze vijf vingers omhoog. Ik tel mijn vrienden liever op één vinger, daar zitten ze allemaal samen.”

Toch gaat uw film ook over het zich losmaken van zijn milieu.

“Het is nodig om te groeien. Dat geldt zowel voor iemand die uit een klein Vlaams dorp komt als voor iemand die uit Molenbeek afkomstig is. Ik heb nooit willen breken met mijn familie of milieu. Zich losmaken is geen vlucht, het is een ontsnapping om terug te komen. Om later te kunnen zeggen: ik ben weggegaan om te bewijzen dat ik gelijk had, dat ik na deze tocht een echter mens ben geworden.“Het mooiste cadeau dat ik ooit gekregen heb, was de omhelzing van mijn moeder op de première van de film op het filmfestival in Namen. Iedereen was meegekomen: mijn ouders, mijn broer, mijn vrienden uit Molenbeek. We waren trots op elkaar. Blij met de daadkracht.”

Uit wat voor nest komt u?

“Uit een open nest. Mijn ouders zijn in de jaren zestig naar hier gekomen. Mijn vader is als eerste uit Marokko vertrokken, later volgde mijn moeder. Vader heeft een heleboel jobs gehad. Hij heeft in de mijnontginning in Corsica gewerkt, waar hij met dynamiet in de mijngangen moest werken. Op een dag heeft hij er ruzie gekregen met zijn baas. Mijn vader stond met het dynamiet in zijn hand, zijn baas stond aan het toestel om het dynamiet op te blazen. Mijn vader heeft het dynamiet losgeknipt, is weggelopen en is nooit meer teruggekomen. Via Parijs is hij in Brussel terechtgekomen, waar hij eerst als fotograaf werkte voor een agentschap, later tramchauffeur werd en dan als chauffeur bij de leveringsdienst van de krant Le Soir aan de slag ging. Dat heeft hij vijfendertig jaar lang gedaan.“Mijn vader is een belezen en intelligente man. Ook hij schrijft, dingen voor zichzelf, mijmeringen, poëzie. Hij had veel contact met sommige journalisten van de krant en raakte goed bevriend met de onderzoeksjournalist René Haquin.“We lazen thuis iedere dag de krant. Le Soir, die kregen we gratis. Ik las nooit boeken, maar de krant las ik altijd. Ik ken veel mensen die nooit een krant vastpakken, dat kan ik me niet voorstellen. Ik heb altijd een open venster op de wereld willen hebben.”

Toch was werken in het artistieke milieu iets waar je voor moest vechten.

“Het artistieke milieu is een onbekend milieu, voor al mijn vrienden. Onze ouders zijn arbeiders en ze zijn er bang voor. Ze beschouwen de kunstwereld als een jungle. Ouders hebben angst voor het onbekende, en uit angst verhindert men de kinderen ernaar toe te gaan. Maar mijn moeder heeft me altijd gesteund, hoewel ook zij vond dat ik eerst een diploma in een ‘vak’ moest behalen. Mijn moeder is de echte artieste van het huis. Ze schrijft, tekent, leest romans.“Het is een voorrecht geweest op te groeien in een wereld die openstond voor anderen. Ik heb een belangrijke waarde meegekregen: verder gaan dan het einde van de straat. Dat zit ook in de film: het voordeel dat Hassan ten opzichte van de andere baronnen heeft, is dat hij nieuwsgierig is. Hij wil weten wat er gebeurt, hij wil niet geloven wat de tv hem vertelt, hij gaat zelf kijken. Gebrek aan nieuwsgierigheid leidt tot lethargie. Dat is de ware stap naar de dood.”

Van wie kreeg u de liefde voor het woord?

“Van mijn moeder. Ze deed dat slim. Ze corrigeerde mijn schrijffouten. Zo verplichtte ze me om na te denken welke woorden ik gebruikte en om na te denken wat ik schreef. Ik ben al van jongs af beginnen te schrijven. Toen ik dertien was, schreef ik voor mijn vrienden in hun agenda de uitleg die de ouders zogezegd meegaven om de afwezigheid van hun zoon op school te motiveren. Ik verzon huiselijke geschiedenissen en verkocht ze voor 50 frank.”

Toch ging u automechanica studeren.

“Mijn vader en mijn moeder verplichtten me om eerst een diploma te behalen, wat logisch is. Dat het automechanica werd, lag voor de hand, het werd iedere Marokkaanse jongen aangeraden.”

U hebt verschillende keren geprobeerd u in te schrijven in een kunstschool.

“Om te leren tekenen. Dat deed ik al van kindsbeen af. De maatschappelijk assistent voor de beroepsoriëntatie raadde het me af. Ze zei: ‘Jongen, als je even handig bent met een schroevendraaier als met een potlood kun je beter automecanicien worden’. Zo iemand is gevaarlijk, het lijkt bijna een verborgen agenda. Dat is een fout in de opleiding en de adviezen aan de tweede generatie uit de Maghrebgemeenschap. Wij zijn een generatie waarvan men vond - en ook de ouders dachten dat - dat ze opgeleid moest worden tot een groep gespecialiseerde arbeiders om zeker te zijn van een inkomen. Het stond niet te ver af van wat onze ouders deden. Men dacht dat het veiligheid zou bieden. Nu zeggen wij: ‘Stop! Je moet ons niet daar beneden houden’. Wij willen ook arts worden, of advocaat, of kunstenaar.“Ik heb niet met liefde gekozen voor een diploma automechanica. Men heeft mij verhinderd artistieke studies te doen, maar ik heb het wel belangrijk gevonden die opleiding af te maken. Ik heb me in het onderwijs ook gesteund gevoeld. Ik zat op het Institut René Cartigny in Elsene en kreeg Franse les van een vrouw. Haar naam zit nog in mijn geheugen gegrift: madame Dassargues. Zij heeft me altijd gesteund. Door haar manier van lesgeven, haar betrokkenheid en haar ernst heeft zij me zin gegeven om op school te blijven. We lazen enkele verplichte boeken, maar ik was niet zo’n lezer. Hoewel ik laatst een boek in een ruk uitgelezen heb, geen roman, maar een waargebeurde geschiedenis: Les fantômes du roi Leopold. Wat die man allemaal in Afrika uitgespookt heeft, heb ik nooit geleerd op school. Nochtans maakt het evenzeer deel uit van onze Belgische geschiedenis.”

Belg zijn, wat betekent dat voor u?

“Trots zijn op zijn land, op een zekere manier dan toch. De humor van België omarmen en vasthouden. Op het filmfestival in Marrakech hebben wij met Les barons België vertegenwoordigd. Daar was ik fier op. Wij Belgen zijn zo gecompliceerd. Het probleem in de politiek is dat er zoveel machten zijn: de regio, de stad, het gewest, federaal, regionaal... Er zijn zoveel ministers dat niemand er nog wijs uit geraakt. En niemand zal het je uitleggen, maar als je het eenmaal begrijpt, begrijp je het. De complexiteit van België is zijn rijkdom. We zijn altijd verplicht een evenwicht te zoeken op een dunne koord.”

Is uw humor Belgisch?

“Absoluut, ik put uit het vat van de complexiteit, en die vind je zeker in een stad als Brussel. Hier lopen zoveel werelden door elkaar: de Europeanen, de Vlamingen, de Walen, de Maghrebijnen, noem maar op. We leven allemaal vlak bij elkaar. Ik wil die veelzijdigheid niet uit de weg gaan. We zijn misschien wel een land van ontmoetingen. In mijn film heb ik acteurs en technici van verschillende origine willen samenbrengen, allemaal de besten in hun soort: Jan Decleir, de Franse Edouard Baer, de Algerijnse filmster Fellag, de Brusselse acteur Mourade Zeguendi... Dat is de wereld binnenlaten. De buitenlandse acteurs hebben zelfs Brussels leren spreken voor de film. Die kleine woordjes die wij hier gebruiken: à l’aise ou quoi, à l’aise ça va. Dat kenden de Fransen niet.”

Bestaat het gevaar dat u nu een soort missionaris voor Molenbeek wordt? Misschien is er zelfs een Molenbeekse school: ook uw vrienden Taylan Barman en Mourad Boucif maken films. In enkele ervan hebt u meegespeeld als acteur.

“Als we iets gemeen hebben, is het onze interesse voor de straat. Ik heb nooit nagedacht over een missie in mijn film. De film is gemaakt om een geschiedenis te vertellen, een verhaal van de straat. Wat gebeurt er echt in een mensenleven, ver van alle opiniepagina’s? Als mensen het beschouwen als een geëngageerde film, is dat oké. Mijn engagement zit vooral in het feit dat ik hem heb willen schrijven. Ik wilde niet zomaar mijn leven vastleggen. Ik wilde een echte film maken, met professionele trots, bewijzen dat zoiets mits veel moeite kan. We maken echte cinema. Dat is al een eerste stap in de weigering in een slachtofferrol te blijven stappen.“Als we als gelijke erkend willen worden, als we willen gewaardeerd worden als Belgen, moeten we ophouden met klagen en stappen zetten. Iets doen. Iets maken. De slachtofferrol is veel te vaak een vals voorwendsel geweest om niets te doen. Om in ‘ons’ hoekje te blijven zitten.“Dat men ons in het hoekje ‘migrantencinema’ duwt, is al even ridicuul. Wat ik wil maken is Belgische cinema, die gaat van de gebroeders Dardenne over Felix van Groeninghe tot Barman. Ik accepteer de term ‘nieuwe Belgische cinema’, maar niet ‘migrantenfilm’. Dat zou immers betekenen dat ik altijd over die thema’s zou moeten blijven spreken. En dat doe ik niet. De film met Jan Decleir zal een film zijn over de relatie tussen een vader en een zoon.”

Een vader moet zijn zoon met één hand naar zich toetrekken en met de andere hand van zich afduwen, zegt een gezegde. In Les barons geeft Hassan een duw aan zijn vader. Is dat u ook overkomen?

“Nee, maar het is wel een essentiële scène in de film. Het is een gebaar dat taboe is, want een zoon hoort respect te hebben voor zijn vader. Op het moment dat Hassan zijn vader een por geeft, ziet hij de blik van zijn vader. Daardoor verandert hij. Wat hij op dat moment in de ogen van zijn vader leest, is een slag in zijn gezicht. Het komt veel harder aan dan alle meppen die hij ooit van zijn vader gekregen heeft. Wat me interesseert, is niet wat daar gebeurt maar wel wat de gevolgen ervan zijn. Hassan wordt volwassen na die gebeurtenis. Hij heeft een daad van rebellie gesteld, een daad waarmee hij zei: ‘Ik besta, ik ben ook een man’.”

Hoe hebt u gerebelleerd?

“Ik heb een heleboel stommiteiten uitgehaald. Ik rebelleerde bijna iedere twee seconden. Mijn opstand bestond erin me te verweren tegen de angst van mijn vader dat ik kunstenaar zou worden. Ik heb gezegd: ‘Nu ga ik doen waar ik zin in heb. Ik ga kunst maken’. Dat was ongehoord. Ik wilde luider roepen dan mijn vader. Het is een film geworden. Maar ik zal pas echt kunnen zeggen: ‘Kijk vader, ik werk in de kunstwereld’, als ik mijn tweede film gemaakt heb.”

Kunstenaar zijn, wat is dat voor u?

“Men wordt geen kunstenaar, men ís het. Kunst beleven en bedrijven staat gelijk aan expressie, aan persoonlijke verrijking, zelfontplooiing. Iedereen, zelfs de grootste smeerlap, heeft een artiestenziel. Men moet die gewoon ontwikkelen. Dat is mijn grootste kritiek op wat buurtwerking en jeugdhuizen hier in Brussel te lang gedaan hebben. Men wilde de migrantenjongeren van de straat houden. Men bood dingen aan als Walibibezoek, pingpong en zaalvoetbal. Maar ze zouden de jongeren ook kunst moeten voorstellen, naar voorstellingen in de KVS gaan, naar filmzalen trekken, naar musea. Men is te lang blijven steken in ‘ontspannende vrijetijdsbesteding’. Je mag ze ook iets leren, iets nieuws bijbrengen waar ze zelf niet toe komen, iets wat verder gaat dan ‘een bezigheid’. Ik wil niet dat ze zich bezighouden, maar dat ze onderlegd worden in iets.“Ik heb op een bepaald moment beseft dat ik veel dingen te zeggen had. De beste manier om zich te laten horen is iets op een doordachte wijze te vertellen. Dat is geen weerwraak, het is plezier hebben in de kennis van de kracht van het woord.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234