Vrijdag 18/10/2019

Voetbal

Profvoetbal in België: eten of gegeten worden

Eupen-doelman Niasse plukt een hoge bal tegen Anderlecht, vorig seizoen. De kloof tussen de topteams en de clubs onderin wordt groter in België. Beeld Photo News

Wel play-offs, geen play-offs, wel puntendeling, geen puntendeling, met tien of met twintig. In de discussie over de competitiehervorming staat eigenbelang voorop, terwijl de hamvraag moet zijn: met hoeveel clubs en in welke mate wil men solidariteit?

Dit weekend valt het doek over de reguliere competitie en weten we wie zakt en welke zes ploegen over drie weken play-off 1 spelen. Tegelijk wordt van de profclubs gevraagd dat ze zo snel mogelijk tot een consensus komen over een al of niet aangepaste competitieformule.

In een voor een voetbalvoorzitter zeldzame bui van oprechtheid verwoordde Johan Timmermans van KV Mechelen het zo op de meest recente vergadering over de competitiehervorming: "Vorig jaar, net voor de laatste speeldag, toen we met één been in play-off 1 stonden, had ik een heel andere visie op de competitie dan dit jaar, nu we met één been in 1B staan." Morgen speelt KV thuis tegen Waasland-Beveren om een verlengd verblijf in 1A.

Twintig profclubs

België telt 24 profclubs. Zestien in 1A en acht in 1B. Ongeveer iedereen is het erover eens: dat zijn er minstens vier te veel. In theorie heeft elke Belgische profclub een achterban van 466.000 toeschouwers. In de praktijk heeft Vlaanderen achttien clubs voor 6,44 miljoen inwoners, een achterban van 358.000. Behalve Noorwegen scoort geen enkele van de twaalf kleinere voetbaleconomieën slechter.

Bovendien heeft West-Vlaanderen met 1,2 miljoen inwoners zes profclubs, wat een gemiddelde achterban van 200.000 betekent. Op papier, want Club Brugge trekt veel meer supporters dan de andere clubs in die provincie. In de rangschikking van het aantal toeschouwers bengelen niet toevallig drie van de vier West-Vlaamse eersteklassers achterin.

Een betere geografische spreiding over het hele Belgische grondgebied van de profvoetbalbedrijven zou al wonderen doen. Een beperking van het aantal profclubs is een andere uitweg. Twintig is het meest gehoorde getal. Dat betekent voor vier clubs de terugzetting naar de amateurklassen. Met een striktere toepassing van de licentievoorwaarden of strengere economische criteria waren er nu al maar 22 clubs meer of misschien nog minder.

G5 + K19

Profvoetbal in België is puur darwinisme: het is eten of gegeten worden en de meest aangepaste zal overleven.

Profvoetbal is leefbaar voor de G5, dat zijn Anderlecht, Club Brugge, Standard, AA Gent en Racing Genk. Af en toe gaat er eens eentje in het rood, zoals Anderlecht, maar geconsolideerd maken die grote vijf winst. Bij de K11, de elf andere eersteklassers, is het omgekeerd: af en toe maakt er eens eentje winst, maar geconsolideerd schrijven ze in het rood. Bij de resterende acht profploegen, actief in 1B, is de situatie nog dramatischer. Zij maken grote schulden om in 1A te geraken, maar ze hebben bijna allemaal een buitenlandse investeerder. De promotiestrijd vanavond tussen Cercle en Beerschot Wilrijk is er een tussen de Rus van Monaco en de Saudi van Sheffield United. Hun belangen liggen niet bij de club an sich maar bij de club als vehikel om winst te maken op spelerstransacties.

Een aantal cijfers voor 2016, opgelijst door de Pro League zelf. Het eigen vermogen van de G5 bedraagt 81 miljoen euro. Het eigen vermogen van de negentien andere ploegen is 24 miljoen, negatief welteverstaan.

Het operationeel resultaat voor 2016 bedroeg voor de G5 13,1 miljoen euro verlies. De andere negentien profploegen boekten 43 miljoen verlies. Na transfers kwam de G5 uit op een nettowinst van bijna 33 miljoen euro. De K19 blijven na transfers steken op 12 miljoen in het verlies.

Conclusie, ook van de profliga zelf: Belgische clubs zijn financieel erg afhankelijk van de verkoop van spelers. Anders gesteld: de ongeveer 100 miljoen euro overheidssubsidies (verlaging sociale lasten en recuperatie belastingen) helpen de eersteklassers om een doorgedreven mensenhandel in stand te houden.

To play-off or not?

Het is een achterhoedegevecht, maar de discussie of er play-offs moeten zijn en hoe die er moeten uitzien, doen de gemoederen het felst oplaaien, zowel onder voetbalvolgers als de decision makers. Club Brugge is niet zozeer tegen de play-offs, maar wel tegen puntendeling aan het eind van de reguliere competitie. Anderlecht weet het na de machtswissel niet goed. Michel Louwagie van KAA Gent is pro: "De play-offs met de puntendeling garanderen een groter competitief evenwicht. Zonder puntendeling komt de kampioen altijd uit Brugge of Anderlecht. Wil men dat?"

Jazeker, Anderlecht en Club Brugge zouden maar wat graag tekenen voor een competitieformule met een G2, die onder elkaar de titels verdeelt, een mini-G3 of G4 die er niet meer aan te pas komt en dan de rest om de hoop te vullen. Binnen de economische voetbalrealiteit van het Belgisch voetbal staat financiële winst los van spanning en spektakel.

De huidige competitieformule heeft onmiskenbaar positieve elementen zoals meer spanning in meer wedstrijden op meer momenten, de stijging in de Europese ranking en de bijna-verdubbeling van de tv-rechten sinds de invoering van de play-offs. Die laatste twee kunnen evengoed het gevolg zijn van een cyclische beweging en een algemene conjunctuurverbetering.

Er zijn ook negatieve punten: dat de promovendus van 1B en de degradant van 1A half maart al klaar zijn en vier en een halve maand geen competitiewedstrijden hebben, is de grootste miskleun. Dat twee keer drie weken niet wordt gevoetbald tussen de eerste en tweede ronde van de reguliere competitie en tussen de reguliere competitie en de play-offs, is nog zo'n anomalie.

Televisiegeld

Eens de profclubs eruit zijn met hoeveel ze profvoetbal kunnen spelen in dit land, zou de discussie moeten gaan over de herverdeling van middelen, met competitief evenwicht als finaal doel. Te beginnen bij de televisiegelden. Vreemd genoeg hebben wij in België deze eeuw de omgekeerde beweging gemaakt vergeleken bij de rest van Europa.

In de meeste landen heeft men van een stijging van tv-gelden gebruik gemaakt om de minder kapitaalkrachtige clubs te versterken. Neem de Premier League: vijftien jaar geleden kreeg de kampioen 150 procent meer tv-geld dan de laatste. In de voorbije competitie was dat verschil nog 50 procent.

In de Jupiler Pro League verdiende de kampioen tot 2001 30 procent meer tv-geld dan de laatste. Voor de competitie 2016-2017 kreeg Eupen 1,68 miljoen en Anderlecht 7,75 miljoen euro, 360 procent meer. Elke stijging van tv-gelden resulteerde in meer geld voor alle clubs, maar vooral in exponentieel meer geld voor de G5, waardoor de kloof met de K11 en de acht clubs uit 1B structureel groter werd. De achterliggende redenering om die nationale solidariteit op te geven, was het behoud van de concurrentiepositie van de Belgische tegenover de Europese top. Nu die ambitie een utopie is gebleken, wordt het tijd om eerlijker te herverdelen.

---

358.000

potentiële toeschouwers heeft elke Vlaamse topclub. Van de kleinere voetbaleconomieën scoort alleen Noorwegen slechter

€ 81 miljoen

bedroeg het eigen vermogen van de G5 in 2016, de negentien andere profclubs stonden liefst 24 miljoen in het rood

360%

meer televisiegeld ving Anderlecht vergeleken met Eupen in 2016-2017 (7,75 miljoen euro versus 1,68 miljoen)

24

profclubs telt ons land momenteel: 16 in 1A en 8 in 1B. Veel stemmen pleiten voor slechts 20 Belgische profclubs

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234