Vrijdag 14/05/2021

'Rechtschapenheid is ons vreemd geworden'

Michel Krielaars / Foto Barry LewisAfkomst, genot en machteloosheid volgens Michael Ignatieff

'Wij zijn niet ons verleden. Het ontdekken van onze roots zorgt er hoogstens voor dat we ons wat minder eenzaam voelen. De rest is zelfbedrog.' De Canadese historicus, schrijver en televisiemaker Michael Ignatieff is een kosmopoliet en een intellectuele duizendpoot, een man die het goede nastreeft en tegelijkertijd weet dat hij de wereld niet beter kan maken. Een gesprek over het genoegen van het denken, het narcisme van de kleine verschillen en de gewone dingen die hun gang gaan.

De acht grote ramen van de woonkamer kijken uit op het decor van een postmoderne film. Oude fabrieksgebouwen staan als bakstenen wachters in het gelid in wat eens een drukke straat was. Alleen het helse kabaal uit een bouwput verraadt dat ook dit onontdekte hoekje van de Londense City binnenkort zal veranderen in een yuppiewijk.

De Canadese schrijver, televisiemaker en historicus Michael Ignatieff voelt zich in deze woestenij op een steenworp afstand van Liverpool Street Station als een vis in het water. "Ik hoor weliswaar niet helemaal thuis in Londen, maar dat vind ik juist prettig," zegt hij. "Bovendien heb ik weinig contact met Britten. Min vrienden komen bijna allemaal uit het buitenland. Maar omdat ik de taal spreek ben ik een echte outsider as insider en dat houdt me alert. Als ik in Canada was gebleven, zou ik nu een rustige baan hebben als hoogleraar en niet kunnen doen wat ik doe.

"Hier woon ik tegenover het echte centrum van de wereld: het business services-gebouw van de Financial Times. Het is dag en nacht geopend. Want als Wall Street sluit, gaat de beurs van Tokio open. Het is bijna een symbool van de globalisering."

Het zijn geen vreemde woorden voor de zoon van een Russische balling en een Engelse moeder. Ignatieff studeerde in Harvard, werkte aan universiteiten in Toronto, Cambridge en Parijs, maakte televisiedocumentaires voor de BBC en Channel Four en reisde over de hele wereld. Ook is hij getrouwd met een Hongaarse vrouw. Ooit zei hij van zichzelf dat als iemand zich een kosmopoliet mocht noemen, hij het was: "Ik zou willen dat meer mensen begrepen dat een verblijf in het buitenland geen verbanning is, maar eerder een 'thuis' voor hen die zelf willen bepalen waar ze wonen."

Michael Ignatieff is een imponerende, charmante man. Tegelijkertijd klinkt zijn stem onzeker en vol twijfel. Hij doet misschien nog wel het meest denken aan Konstantin Levin, een van de hoofdpersonen uit Tolstojs Anna Karenina. Net als Levin is hij een melancholicus, een tobber die goed wil doen en tegelijkertijd weet dat zijn inspanningen de wereld niet beter zullen maken.

Zijn werkdag is die van een intellectuele duizendpoot. Op dit moment bereidt hij een zomercursus voor aan de universiteit van Toronto en schrijft het scenario voor een paar televisieseries. Ook legt hij de laatste hand aan de biografie van Isaiah Berlin. De in Londen wonende filosoof van Russisch-joodse afkomst, die vorig jaar overleed, was jarenlang zijn grote voorbeeld, niet in de laatste plaats omdat Berlin net als hij de rol van kritische buitenstaander vertolkte in de rigide wereld van het Britse establishment.

"Isaiah Berlin heeft me geleerd van het leven te genieten. Hij ontleende zo'n plezier aan het denken op zich. Hij was een soort profeet zonder de pompeuze, zelfingenomen houding die daar zo vaak mee gepaard gaat. De negentiende-eeuwse Russische schrijvers Aleksandr Herzen en Lev Tolstoj hebben hem gevormd. Van hen heeft hij geleerd dat het leven van een intellectueel verplichtingen met zich meebrengt: hij moet schrijven, denken, spreken, leiding geven, en vooral niet zelfingenomen zijn. Berlins werk is een grote inspiratie voor me, maar het is geen gids die me kan vertellen hoe de wereld er over vijfentwintig jaar uitziet."

Gehoorzaam aan het adagium van Berlin schrijft Ignatieff voor bijna alle belangrijke Engelstalige kranten en reist hij de westerse wereld af om deel te nemen aan tal van forumdiscussies. Een van de geestelijke havens die hij daarvoor trouw bezoekt is de universiteit van Tilburg, waar hij op een jaarlijkse conferentie, georganiseerd door het cultuurfilosofische Nexusinstituut, debatteert met leidende intellectuelen uit de hele wereld.

"De Nexusconferentie is een serieuze poging om over de wezenlijke zaken des levens te praten en op die manier greep te krijgen op de moderne tijd. Interessant daarbij is dat je om ons huidige bestaan te kunnen begrijpen het meest hebt aan iemand die het Oude Testament kent. Aan de hand van de metafoor van het gouden kalf bijvoorbeeld kun je veel van de dingen die om ons heen gebeuren heel goed verklaren. Hetzelfde geldt voor het verhaal van Kaïn en Abel als je inzicht wilt krijgen in etnische conflicten."

Ignatieffs internationale bestaan heeft zijn denken in alle opzichten bepaald. Het is de filosofie van het menselijk tekort, die zowel in zijn maatschappelijke leven als in zijn persoonlijke bestaan een belangrijke rol speelt. Zo beschrijft hij in zijn autobiografische roman Scar Tissue de machteloosheid die hij voelde toen zijn moeder de ziekte van Alzheimer kreeg. Het was voor hem het moment van de grote ommekeer. Hij had altijd gedacht dat zijn ouders op een gelukkige manier samen oud zouden worden. Het kwam niet in hem op dat zijn moeder zelfs haar kleinkinderen niet meer zou herkennen. De laatste tien jaar van haar leven was ze heel erg ziek. Zijn vader moest als een slaaf voor haar zorgen.

"Ze kwijnde weg voor zijn ogen. Het was een verschrikkelijke ervaring, zowel voor hem als voor mij. Uiteindelijk overleed hij eerder dan zij. Na hun dood ben ik me veel meer bewust geworden van mijn eigen bestaan. In het vervolg wilde ik niets meer zomaar doen en niet in een illusie leven. Het is een soort loutering geweest, alsof ik door de dood van mijn ouders tegen het echte leven werd beschermd.

"Die dingen die met mijn moeder gebeurden, waren zo beangstigend en pijnlijk voor me dat ik er alleen maar in de vorm van een roman over kon schrijven. De verleiding was heel groot om mijn moeder als een plant te behandelen. Een dement persoon die gromt als een hond, incontinent is en je niet herkent, heeft iets heel bedreigends en beangstigends.

"Vaak heb ik gedacht: tot hier en niet verder. Ik heb die aandrang tijdens al die jaren van haar ziekte gevoeld, maar gelukkig ben ik er niet voor gezwicht. Ik heb grenzen moeten overschrijden en besloten om tot aan haar dood voor haar te zorgen. Tot op het allerlaatste heb ik respect gehad en daardoor heb ik mezelf pas echt leren kennen.

"Toen mijn ouders stierven besefte ik ook hoezeer ik hun zoon was. Alsof ik geen afstand meer tot hen in acht hoefde te nemen. Onlangs zei een Canadese vriend tegen me dat ik in een bepaald gebaar sprekend op mijn moeder leek. Voor het eerst vond ik het prettig om zoiets te horen.

"Door de dood van mijn ouders werd mijn leven niet meer zo belangrijk voor me. Ik kon me ineens verzoenen met het feit dat het bestaan eindig is. Tussen mijn dertigste en mijn veertigste meende ik dat ik al die boeken moest schrijven en televisieprogramma's moest maken voordat het te laat was.

Vervolg op de volgende paginaVervolg van de vorige pagina

Nu doet het er niet meer toe en geniet ik van het fysieke genoegen dat het schrijven biedt. Als mijn boeken iemand raken is het meegenomen, maar als dat niet gebeurt is het ook niet erg. Het gaat om het plezier dat ik eraan beleef, verder nergens om. Dat is het voordeel van ouder worden. Het zijn de gewone dingen die er echt toe doen, niet de hoogdravende theorieën die sommige intellectuelen verzinnen over de zin van het leven.

"Mijn gevoel van machteloosheid is typerend voor mijn gehele generatie. Ik geloofde in de maakbaarheid van het leven. Op mijn eenentwintigste dacht ik dat er voor alles een oplossing bestond, dat alles wat kapot was hersteld kon worden. De wetenschap maakte een revolutionaire ontwikkeling door. Alles leek te kunnen. Pas achteraf werd me duidelijk hoe we de wetenschap ten onrechte hebben verafgood. Op mijn vijfenveertigste ontdekte ik dat er dingen in mijn leven waren waarop ik geen enkele invloed kon uitoefenen. Bepaalde dingen kun je nu eenmaal niet tegenhouden, die gaan geheel hun eigen gang."

Afkomst en machteloosheid staan ook centraal in Ignatieffs nieuwste boek, The Warrior's Honor, een bundel essays over zijn reizen door desintegrerende staten als Rwanda, Afghanistan en het voormalige Joegoslavië, in het kielzog van de hoeders van de vrede, de Verenigde Naties en het Internationale Rode Kruis. Ignatieff ging er op zoek naar een verklaring voor het geweld en de etnische intolerantie, waarover hij al eerder had geschreven. Zijn conclusie is bitter: het mededogen van het 'beschaafde' Westen met onze bedreigde soortgenoten elders in de wereld gaat vaak niet verder dan het televisiescherm en de collectebus.

"De gedachte dat de mens de maat is van alle dingen beangstigt me. We hechten belang aan de opvatting dat mensen heilig zijn, dat het individu het belangrijkste is dat er bestaat, maar we doen dat alleen maar omdat rechtschapenheid ons vreemd is geworden. We verafgoden zaken als de mensenrechten, maar als het erop aankomt blijft het bij grote woorden die geen enkele betekenis hebben. Die houding is bepaald door een schuldgevoel over onze laffe houding tijdens de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. We schamen ons nu nog voor onze machteloosheid van toen. En dat bepaalt ons denken tot op de dag van vandaag. Zoiets mag nooit weer gebeuren, zeggen we. Maar als het dan toch gebeurt, doen we niets, net als toen."

Je zou verwachten dat hij, als een echte kosmopolitische intellectueel, zijn boek uit een onstuitbare drang naar gerechtigheid had geschreven. Maar niets is minder waar. "Het zijn vaak anderen die mij op bepaalde dingen wijzen. Zelf ben ik helemaal niet zo origineel. Pas nadat iemand mij op het nieuwe etnisch nationalisme van na de Koude Oorlog had gewezen, ben ik me erin gaan verdiepen. Zo zijn de BBC-televisieserie Blood and Belonging en het gelijknamige boek ontstaan. "Ik moet beelden hebben om ergens over te kunnen nadenken. Ik word erg ongeduldig als de dingen abstract zijn. Daarom is reizen zo belangrijk voor me. Voor de BBC ben ik in de gevaarlijkste gebieden geweest. Maar de televisiecamera heeft me altijd fysiek beschermd, als een soort symbool dat zegt: hier is een journalist, schiet niet op hem."

Als kind bracht Ignatieff twee jaar door in het Joegoslavië van Tito, waar zijn vader ambassadeur van Canada was. Het was voor hem een tijd vol harmonie, waarin Serviërs, Kroaten en Moslims vreedzaam als Joegoslaven naast en met elkaar leefden. Ignatieff had dan ook nooit gedacht dat juist in dat idyllische Joegoslavië etnische zuiveringen konden plaatsvinden. Achteraf bezien kijkt hij er toch niet vreemd van op. "Toen ik tien jaar oud was, zei een Servische jongen op de groentemarkt in Belgrado tegen me dat de paupers die er rondliepen 'smerige' Albanezen uit Kosovo waren. Ze zagen er anders uit, althans dat maakte die Servische jongen me wijs. Maar als ik nu de vluchtelingen uit Kosovo op de televisie zie, kan ik hen niet onderscheiden van Kroaten en Serviërs.

"Serviërs en Kroaten hebben na de dood van Tito van het ene moment op het andere een blinde verering ontwikkeld voor hun afkomst. Ze hadden geen enkel oog meer voor de realiteit en belandden in een ernstige identiteitscrisis. De veilige staat waarin zij leefden was ineens verdwenen en ze wisten niet meer wie hen in het vervolg zou beschermen. In paniek grepen ze terug op hun directe omgeving, hun familie, waardoor een primitief stamverband ontstond. Alleen het simpele credo 'ik ben wat ik níét ben' telde in het vervolg. Het is wat Freud het narcisme van de kleine verschillen noemt: iemand die er een beetje anders uitziet of een afwijkende naam heeft is al verdacht. Ik ben het dan ook absoluut niet eens met cultuurfilosofen als Samuel Huntington die het conflict op de Balkan zien als een botsing tussen de Oosters-orthodoxe, de katholieke en de islamitische beschaving."

Al in Russian Album (1987), de geschiedenis van zijn adellijke grootouders in tsaristisch Rusland, beschrijft Ignatieff zijn afkeer van mensen die hun roots als de essentie van hun leven beschouwen: "Je kunt je temperament of de lijn van je jukbeenderen van je voorouders erven, maar niet jezelf. Je persoonlijkheid moet je met eigen handen maken, hier en nu, alleen of met behulp van anderen."

Elf jaar later is zijn opvatting nog bijna onveranderd. "Toen al probeerde ik me te verzetten tegen de blinde verering die mensen kunnen hebben voor hun afkomst. Alsof ze op die manier hun leven zin willen geven, en ze hun plaats in de wereld ontlenen aan een sterke kracht uit het verleden. Het is de grootste onzin die je maar kunt bedenken. Wij zijn niet ons verleden. Het ontdekken van onze roots zorgt er hoogstens voor dat we ons wat minder eenzaam voelen. De rest is allemaal zelfbedrog."

De opleving van het etnisch nationalisme was de belangrijkste oorzaak van de burgeroorlog in Joegoslavië. Het is iets wat niemand had verwacht. Maar volgens Ignatieff was veel ellende te voorkomen geweest als het Westen het conflict niet had laten escaleren, door zijn ogen te sluiten toen Joegoslavië uiteenviel.

"Het Westen is weggelopen voor de problemen. Voor het eerst sinds 1945 hebben we onze mooie woorden en beloften niet waargemaakt. We begrepen gewoon niet wat etnisch nationalisme werkelijk inhield. We hadden het maar over Kroaten, Serviërs en Moslims alsof ze echt bestonden, terwijl het ging om honderdduizenden individuen die heen en weer werden geslingerd in hun loyaliteit. Pas toen het onheil niet meer was af te wenden zijn de meeste Serviërs bezweken onder de druk van militante figuren als Milosevic en hebben ze hun tolerante 'andere ik', de 'Joegoslaaf' van Tito, uitgebannen. Etnische afkomst werd daardoor op de Balkan een fetisj die in werkelijkheid helemaal niets voorstelde. En het Westen had het allemaal kunnen voorkomen, als het maar niet zo laf en arrogant was geweest.

"Aanvankelijk dachten de meeste inwoners van voormalig Joegoslavië nog dat het Westen hen wel zou komen redden. Vergeet niet dat de volken op de Balkan eeuwenlang door vreemde heersers waren bezet. Als er problemen waren, dan werden die opgelost door de Habsburgse keizer of de Ottomaanse sultan. Het Westen heeft zelf ook geloofd dat het die rol kon spelen. Iemand als Europees commissaris Hans van den Broek dacht serieus dat een openlijke veroordeling van het geweld voldoende was om het te laten stoppen. Het wilde maar niet tot hem doordringen dat de enigen die echte macht hadden op de Balkan, de mensen met geweren waren."

Tijdens een rondreis door Oost-Kroatië in 1993 belandde Ignatieff bij een commandopost van de Servische militie. Toen hij aan een van de militieleden vroeg waarin Serviërs nu zo verschilden van Kroaten, kreeg hij te horen dat Serviërs Servische sigaretten rookten en Kroaten Kroatische. "De Balkan-volken denken allemaal dat hun buren minder en achterlijker zijn dan zij. De Slovenen beschouwen zichzelf als westerser dan de Kroaten. In de ogen van de Kroaten en Slovenen tellen de Serviërs helemaal niet mee. Daarom reageren De Serviërs ook hun frustraties af op de Albanezen, die zij als primitieve moslims afschilderen. Alleen zo kunnen ze hun imago van westers land instandhouden."

Het Westen heeft volgens Ignatieff weinig geleerd van zijn fouten. Hij ziet dan ook geen spoedige oplossing voor de crisis in Kosovo. De problemen zijn er anders dan in Bosnië, omdat Kosovo deel uitmaakt van Joegoslavië. "Vergeet niet dat er al eeuwenlang een minderheid van Serviërs in Kosovo woont, die ook rechten heeft. Als je hun bestaan wegcijfert en de onafhankelijkheid van Kosovo erkent, breekt er pas echt een bloedige oorlog uit.

"Eigenlijk is het een onoplosbaar probleem. Milosevic had in 1989 nooit de autonomie van Kosovo moeten afschaffen. Nu heeft hij te maken met een afscheidingsoorlog in wat de Serviërs beschouwen als hun eigen land. De Albanezen in Kosovo zullen na alles wat er de afgelopen maanden is gebeurd, geen genoegen meer nemen met het herstel van hun vroegere autonomie. Het enige wat het Westen nog kan doen is het huidige probleem internationaliseren en het niet aan Milosevic of Rugova, de leider van de gematigde Kosovaren, overlaten. Het Westen moet ervoor zorgen dat ze de komende vier of vijf jaar met elkaar praten. Alleen zo kunnen we voorkomen dat de zaak explodeert. Tegelijkertijd zou de Navo een minimum aan troepen aan de grens met Albanië moeten stationeren om Milosevic duidelijk te maken dat hij geen etnische zuiveringen kan uitvoeren. Op die manier kunnen we ons over zo'n tien jaar misschien committeren aan een onafhankelijk Kosovo, al dan niet in federatie met Joegoslavië.

"Het is van cruciaal belang dat de volken op de Balkan na vijftig jaar communisme beginnen te leren dat alleen zij zelf hun problemen kunnen oplossen. Tot die tijd moet het Westen een internationaal cordon sanitaire oprichten tussen alle strijdende partijen en het geweld proberen in te dammen. We mogen niet toestaan dat mensen elkaar ongestraft afslachten."

Het zijn de bewogen woorden van een geëngageerde intellectueel, die een bijna neurotische behoefte heeft om alles wat hij op zijn weg tegenkomt van een filosofisch kader te voorzien. Alleen op die manier lijkt hij zijn twijfels te kunnen overwinnen om greep op het leven te krijgen, ook al weet hij hoe weinig het allemaal uitmaakt.

"Naar mensen zoals ik wordt door beleidsmakers niet meer geluisterd. Geëngageerde intellectuelen spelen nog maar een zeer kleine rol in de maatschappij. Maar het is geen ramp, zolang geleerden elkaar blijven opzoeken om ideeën uit te wisselen." Het beste bewijs van Ignatieffs bewondering voor de menselijke geest hangt aan de muur in zijn woonkamer. Het is een uitvergroot, ingelijst gedicht van een andere balling met een Russische achtergrond, Joseph Brodsky, dat begint met de zin: 'Het stof zal neerdalen op objecten in de zomer als de sneeuw van de winter'. Het tekent de melancholie van de Londense Konstantin Levin.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234