Donderdag 25/02/2021

Puberen op z'n Romeins

Wat betekende het om jong te zijn in de Romeinse oudheid?

Rond de tijd toen de studenten er de kasseien uitbraken, deed de Leuvense latinist en onderzoeker Emiel Eyben een belangwekkende ontdekking: ook de Romeinen kenden zoiets als 'jeugd'! Er was in Rome een Jugendraum, een afgebakende levensfase waarin de vrije jeugd haar onstuimige zelf kon zijn. In hun studie Jonge jaren, wilde haren? gaan Christian Laes en Johan Strubbe na wat er enkele decennia later overeind blijft van Eybens baanbrekende werk. Door Patrick De Rynck

Zo'n nacht maakt een god van elke man. Als iedereen nu eens leefde zoals ik, en in bed lag met een lichaam zwaar van wijn, dan waren er geen wrede zwaarden en geen oorlogsschepen.

(Propertius, eerste eeuw v.Chr.)

"'Make love, not war' zou de lijfspreuk van de Romeinse dichters Propertius en Tibullus geweest kunnen zijn." Dit is een typerend zinnetje uit Eybens boek De onstuimigen van 1987, waarin hij zijn inzichten van meer dan twee decennia onderzoek vulgariseerde. Onder de titel Restless Youth maakte het ook in het Engels furore. Aan de hand van massa's bekende en ook tal van minder bekende 'literaire' bronnen construeerde Eyben een beeld van Romeinse jongelui - we hebben het dan uitsluitend over jongens uit de gegoede klasse - die van ongeveer hun veertiende tot hun eenentwintigste min of meer hun experimenterende gang konden gaan. Meisjes daarentegen moesten zo snel en zo maagdelijk mogelijk trouwen, tussen hun twaalfde en vijftiende. Zij werden van hun kinderjaren rechtstreeks in de volwassenheid gekatapulteerd - de avond voor hun huwelijk werden hun poppen en speelgoed verbrand - en over hen horen we in de bronnen dan ook nauwelijks iets. De jonge heren daarentegen konden volop uitleven wat volgens Eyben hun tijdelijke wezenskenmerk was: ferocitas of onstuimigheid. Ze deden dat weleens, zoals je dat kunt verwachten, in conflict met de oudere generaties en met de maatschappij tout court. Ze beschikten daarbij à volonté over seksuele outlets, waren niet zelden politieke idealisten en ontspanden zich al sportend en door bij de wagenrennen in het Circus in Rome met hun peergroup de hooligan uit te hangen. De boemelaars, pierewaaiers en dandy's onder hen fuifden zich tot afgrijzen van menige oudere Romeinse tijdgenoot een weg door het leven. Een aantal van de welgestelde jongens trok naar de toenmalige 'universiteitssteden' om daar de kunst van de retoriek en filosofie te studeren en er enkele jaren lang een studentenleven te leiden, met de bijbehorende vormen van ontspanning. Dichters als Catullus en Propertius waren volgens Eyben exponenten van een 'jeugdpoëzie' waarin driftig naar een betere wereld werd gehunkerd, liggend in de armen van Lesbia, Cynthia en andere Corinna's. Hippies in toga's. Veel Romeinen waren het erover eens dat de stormen mettertijd min of meer vanzelf gingen liggen en je had 'ook toen' strenge en minder strenge opvoeders, controlefreaks en inschikkelijken. De antieke voorgangers van Peter Adriaenssens hadden het al over vertrouwen geven aan jongeren waar het kon, en regels vastleggen waar het moest. Niet zo heel veel nieuws onder de zon is in De onstuimigen de hoofdboodschap.

Daarom noemen we pubers ook wel irquitalli (bokachtigen), omdat hun lichaam dan als een bok begint te stinken.

(Censorinus, derde eeuw)

Dat er zich in tienerlijven allerlei ontwikkelingen afspelen, ongeveer tezelfdertijd en met verschillende snelheden, werd in de oudheid uiteraard ook wel ingezien. Antieke medici en allrounders van het type Aristoteles hebben het over het breken van de stem, jeugdpuistjes, de ontwikkeling van geslachtskenmerken, crisistoestanden enzovoort. En natuurlijk zijn hun verklaringen voor al die fenomenen in onze ogen niet zelden behoorlijk bizar. Maar niet dát is bij mentaliteitshistorici aan de orde, wél de kwestie welke plaats een samenleving aan haar tieners, pubers, adolescenten toekent: leven zij in een soort moratorium, een wachtkamer voor het volwassenenleven waarin eigen regels gelden, met bijvoorbeeld in de rechtspraak een onderscheid tussen meerder- en minderjarigen en met minimumleeftijden om te mogen trouwen? Of worden ze na hun kindertijd onmiddellijk in het grotemensenbad gedropt, zonder dat ze eerst eigen keuzes kunnen maken? Het is bij historici een felbevochten kwestie. Eybens uitgesproken stellingname over de Romeinse beleving van de jeugd was verre van vanzelfsprekend, enkele jaren nadat de grote historicus Philippe Ariès had geponeerd dat de erkenning van de eigenheid van 'de jeugd' een moderne ontdekking is die samenviel met het ontstaan van de bourgeoisfamilie. De verlichte uitvinder van de jeugd en van de puberteit heet dan Jean-Jacques Rousseau. Gecastreerde sprookjes, preutsheid, infantilisering, de lange leerplicht, de inflatie van boeken over opvoeding: het zijn stuk voor stuk fenomenen die volgens Ariès en tal van andere historici pas in de negentiende eeuw een hoge vlucht namen, in het zog van de ontdekking van de eigenheid van 'het kind' en 'de puber'.

Bij misdaden moeten jongeren niet op mildheid rekenen door hun leeftijd. Onstandvastigheid van geest is geen excuus voor slechte zeden.

(Codex Iustinianus, zesde eeuw)

Eybens these over de Romeinse jeugd werd dan ook al snel frontaal aangevallen. Dat je literaire bronnen - in het geval van de Romeinen zijn die bijna altijd van de hand van volwassen mannen - gebruikt om de 'binnenkant' van 'de' jeugd te vatten, hoe massaal die bronnen ook zijn, houdt evidente risico's in. Een clichéklacht van een volwassene over de verlopen 'jeugd van tegenwoordig' zegt zoals bekend meer over de klager dan over de betrokken jongeren. En áls verliefde dichters zoals angry young man Catullus en iets later Propertius al blijk gaven van een flowerpowerachtige branie en van opstandigheid, dan nog gaat het hier nog altijd in de eerste plaats om gesofistikeerde l'art pour l'art-literatuur én om een atypisch, klein groepje van poëten die bovendien het puberstadium al even ontgroeid waren en stuk voor stuk tot de upper class behoorden. Eyben had het hoe dan ook maar over een miniem segment van de antieke bevolking - de jeunesse dorée, vooral die van de hoofdstad Rome - en hij maakte volgens zijn critici te weinig gebruik van andere bronnen, zoals de duizenden opschriften die al meer een glimp geven van het leven en de maatschappij zoals ze waren. Nee, Rome was een pre-industriële samenleving met alle kenmerken van dien, zoals... het ontbreken van een jeugdfase. Romeinse jongeren moesten zich zo snel mogelijk als volwassenen gedragen en als ze dat niet deden, dan was dat omdat ze er nog niet klaar voor waren: a child is an adult with defects. Kortom, Eyben had zijn revolutionaire nozem te veel op de oudheid geprojecteerd.

Wanneer ik mijn lezing begin, blijven ze maar naar elkaar knipogen en praten over wagenmenners, mimen, paarden, dansers, voorbije of toekomstige gevechten. Anderen pulken in hun neus, nog anderen staren naar de bladeren van de bomen.

(Professor Libanius, vierde eeuw)

De oudhistorici Christian Laes, die bij Eyben doctoreerde, en Johan Strubbe maken nu in Jonge jaren, wilde haren? aan de hand van de recente literatuur, van deels nieuwe antieke bronnen en ook van demografische gegevens een stand van zaken op. Ze expliciteren daarbij, meer dan hun voorgangers, hun uitgangspunten. Ze schetsen de controverse over de Romeinse jeugd die ik hierboven aanhaalde, en ze belichten diverse facetten van het maatschappelijk leven om na te gaan hoe er over jong-zijn werd gesproken en hoe er met het gegeven 'jeugd' werd omgesprongen: het Romeinse recht, overgangsriten, de geneeskunde, het onderwijs, jeugdverenigingen, het huwelijk... Het resultaat van hun nauwgezet onderzoek kun je a third way noemen, een middenweg tussen Eyben en zijn criticasters in. Ja, er was voor een kleine bovenlaag van de mannelijke bevolking wel degelijk ruimte voor de beleving van een jeugdfase, zoals Eyben stelt. En ja, jeugdige excessen werden vaak door de vingers gezien omdat ze toch geacht werden voorbij te gaan, en ja, er is wel degelijk ook sprake van generatieconflicten, familieruzies, spanningen tussen vaders en zonen en gevallen van onterving. Hoe sneller de jeugd overging, hoe beter, overigens, vandaar het antieke ideaalbeeld van de vroegrijpe jongere, de puer senex. Aan de andere kant: nee, die jeugdfase was doorgaans géén duidelijk afgescheiden periode. En vooral: laten we voorzichtig zijn met boude uitspraken, want we weten het toch heel vaak niet. De bronnen laten ons op veel momenten in de steek bij het onderzoek naar de vraag of er ja dan nee een specifieke jeugdsubcultuur bestond. Neem de meisjes en hun harde bestaan van passiviteit en onderworpenheid: misschien bestond er wel een uitgebreide inner circle waar wij niets meer van afweten, zoals crosscultureel onderzoek van hedendaagse vrouwonvriendelijke samenlevingen laat zien? Laes en Strubbe verwijzen hierbij even naar moslimculturen. Ze nuanceren overigens ook de hypothese van de supervroege huwelijksleeftijd van Romeinse meisjes en hebben het over een gemiddelde van circa achttien jaar, niet de twaalf of vijftien die Eyben veronderstelde.

In het slothoofdstuk gaan de auteurs in op de vraag of het opkomende christendom in de late oudheid een verschil heeft gemaakt, nog zo'n controversiële kwestie. Dat de christelijke nadruk op ascese en kuisheid druk heeft gezet op de verhouding tussen jonge mannen en hun seksualiteit, lijkt wel duidelijk. Voor vrouwen veranderde er niet veel.

Een student met gevoel voor humor zat in geldnood en verkocht zijn boeken. Aan zijn vader liet hij in een brief weten: 'Pa, feliciteer me maar. Ik verdien nu al geld met mijn studie!'

(Een grap uit het moppenboek

De grapjas, late oudheid)

Laes en Strubbe willen met hun boek twee heren tegelijk dienen - de 'historisch geïnteresseerde lezer' en de vakspecialist - en dat is een erg lastige tot onmogelijke optie. Ze leidt niet zelden tot pijnlijke spagaten: op de ene bladzijde worden basisbegrippen aangereikt over het Romeinse onderwijssysteem, terwijl je elders als 'geïnteresseerde lezer' wetenschappelijke discussies met collega's te verhapstukken krijgt. Het corpus van 200 bladzijden telt dan ook zomaar even 611 noten. Wie er zich doorheen worstelt, krijgt een fijnmazig en genuanceerd beeld van hoe Romeinen met hun jeugd omgingen. Ik herhaal: voor zover de bronnen ons dat duidelijk maken. Want dat blijft dus voor alle onderzoekers de allergrootste hinderpaal: over het overgrote deel van de jeugd in het imperium - de lagere klassen, werkende jongeren, jongeren op het platteland, meisjes, de miljoenen jonge slaven - weten we simpelweg nagenoeg niets. Dit maakt dat je als historicus bijvoorbeeld geen sociale differentiatie kunt aanbrengen in je studie over de Romeinse jeugd, een evident manco. En Romeinse dagboeken en andere egodocumenten van al dan niet getourmenteerde jongeren zijn er ook al niet meer.

De conclusie van deze studie klinkt bekend: er zijn naast eeuwige menselijke gedragingen wezenlijke verschillen tussen culturen. We ontmoeten bij de Romeinen voor zowat elk facet van het leven bekende concepten maar we stoten ook op fundamentele verschillen. De laatste woorden verrassen dan ook nauwelijks: Rome is "een samenleving die nu eens zo dichtbij, dan weer zo ver weg lijkt". Eyben besloot zíjn flaptekst voor De onstuimigen met de woorden "een wereld zo ver weg, maar tevens zo nabij". De omgekeerde volgorde van 'het verre en het dichte', overigens een spanningsveld dat in de recente populariserende literatuur over de oudheid prominent op de voorgrond treedt, verraadt misschien toch een wereldje van verschil.

Jongemannen zijn zacht als was om tot de ondeugd verleid te worden. Ze zijn lastig tegen opvoeders, zien niet gauw in wat nuttig is, verkwisten hun geld, zijn hautain en hebzuchtig, en laten snel vallen wat ze ooit aanbaden.

(Horatius)

Christian Laes & Johan Strubbe

Jonge jaren, wilde haren? De jeugd in het Romeinse Rijk

Davidsfonds, Leuven, 238 p., 24,95 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234