Dinsdag 12/11/2019

Radicaal in het bloot-zijn

Leonard Nolens is 65 geworden. We vroegen aan vier jonge dichters de kaarsjes aan te steken. Wat denken zij over Nolens' schrijverschap, hoe belangrijk achten ze zijn werk?

LIES VAN GASSE 1983

'Schrijven op leven en dood'

"Leonard Nolens is een van de eerste dichters die ik als tiener las. Mijn ouders hebben hem me aangereikt. Beiden zijn ze leraar Nederlands in het hoger middelbaar.

Het merkwaardige is dat ik als tiener niet alleen onder de indruk was van de poëzie van Nolens, maar dat ik me ook door zijn dagboeken liet meeslepen. Nu vind ik dat merkwaardig, omdat de dagboeken zo zwaar zijn; de pijn van het zijn is op bijna elke bladzijde voelbaar. Maar ik las dat graag. De weltschmerz beantwoordde aan een gevoel dat ik ook als puber had. Ik hield van de romanticus in Nolens, de dichter die schrijft op leven en dood, de kunstenaar die gebukt gaat onder zijn roeping, een roeping - de literatuur als allerhoogste goed - waaraan hij niet kan ontsnappen.

Dat hij het dichten en schrijven als een uiterst ernstige bezigheid beschouwde, was voor mij een openbaring. Je moet aan de dichtkunst je leven aan wijden, en niet zomaar even je tijd - dat begreep ik van hem.

Ik las Nolens meestal in het geheim. Zijn bundels staken tussen mijn schoolboeken. In plaats van wiskunde te studeren las ik zijn gedichten en zijn dagboekaantekeningen.

Ik herinner me nog dat ik echt gepakt werd door bepaalde beelden. In het gedicht 'Schatplichtig' uit de bundel Geboortebewijs staat: "ze ligt er naakt en / wit, als een ademende steen / Waaraan ik heel / mijn bot bestaan geslepen heb". Ik vond dat prachtig. Vind het nog steeds prachtig.

Het werk van Nolens heeft mijn eigen werk zeker beïnvloed. Ik ben hem daar dankbaar voor. Ik vind dat het zelfs gedeeltelijk zijn verdienste is dat ik ben gaan schrijven en dichten. Hij is een van de dichters die me de weg heeft gewezen.

In het begin imiteerde ik zijn aanpak. Ik stelde mezelf centraal in mijn werk. Zoals ook Nolens dat doet. Geleidelijk aan, al zoekende naar mijn eigen uniciteit, ben ik daarvan afgestapt. Ik heb nu gemengde gevoelens over de sterke aanwezigheid van zijn persoon in zijn werk. Ik wil heel betrokken zijn met wat ik doe, en ik vertrek dus nog steeds sterk vanuit mezelf. Maar vervolgens wil ik meer afstand nemen, overgaan naar iets abstracters. Je ontdekt jezelf natuurlijk ook door je te spiegelen aan een ander. Ik ben niet zo ernstig en niet zwaarmoedig als Nolens. Ik houd van humor. Ik geloof dat je luchtigheid in zwaarte kunt brengen en dat je, door je ik-standpunt te verlaten, beter tot diepe introspectie kunt komen.

Ik heb Leonard Nolens nog niet ontmoet. Daarom dat ik nu al uitkijk naar zijn verjaardagsfeest in het Toneelhuis. Ik lees er een gedicht voor dat ik speciaal voor deze gelegenheid heb geschreven. Ik vind dat bijzonder. Dat ik iets schrijf voor de man die mij, zonder dat hij het weet, mede aan het schrijven heeft gezet."

Publicaties: Hetzelfde gedicht steeds weer; Sylvia, graphic poem; Brak de waterdrager; Waterdicht, graphic poem; Hauser, work in progress (te volgen op www.hausersgrens.blogspot.com)

DELPHINE LECOMPTE 1978

'Schaamteloos pathetisch'

"Ik heb Nolens nog nooit ontmoet. Ik denk dat dat maar beter zo blijft. Ik ben nogal dweepziek, wie weet tot wat een puinhoop dat zou leiden.

Een van de vele bewonderenswaardige eigenschappen van Nolens is dat hij erin geslaagd is om tot de verbeelding te spreken, ondanks - of is het dankzij? - het feit dat hij zelden of nooit voordraagt.

Ik draag voor omdat ik graag gehoord en gelezen wil worden. Liefst door zoveel mogelijk mensen. Toch heb ik soms, al voordragend, het gevoel gehad dat ik daar maar een hansworst stond te wezen. Ik merkte dat ik kunstjes aan het opvoeren was. Ik speelde op veilig, koos gedichten waarvan ik wist dat er bij bepaalde passages gegarandeerd gelachen zou worden. Het publiek merkt doorgaans van zo'n situatie niets. Maar ik vond dat stom van mezelf; alsof ik mezelf en mijn werk in naam van enig applaus verloochende. Ik heb het gevoel dat Nolens zichzelf amper verloochent - alweer een karaktertrek van hem die ik admireer.

Nolens weigert aan het mediacircus deel te nemen. Hij zegt neen tegen interviews. Hij draaft niet op voor Jan en alleman. De enige plek - wow! - waar hij zich op en top blootgeeft, is in zijn poëzie. Zijn dagboeken moet ik nog ontdekken.

Hij durft ook schaamteloos pathetisch te zijn. Ik heb dat graag. Hij verontschuldigt zich niet voor zijn gevoelens, of voor zijn weltschmerz, die herkenbaar is. Hij toont zijn zelfmedelijden, confronteert de lezer met zijn zelfdestructieve aard, zijn vernederingen, zijn onaangepast sociaal gedrag, zijn innerlijke gevechten. Veel van wat hij schrijft, is schrijnend. Hoe hij over zichzelf als gekwetst kind schrijft. En over zichzelf als gekwetste vader. Soms is hij zo radicaal in zijn bloot-zijn dat het gênant wordt. En toch troost zijn werk me. En toch krijg ik kippenvel van hem. Hij is de enige Vlaamse dichter die me zo ver krijgt.

Zijn toewijding aan de poëzie? Die wil ik ook. Voor ik Nolens kende ging ik over tot fysiek geweld als iemand me vroeg 'wanneer ik nu eens een echt boek ging schrijven'. Dichterschap wordt blijkbaar niet als een volwaardig schrijverschap beschouwd. Sinds ik Nolens heb gelezen, laat ik deze vraag en zijn steller gewoon aan me voorbijgaan.

Ik heb mezelf Nolens lang ontzegd. Dat komt omdat mijn moeder een grote fan van hem is. Ik dacht: als mijn moeder van hem houdt, kan ik niet van hem houden. Totdat ik op een namiddag, in Den Haag, Nolens bundel Hart tegen hart opensloeg. Ik zat op een hotelkamer. Ik moest pas 's avonds op een podium voordragen. Ik was voor de eerste keer in mijn enorme carrière als dichteres niet vergezeld van mijn partner. De kans op een drama was dus groot. Een normaal mens zou die namiddag de stad zijn gaan ontdekken. Maar ik ben een angsthaas. Ik durfde mijn kamer niet uit. Gelukkig had ik Nolens bij me. Op die kamer ben ik van hem gaan houden, en ik zal van hem blijven houden."

Publicaties: Kittens in the Boiler; De dieren in mij; Verzonnen prooi; Blinde gedichten

MAARTEN INGHELS 1988

'Onheil tussen de woorden'

"Ik kan niet zeggen dat ik als dichter echt door Nolens ben beïnvloed. Hij was belangrijk voor me. Dat zeker. Ik vond zijn werk indrukwekkend en als tiener greep ik naar de grote namen uit ons taalgebied. Die grote namen, dat waren Claus en Nolens. Natuurlijk. In Jotie T'Hooft vond ik mijn gading niet.

Leonard Nolens wordt 65 jaar en ik moet er nog 25 worden. Er gaapt tussen ons dus veertig jaar en die tijdspanne herbergt een wereld van verschil. Ik ben een digi-kind. Ik kijk naar YouTube, ik google, ik maak de snelle taalevolutie mee die voortvloeit uit de nieuwe media. Ik denk dat we een totaal andere inhoud hebben. Hij is traditie. Ik sta aan het begin van het traject. En ik heb me, denk ik, al losgeschud van zijn eventuele invloed, of van die van andere dichters.

Maar het staat vast dat ik het metier van Nolens bewonder, en dat ik me met plezier laat confronteren met zijn werk, waarvan hij zelf meestal het onderwerp is. Als ik zeg, met plezier, bedoel ik niet dat ik vrolijk word van het werk van Nolens. Er schuilt veel onheil tussen, onder en in zijn woorden. Maar ik vind het knap hoe hij erin slaagt om in het lelijke heel mooie dingen te ontdekken; en om voor die dingen dan ook de juiste woorden en de adequate vorm te vinden.

Ik voel me vaak een voyeur als ik zijn werk lees. Ik kijk recht in de navel van de dichter-schrijver, en de dichter-schrijver pluist zijn navel almaar dieper uit, hij graaft verder en verder in zijn ego. Dat ego-gerichte, dat is de kracht waarmee ik Nolens identificeer. Hij ontkleedt zichzelf en zijn omgeving, de vrouw, de zoon, het huis, de kamer, de bus.

Ik heb een gedicht voor hem geschreven, speciaal voor Koningsblauw, een voorstelling van Behoud de Begeerte, een paar jaar geleden. 'Vandaag zat ik op bus 32', luidt de titel. Een paar jaar geleden zat ik toevallig in diezelfde bus als Nolens, voor de rit Berchem-Wilrijk. Daar gaat dat gedicht over.

De avond voor de première van Koningsblauwnam ik deel aan de generale repetitie. Het was donker in de zaal. Ik oefende dus mijn gedicht. En tijdens het oefenen hoorde ik Nolens binnenkomen. Hij zat er. Maar ik kon hem in het donker niet zien. Hij luisterde naar mij. Naar mijn gedicht over onze gezamenlijke busreis waarvan hij het bestaan niet kende. Dat vond ik een onvergetelijke, haast poëtische ervaring. Die tweezaamheid, hij de traditie, naast mij, de debutant."

Publicaties: Waakzaam; Het abattoir van het afscheid; Tumult. www.maarteninghels.be

DAVID TROCH 1977

'Dichten als noeste arbeid'

"Ik heb hier Incantatie, een poëziebundel van Leonard Nolens uit 1977, mijn geboortejaar. De gedichten uit Incantatie zijn dus minimaal vijfendertig jaar oud. Ze zijn zou oud als ik ben. En ik sta versteld van het niveau dat Nolens toen bereikte. Hij was toen dertig. Ongelooflijk. Zijn hele oeuvre - en hij is een dichter met een oeuvre - getuigt van zijn toewijding aan de poëzie. Dichten is noeste arbeid.

Het lijdt geen twijfel dat Nolens in mijn schrijvers-DNA zit. Ik las en lees hem veel. Hij is voor mij een van de grote levende dichters, die ik geregeld tot me neem. Ik bezit zeven afzonderlijke en uitzonderlijke bundels van hem, allemaal bewust gekocht.

Het is voor mij moeilijk om uit te leggen waarin nu precies de invloed van Nolens op mijn werk schuilt. Je kunt op invloed de vinger niet leggen. Het is er. Het stroomt door je lijf en door de inkt op je blad.

In januari won ik met mijn gedicht 'wij waren geen jongens' de Turingprijs in Nederland. Ik gebruik in dat gedicht de algemene 'wij'. En ik geef er blijk van een voorkeur voor een autobiografische component. Dat doet Nolens ook. Dus waarschijnlijk is dat invloed.

Anderzijds ben ik een geheel andere dichter dan hij. Ik beantwoord niet aan het beeld van de traditionele, romantische dichter die zich terugtrekt van de wereld, en in zichzelf. Ik maak deel uit van de wereld. Ik kan me, eender waar ik ben, over mijn poëzie buigen. Als ik een stil plekje vind, maakt het niet uit waar dat ligt. De schetsen van mijn poëzie maak ik op papier. Daarna werk ik pas aan de computer.

Mijn eerste ontmoeting met Nolens verliep erg surrealistisch. We waren in Zoetermeer voor een poëzieavond. Hij, Miriam Van hee, Ruth Lasters, Norbert de Beule en ik. De organisatie bleek in erg amateuristische handen te zijn. Of neen: er bleek gewoon geen organisatie te zijn. Enkelen van ons kregen een overnachting in een bejaardentehuis aangeboden. Nolens, Van hee en ik mochten in het Golden Tulip slapen.

Maar we moesten dus optreden. Alleen was er niemand te vinden die ons naar de bibliotheek - de plaats van het gebeuren - bracht. Ik heb toen mijn inktblauwe Ford Fiesta genomen, en ben met Leonard Nolens en Miriam Van hee op de achterbank naar de bibliotheek gereden.

We passeerden het Cultureel Centrum. Daar stond veel volk aan de deur. Leonard zuchtte opgelucht: 'Er zijn dan toch mensen.' Maar, zo moest ik hem voorzichtig duidelijk maken, we moesten niet in het Cultureel Centrum optreden maar in de bibliotheek.

In die bibliotheek zat tien man. Er viel geen organisator te bespeuren. Ik vond dat pijnlijk. Niet voor mezelf, maar voor de grote dichter aan onze zijde.

Nolens zei, met zijn prachtige, diepe stem die vol torment zat: 'Dit heb ik nog nooit meegemaakt.'

Ik wens hem een mooie verjaardag. En nog veel noeste arbeid."

Publicaties: laat[avond]taal, buiten westen (verschijnt weldra)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234