Zaterdag 30/05/2020

Radiohead

Kid A heeft een broertje

Kort na het verschijnen van Kid A, de plaat waarop Radiohead de gitaren ruilde voor beats en abstracte elektronika, volgde het nieuws dat de opvolger weer een stuk toegankelijker zou zijn en dichter zou aanleunen bij het groepsgeluid van weleer. Dat blijkt niet helemaal te kloppen: alle tracks die nu op Amnesiac staan, kwamen tot stand tijdens de sessies die ook Kid A opleverden en waarin de groep, tegen een achtergrond van artistieke wrijvingen, depressies en writers' blocks, moeizaam probeerde haar toekomst te hertekenen. Je zou de nieuwe langspeler van Oxford's finest dus net zo goed Kid B kunnen noemen. De achterkant van de medaille, zeg maar. En die blijkt niet eens zo drastisch te verschillen van de voorkant. Ook nu wordt de melodie nog vaak verdrongen door het ritme, blijft Thom Yorke zijn stem vervormen tot ze zo goed als onherkenbaar wordt, staat het klankbeeld in het teken van bizarre geluiden en samples en zijn de teksten zo fragmentarisch dat er geen touw aan vast te knopen valt.

Het openingsnummer van Amnesiac, 'Packt Like Sardines in a Crushd Tin Box', drijft vooral op vreemdsoortige beats en metaalpercussie. De titel suggereert claustrofobie en met regels als "After years of waiting / Nothing came" brengt Radiohead niet bepaald het zonnetje in huis. Het gruizige, industriële 'Pull/Pulk Revolving Doors' klinkt nog donkerder en schichtiger, alsof het werd opgenomen in een werkplaats voor robotten. Het desolate 'Morning Bell' ("Cut the kids in half") was al te horen op Kid A, maar heeft inmiddels een sneller tempo en een iets warmere aankleding gekregen, terwijl 'Like Spinning Plates' werd opgenomen over een andere, achterstevoren afgespeelde Radiohead-track, die hevig contrasteert met Yorkes ingetogen zanglijn. Geen doordeweeks radiovoer dus. En dat geldt ook voor het ijl geproducete 'Dollars & Cents' (strijkers, in dub gedrenkte ritmesectie, krassend gitaartje) of voor 'Life in A Glasshouse', dat door het kwintet van jazztrompettist Humphrey Littleton van een rokerige New Orleans-vibe wordt voorzien. De sterkste nummers zijn echter het sobere 'You and Whose Army', met Colin Greenwood op contrabas, rare koorzangen en een sfeer die ondergetekende aan Billie Holidays 'Strange Fruit' doet denken; het op een Dr Feelgood-riff geplante 'I Might Be Wrong'; de intrigerende pianoballad 'Pyramid Song', die in oriëntaalse tonaliteiten is gevat, en de enige echt afgeronde song uit de plaat, het fantastische 'Knives Out', gebouwd op een gitaarmotiefje dat zelfs Johnny Marr niet zou kunnen verbeteren. Amnesiac is alweer een avontuurlijke Radiohead-plaat, waarop je pas na een tiental beluisteringen vat krijgt. Niets voor gemakzuchtige luisteraars dus. Maar wie er zijn tijd voor wil nemen, gaat een bijzondere ontdekkingreis tegemoet.

Radiohead, Amnesiac, Parlophone/EMI

Mark Eitzel

Spel met contrasten

Sinds zijn dagen als voorzitter van American Music Club geldt Mark Eitzel als een van de beste songwriters van zijn tijd. Al vijftien jaar wordt hij bewierookt door de critici en genegeerd door het grote publiek: je zou van minder verbitterd raken. Tijdens zijn recentste concerten in ons land maakte Eitzel een losgeslagen indruk. Hij verloor zich afwisselend in pathetiek en zelfspot, en sinds zijn muze en hartsvriendin Kathleen Burns eind 1998 aan de gevolgen van een overdosis overleed, kwam hij helemaal in een neerwaartse spiraal terecht. Het kostte hem drie jaar om zijn evenwicht terug te vinden, maar The Invisible Man, zijn vijfde soloplaat (als we het gelimiteerde Lovers' Leap USA niet meerekenen) behoort tot het beste wat hij sinds de split van zijn band heeft afgescheiden.

Stilistisch gooit de zanger het dit keer over een andere boeg: hij nam de songs op in zijn woonkamer, thuis in San Francisco, met behulp van een sampler en een Pro-Tools-computerprogramma, en bedient zich volop van geprogrammeerde beats, loops en elektronische instrumentaties. Eitzel heeft vrijwel alles zelf ingespeeld, maar hier en daar krijgt hij assistentie van een toetsenspeelster en zijn vroegere AMC-collega Vudi, die met zijn steelgitaar ambient-sferen aandraagt. Toch is Mark Eitzel zijn eigen idioom trouw gebleven: zijn teksten, over carnaval, seks, bedrog, verlies en dood, zijn trefzeker en beeldrijk; zijn croonende stem klinkt warm en intiem, en de melodieën behoren tot de mooiste die hij tot op heden heeft uitgebracht.

'Can You See?' bestrijkt het niemandsland tussen The Carpenters en eels, in 'Shine' weerklinkt vaag de erfenis van Motown en 'Seeing Eye Dog' kruist folkrock met triphop. In 'Steve I Always Knew' out Eitzel zich als biseksueel en in trieste maar prachtige nummers als 'Anything' en 'Without You' voel je de leegte die de dood van zijn geliefde in zijn leven heeft achtergelaten. The Invisible Man is afwisselend somber en vrolijk, ernstig en hilarisch: een plaat van contrasten die elkaar voortdurend versterken. Of ze een eind zal maken aan Mark Eitzels status van miskend genie, valt te betwijfelen. Maar de man is tenminste weer onder de levenden.

Mark Eitzel, The Invisible Man, Matador/Konkurrent.

Air

Gebakken lucht?

Sinds het succes van hun retrofuturistische cd-debuut Moon Safari hebben Nicolas Godin en Jean-Benoît Dunckel hun studio verhuisd van het landelijke Versailles naar het iets minder rustige Parijs. Die verandering van omgeving heeft ook invloed gehad op hun muziek, die op 10,000 Hz. Legend wat stedelijker en vooral weerbarstiger is gaan klinken. Na hun soundtrack voor Sofia Coppola's The Virgin Suicides zijn de geluidslandschappen van Air er gelaagder, complexer en elektronischer op geworden. Zelf omschrijven de twee Galliërs hun nieuwe plaat als een "liefdesbrief aan hun machines". De warme, organische klanken van hun eerste langspeler worden dan ook iets vaker verdrongen door digitale beats en synthgrooves, zoals in het aan Kraftwerk en The Exorcist refererende 'Electronic Performers'.

Het referentiekader van Air omvat nog altijd de filmmuziek van John Barry, de sixtiespop van Burt Bacharach, de progrock uit de jaren zeventig (de foeilelijke hoes van 10,000 Hz. Legend doet denken aan het verschrikkelijkste van Yes) en de minimalistische synthexperimenten uit de jaren tachtig, maar Godin en Dunckel schrijven niet langer songs in de gebruikelijke zin van het woord. Dezer dagen maken ze minisymfonieën, zoals 'Radian', die stilistisch van de hak op de tak springen en zowel prachtige als oeverloos saaie passages kennen. Op de gastenlijst treffen we dit keer Beck, die zijn stem, gitaar en harmonica leent aan het vrij rechtlijnige maar geslaagde 'The Vagabond', en twee leden van Buffalo Daughter in het dromerige maar ook een beetje kabbelende 'Sex Burn Poison'.

Dat Air een catchy popsong kan bedenken, blijkt andermaal uit 'People in the City' en het even sensuele als introspectieve 'Lucky & Unhappy'. Net zo vaak helpen Godin en Dunckel echter potentiële prachtdeunen om zeep met misplaatste grapjes, zoals 'Radio #1', waarin naar het einde toe een meezingende radio-dj opduikt, of 'How Do You Make It Feel?', dat over een ontwapenend refrein beschikt, maar verder niets om het lijf heeft. En 'Wonder Milky Bitch' is het soort blowjob-fantasie dat je veeleer met gangsta rappers dan met twee beschaafde Beach Boys-acolieten zou associëren. Opvallend is wel dat 'bitch' als 'beach' wordt uitgesproken: Good Vibrations all over.

De orkestraties, waarin akoestische en elektronische klanken haast onmerkbaar samenvloeien, zijn af en toe nog steeds adembenemend. Toch heeft Air iets van zijn oorspronkelijke frisheid verloren. Het duo wil gewoon te veel bewijzen en heeft er zijn gevoel voor proportie bij ingeschoten. 10,000 Hz. Legend lijkt op een Europese rondreis voor Japanse toeristen: ze zijn overal geweest, maar hebben niets gezien. Als Air geen gebakken lucht wil worden, dringt een spoedige herbronning zich op.

Air, 10,000 Hz. Legend, Source/Virgin

Tool

Roestvrij staal

Er zijn niet veel groepen in het metalwezen die het genre nog doen evolueren, maar Tool is een zeldzame uitzondering. Je zou de vier heren uit Hollywood de enige rechtmatige erfgenamen van Black Sabbath kunnen noemen, was het niet dat ze met platen als Opiate, Undertow en Aenima al uitgebreid hadden bewezen over een geheel eigen smoelwerk te beschikken. Tool is veelzijdig en uitdagend, bewijst voortdurend dat het tot een subtiele en genuanceerde benadering in staat is en ontsnapt met verve aan de kortzichtigheid die zoveel van zijn decibelminnende collega's kenmerkt. Allerlei zakelijke perikelen hielden de band de jongste jaren uit de media, een periode die zanger Maynard James Keenan wist te overbruggen door met een vriend het gelegenheidsproject A perfect Circle op poten te zetten. Maar met het bijna tachtig minuten durende Lateralus is Tool weer helemaal terug. En hoe. De plaat bevat dertien intimiderende, want moeilijk te bevatten nummers die op een weinig voor de hand liggende manier gestructureerd zijn, een hoogst dynamische opbouw kennen en onderhevig zijn aan bruuske tempowisselingen. Tool koppelt kracht aan virtuositeit, speelt met de spanning tussen licht en donker, stapelt de ene complexe gitaarpartij op de andere en heeft met Keenan een frontman in huis die niet alleen kan schreeuwen, zoals in 'Ticks & Leeches', maar ook melodieus en beheerst uit de hoek kan komen. Luister maar eens naar 'The Patient' of het ook als single verkrijgbare 'Schism'. De oriëntaalse invloeden maken van 'Reflection' een ander hoogtepunt. Alleen jammer dat de groep, vooral tekstueel, soms in pseudo-occult gebazel vervalt.

Tool, Lateralus, Volcano/Zomba

Stereo MC's

Britfunk op retroactief

Een decennium of wat geleden werden de uit Brixton afkomstige Stereo MC's nog als danspioniers beschouwd. Maar na de hit 'Connected' en een stadiontournee met U2 werd van de groep nauwelijks meer iets vernomen. Kernleden Rob Birch en Nick Hallam bouwden een eigen studio, begonnen het Gee Street-label, richtten muziekuitgeverij Spirit Songs op, die Jurassic 5 en Finley Quaye een duwtje in de rug gaf, en verhuurden zich als remixers aan andere artiesten, onder wie Madonna. Na ruim acht jaar stilte keren de Stereo MC's nu terug met Deep Down & Dirty en ondanks de lange hiaat tussen hun derde en vierde cd is er weinig veranderd. Behalve de context dan, want de wereld heeft intussen natuurlijk niet stilgestaan.

Anno 2001 heeft de ongewassen Britfunk met house-, hiphop- en psychedelische popinvloeden van de groep iets anachronistisch, al kun je haar met wat goede wil nog altijd als een wegbereider beschouwen voor een populaire UK garage-artiest als MJ Cole en klinkt de muziek af en toe best aanstekelijk. 'Deep Down & Dirty', het door een wakkere piano aangedreven 'Sofisticated', het met strijkers en blazers aangezette 'Unconscious' of het onder een onstuitbare woordenvloed bedolven 'The Right Effect' hebben voldoende stuiterende grooves in petto om de nostalgen onder u even naar de plaatselijke danshonk te lokken. Of het jonge volkje dat tegenwoordig Faithless, Orbital of Daft Punk omarmt er ook een boodschap aan zal hebben, is echter zeer de vraag. Deep Down & Dirty klinkt als Frankie Goes to Hollywood, maar dan zonder de bombast. Of als The Happy Mondays, maar op minder drugs. Als dat uw kopje thee is, mag u nu inschenken.

Stereo MC's, Deep Down & Dirty, Island/Universal

Dirk Steenhaut

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234