Woensdag 19/01/2022

Private Kas Bank, een huis van vertrouwen voor gefortuneerden

Met de op til zijnde inlijving van de Private Kas Bank slaat de BBL een mooie slag. De Caisse Privée is een kleine, uiterst discrete maar van oudsher erg invloedrijke bankinstelling, gespecialiseerd in het beheer van grote familiefortuinen en het verlenen van financiële diensten aan bedrijven. Niet eens zo gek lang geleden werd ze nog la banque de la noblesse genoemd, omwille van het blauwe bloed van menig bestuurder, vennoot, oprichter en cliënt. De Caisse Privée heeft als enige bank het privilege om eigen kantoortjes open te houden in twintig grote gerechtshoven, ondergebracht in de lokalen van de orde van advocaten. Daarom is het ook de favoriete instelling van advocaten en magistraten. Bij geneesheren en andere vrije beroepen is de bank eveneens goed ingeplant. Ze heeft vestigingen in het AZ van Brugge en het ziekenhuis Edith Cavell in Ukkel.

De geschiedenis van de Private Kas Bank en haar moedermaatschappij Socfin is onlosmakelijk verweven met het koloniale verleden van België. De fortuinen die de eerste generatie met rubberplantages en andere vormen van koloniale uitbuiting vergaarde, werden door hun nakomelingen geïnvesteerd in grote Brusselse vastgoedprojecten. Maar precies als gevolg van verkeerde vastgoedinvesteringen kreeg de Private Kas Bank in het begin van de jaren negentig een lelijke knauw. Moederholding Socfin begon de voorbije jaren in alle stilte gesprekken met potentiële overnemers. Twee jaar geleden verklaarde Hubert Fabri dat de Private Kas Bank "niet te koop" stond. Fabri is voorzitter van de raad van bestuur van de bank én van Socfin. "De bank kan perfect leven in onze groep. We hebben geen reden om te verkopen. We denken dat de bank haar onafhankelijkheid zou verliezen als we ze verkopen aan een grote bancaire groep. Dan gaat een stuk van de bedrijfscultuur verloren. De onafhankelijkheid van de bank blijft de grootste troef. Bovendien kan de bank altijd op een welgestelde moeder terugvallen." Misschien overwoog Socfin op dat moment nog geen verkoop. Of misschien heeft Fabri iedereen deskundig zand in de ogen gestrooid.

koloniaal pionier

De voorloper van de Caisse Privée was de Banque Coloniale de Belgique, die in 1899 werd opgericht door de Waalse landbouwingenieur Adrien Hallet (1867-1925). Hallet vertrok in 1889 naar wat toen nog de Etat Indépendant du Congo (EIC) heette. De Onafhankelijke Kongo-staat was privé-bezit van koning Leopold II. Hallet bleef er tien jaar en lag mee aan de basis van een reeks koloniale ondernemingen die plantages, veefokkerijen en goudmijnen exploiteerden. De bekendste daarvan was de Belgika, voluit Comptoir Colonial Belgika. Hallet werkte voor die projecten samen met directe vertrouwelingen van Leopold II, zoals Léon Lambert (de grootvader van de laatste baron Lambert, die tot 1987 voorzitter was van de Groep Brussel Lambert) en de Antwerpse rubberbaron Edouard Bunge.

Vanaf 1905 verlegde Hallet zijn activiteiten naar het Verre Oosten, waar hij rubber- en palmolieplantages oprichtte in Malakka (Maleisië), Sumatra (Indonesië) en Cochinchina (het huidige Vietnam). Voor die initiatieven in de toenmalige Franse kolonie Indochina associeerde Hallet zich met de Franse familie Rivaud. Samen met Rivaud werd ook de holding Société Financière des Caoutchoucs (Socfin) in het leven geroepen. Op het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam het tot een familieruzie, resulterend in een controlegevecht tussen de drie aandeelhoudersgroepen: de families Bunge, Hallet en Rivaud. In 1918 verkreeg Rivaud zelfs even de controle over Socfin. Toch wisten de Belgen een herverdeling van de macht te bewerkstelligen. Op de trein Parijs-Brussel sloten Adrien Hallet en Olivier Rivaud een legendarisch mondeling akkoord, dat nu al tachtig jaar standhoudt. Edouard Bunge verdween echter uit het aandeelhouderssyndicaat en stichtte zijn eigen koloniale groep, Sipef.

Tijdens het interbellum begon de groep Hallet-Rivaud aan de uitbouw van een internationaal imperium, gesteund op rubber, palmbomen, bananen, koffie en tropisch hout. Op de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werkten 750 blanken en 60.000 inlanders voor de groep op 350.000 hectare plantages in Azië, Latijns-Amerika en Afrika. De groep produceerde jaarlijks 60.000 ton rubber, of 6 procent van de wereldproductie. De Banque Coloniale de Belgique werd in 1956 verkocht aan Belgika, waarna Socfin in 1958 een meerderheidsparticipatie nam in de Caisse Privée - Paul van den Bosch, Jean Cruysmans & Cie, zoals de bank toen heette.

De Caisse Privée werd in 1923 opgericht door baron Charles Gilles de Pélichy, katholiek senator voor het arrondissement Roeselare-Tielt. Paul van den Bosch, de zakenpartner van Jean Cruysmans, was getrouwd met een dochter van de Antwerpse financier Frédéric Jacobs en fungeerde als voorzitter van Socfin van 1957 tot 1980. Van den Bosch was ook bestuurder van Anhyp, eveneens een bank met een zwaar koloniaal verleden. De Caisse Hypothécaire Anversoise, later omgedoopt tot Anhyp, verkreeg van koning Leopold II immers het monopolie op de invoer van Kongolees ivoor, rubber, koffie en cacao. De Caisse Privée nam op haar beurt in 1968 een deel van de activiteiten van de Antwerpse Banque Frédéric Jacobs & Cie over, waarna de benaming in 1977 werd vereenvoudigd tot Caisse Privée. Financier Frédéric Jacobs bleef tot in de jaren tachtig een belangrijke minderheidsaandeelhouder van Socfin.

Jean Cruysmans,

bankier van VDB

De Brusselse bouwmagnaat Charly De Pauw (1920-1984) had een wisselvallige carrière van twaalf stielen en dertien ongelukken achter de rug toen hij zich op het eind van de jaren vijftig, met de actieve steun van de Caisse Privée, lanceerde als vastgoedpromotor. We schrijven 1957, de grote bouwwerken voor de wereldtentoonstelling Expo 58 die de Brusselse skyline ingrijpend zouden veranderen, stonden voor de deur. De Pauw dook in dat jaar 1957 plots op als aandeelhouder van de vastgoedfirma Terres et Domaines. Dat bedrijf was in 1953 opgericht door onder meer Jean Cruysmans, destijds bestuurder van de Caisse Privée en van het Zwitserse bankhuis Pictet & Cie. Andere aandeelhouders waren graaf Philippe d'Ursel, familiaal verwant met baron Benoît de Bonvoisin, en prins Rodolphe de Croÿ-Roeulx, de latere voorzitter van de beruchte Cercle des Nations. De prins werd vervolgens ondervoorzitter van de Compagnie de Promotion (CDP), de spilvennootschap van de groep De Pauw.

Kortom, de eenvoudige volksjongen Charly De Pauw, die geen enkele opleiding had genoten en als enige referentie een handeltje in brandblusapparaten kon voorleggen, werd vanuit het niets opgenomen in het walhalla van de Belgische financiële elite. Pas vele jaren later, toen bleek dat De Pauw zijn blitzcarrière als bouwondernemer vooral te danken had aan zijn geprivilegieerde en soms ronduit aangebrande relaties met de Brusselse toppoliticus Paul Vanden Boeynants en diens zakenvrienden, drong het bij veel waarnemers door dat De Pauw slechts een stroman was geweest die optrad in opdracht van en gefinancierd werd door onzichtbare beschermheren. Inmiddels had De Pauw wel tientallen betaalparkings in de Brusselse binnenstad aangelegd, talloze kantoorblokken voor al te veel geld aan de overheid verpatst en de hele Noordwijk platgeslagen voor zijn waanzinnige World Trade Centre-project.

Een deel van het vermogen van politicus en vleeshandelaar Paul Vanden Boeynants, gewezen CVP/PSC-premier en vooral bekend geworden als minister van Landsverdediging, werd beheerd door de Caisse Privée. Het was trouwens een huiszoeking bij deze bank, in maart 1983, die het gerechtelijke onderzoek naar VDB aan het rollen bracht. Het parket van Brussel beschuldigde VDB van 137 feiten, die vooral te maken hadden met allerlei boekhoudkundige knepen en vervalsingen om zwart geld uit handen van de fiscus te houden. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de veroordeling in 1986 van de voormalige minister wegens fiscale fraude. De rechter noemde hem "een onverbeterlijke en verstokte fraudeur", een blamage die nadien ongedaan werd gemaakt omdat VDB eerherstel vroeg en kreeg.

Rubberbaronnen en maffiaraiders

Socfin, de beursgenoteerde holding die de Caisse Privée sinds 1958 controleert, werd in 1909 gesticht door Adrien Hallet als opvolger van het Syndicat des Plantations de Caoutchoucs. De holding, die aanvankelijk achttien rubberplantagebedrijven groepeerde, was lange tijd volledig in handen van de Frans-Belgische vooraanstaande katholieke families Rivaud, Hallet en Fabri. Pas na het overlijden van de stamvader toonde de groep opnieuw belangstelling voor Kongo. In 1936 stuurde Robert Hallet, zoon van Adrien, een ploeg planters naar de Kongolese binnenlanden om er geschikte terreinen te zoeken voor de kweek van heveaplanten voor de rubberwinning. Hallet verkreeg concessierechten in de streek van Tshuapa, maar na de onafhankelijkheid van Kongo in 1960 gingen alle koloniale belangen van de groep Hallet reddeloos verloren.

Socfin evolueerde nadien noodgedwongen tot een financiële holding. De wat ingedommelde groep, geleid door bejaarde edellieden als graaf Jean de Beaumont en burggraaf Edouard de Ribes, ontsnapte eind jaren tachtig ternauwernood aan een vijandelijke overname door Sasea, een Zwitserse holding gecontroleerd door Giancarlo Parretti en Florio Fiorini, twee Italiaanse raiders met duidelijke maffiabindingen. De miserie begon in 1987 met de uittocht van de familie Velge. Deze met de familie Bekaert verwante Antwerpse clan had begin jaren zeventig haar intrede gedaan bij Socfin, na de overname van de Banque Frédéric Jacobs & Cie door de Caisse Privée. Het belang van de Velges werd ondergebracht bij Crégéfon (Crédit Général Foncier et mobilier), dat ongeveer een derde van de Socfin-aandelen in handen kreeg. Allicht waren er allerlei synergieën mogelijk tussen de tropische werkzaamheden van Socfin en de Antwerpse tradingfirma's van de familie Velge.

De samenwerking liep evenwel spaak en de Velges verkochten hun Socfin-pakket aan Duménil-Leblé, destijds in handen van de Italiaan Carlo De Benedetti, en de Banque Stern. Met enkele beursaankopen wisten deze Franse banken hun belang op te drijven tot bijna 40 procent. In financiële kringen was de verontwaardiging groot. "De nozems van de financiewereld vallen de vesting aan van het Franse aristocratische establishment", noteerde een krantencommentator. Het ging van kwaad tot erger toen Duménil en Stern hun pakket met een leuke winst verkochten aan Sasea. Voor Parretti en Fiorini ging het slechts om een schijnbeweging: ze waren niet zozeer geïnteresseerd in Socfin op zich, maar gebruikten de participatie eerder als pasmunt en chantagemiddel om de door Rivaud gecontroleerde Franse filmgroep Pathé Cinéma in handen te krijgen. De hoogbejaarde Yvonne Hallet-Cartwright, dochter van stichter Adrien Hallet, ging door de knieën voor het aanbod van Sasea en verkocht haar aandelen, zodat de Italianen nog een paar procentjes meer in handen kregen.

Het eind van het liedje was dat het duo Parretti-Fiorini Pathé Cinéma kon inpikken en de voor hen nutteloos geworden Socfin-aandelen doorverkocht aan de jonge Franse zakenman Vincent Bolloré. Hij speelde zo'n beetje de rol van witte ridder, want zijn vader was bevriend geweest met graaf de Beaumont. Momenteel is de holding nog steeds in handen van de families Fabri en Rivaud, die wel de groep Bolloré naast zich moeten dulden.

Socfin onderhoudt van oudsher goede relaties met Albert Frère, tot voor de overname door ING de sterke man achter BBL en nog steeds de baas bij de Groep Brussel Lambert. Zo was Socfin in het verleden een van de vaste aandeelhouders van GBL en van Comofi (Comptoir Mobilier et Financier), een onderneming die in 1988 werd overgenomen door de Groep Brussel Lambert en daarna fuseerde tot Bernheim-Comofi, de machtige vastgoedpoot van GBL.

De naweeën

van Comuele

Sinds 1996 werkt de Private Kas Bank aan "een oplossing voor de aandeelhoudersstructuur", een eufemisme voor de zoektocht naar nieuwe aandeelhouders en vers kapitaal. De bank kwam midden jaren negentig in zware problemen als gevolg van ontspoorde vastgoedinvesteringen. Een van die dossiers was Rhode City, een vastgoedproject in Sint-Genesius-Rode dat de bank oorspronkelijk had opgezet voor investeerder en miljonair Roger Stallenberg. De kostprijs van het project liep evenwel volledig uit de hand en in september 1996 moest de bank op bevel van de Brusselse handelsrechtbank 600 miljoen frank betalen aan Stallenberg. De rechter verplichtte de bank de investeerder uit te kopen tegen kostprijs plus de wettelijke rente. Private Kas Bank ging niet in beroep.

Voorts liep de bank zware averij op als gevolg van het faillissement van de beursgenoteerde vastgoedgroep Comuele (Commerciale et Minière d'Uele, alweer een holding met een koloniaal verleden), die gecontroleerd werd door de Antwerpse diamantair Arthur Fogel en de New Yorkse advocaat Bruno Goldberger. Toen aan het licht kwam dat Comuele via de Antwerpse tradingfirma M&S International banden had met de Russische maffia, stuikte de groep in de zomer van 1995 als een kaartenhuisje in elkaar. De schuldeisers, waaronder Private Kas Bank en Anhyp, keken aan tegen een put van niet minder dan 8 miljard frank. Volgens Trends was Private Kas Bank, dankzij een tussenkomst van Fogel en Goldberger, ook voor tientallen miljoenen tussengekomen om Mike Brandwain, de zaakvoerder van M&S, te steunen. De Brusselse onderzoeksrechter Van Espen, die het dossier behandelt en koppelde aan het frauduleuze failliet van de Luikse verzekeringsmaatschappij Mercure, beschouwt de hele affaire als een oplichtingszaak ten nadele van de banken. Uiteindelijk heeft het Comuele-avontuur aan de Caisse Privée zowat 2 miljard frank gekost, waardoor de instelling virtueel failliet was. De bank kon enkel overleven omdat Socfin bereid was 2 miljard vers kapitaal in haar dochter te pompen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234