Woensdag 07/12/2022

Prenten in wording

Van Dyck - Begenadigd prentkunstenaar belooft apart te worden. Schetsen, tekeningen, grisailles en proefdrukken geven de ontstaansgeschiedenis van een gravure weer. 'Het zou evengoed Prenten in wording kunnen heten,' zegt Ger Luijten van het Rijksmuseum in Amsterdam, die samen met Carl Depauw van het Antwerpse Prentenkabinet de tentoonstelling ontwierp.

'Het idee om iets te doen met de prentkunst van Van Dyck is al geboren tijdens de Jordaenstentoonstelling in 1993 in Antwerpen," zegt Ger Luijten. "Bij Jordaens werden de werken op papier als een aanhangsel getoond. Wij vonden dat Van Dycks prenten bij zíjn verjaardag een ereplaats moesten krijgen."

Het is meer dan een ereplaats geworden. Luijten & Depauw wilden niet zomaar gravures en etsen tonen, maar gingen op speurtocht. Net als naar Van Dycks landschapstekeningen was naar zijn prenten immers nooit een grondig onderzoek gebeurd. Uiteindelijk is de ontstaansgeschiedenis van de prenten het hoofdonderwerp geworden.

"Hoe komt zo'n prent tot stand en wat is Van Dycks bemoeienis geweest? Daar wilden we achter komen," zegt Ger Luijten. "Soms ligt een olieverfschets aan de basis van de prent, soms een tekening. Voor iedere prent is er ooit een voortekening geweest. Voor allemaal. We kennen die vaak niet. Meestal denken mensen nog dat een kunstenaar voor een altaarstuk gaat zitten met een koperplaat op zijn schoot (lacht). Zo gaat dat niet. Er is een tussenstadium nodig. Iets van eenzelfde formaat als de prent."

Depauw: "De kop van Frans Snijders op de prent is identiek dezelfde als die op het schilderij in de Frick Collection. Dan rijst de vraag: wat was er eerst, wat ligt ertussen? De ets wordt niet gemaakt op basis van het schilderij..." "... zelfs Van Dyck doet dat niet," vult Luijten aan. "Ook hij werkt naar een tekening. Want als er iets misgaat bij het etsen, dan vloek je en moet je opnieuw beginnen. Bovendien is zo'n koperplaat erg duur. Je gaat niet telkens weer was aanbrengen en een gokje wagen. Dat moet meteen goed zijn."

Behalve voorbereidende tekeningen, schetsen en grisailles worden ook proefdrukken getoond. Voordat een prent voltooid is, wil de kunstenaar vaak al eens weten hoe zijn ets of gravure eruitziet en maakt hij een of meerdere afdrukken. Zo krijgen we bijvoorbeeld een tekening te zien en vervolgens drie verschillende stadia van de prent die ernaar gemaakt is.

Van Dyck was niet alleen bedrijvig als tekenaar en schilder maar ook als etser. Door een aantal van de zogeheten 'staten' kunnen we daar nu nog de resultaten van zien: zwierig geëtste hoofden, met eenzelfde vaardigheid en elegantie gemaakt als zijn schilderijen. Van een aantal etsen is men zeker dat ze door hem begonnen zijn. Net als bij de schilderijen was er een taakverdeling. "De maître zette de kop op en een hand," aldus Ger Luijten. "Van Dyck moet hebben gedacht: ik doe de koppen voor de gelijkenis zelf." En Van Dyck werkte snel. Hij was ongedurig, het moest vooruitgaan, hij werkte de proefdrukken ook niet 'schoon' af. "Er staan vlekken in de marge, er zijn vegen op het gezicht. Van Dyck vond dat allemaal niet zo belangrijk," aldus Luijten. "Dat appelleert natuurlijk enorm aan onze moderne smaak." Veel etsen bleven onafgewerkt liggen: "Met zo'n zwevende kop en verder niets. Wij vinden dat nu prachtig en modern, maar ik kan niet geloven dat het Van Dycks bedoeling was om de prenten zo onaf te laten." De verdere afwerking van zo'n koperplaat gebeurde soms pas veel later, toen ze in de handen van een uitgever kwam en Van Dyck allang dood was. Luijten: "In die prenten die door Van Dyck zijn begonnen en door anderen voltooid voel je een soort frictie, een 'tweetaligheid'. Dat botst en is niet mooi. Die Snijders bijvoorbeeld is absoluut van Van Dyck, maar alleen de kop. De rest is later afgemaakt door Jacques Neefs. Dat kwalitatieve verschil ziet iedereen. Daar is naar ons gevoel iets kapotgemaakt." Depauw: "Eerst is er die tekeningachtige ets, een pure Van Dyck. Dan zie je hoe dat vakmanschap verknoeid wordt. Er wordt met een burijn overheen gegaan, het krijgt dat ambachtelijke en leeft niet meer. In de tentoonstelling laten we die evolutie zien."

Sommige prenten zijn wel helemaal door anderen gegraveerd. "Van Dyck leverde tekeningen of schetsen en besteedde de taak verder uit aan beroepsgraveurs: Lucas Vorsterman, Paulus Pontius, Wenceslas Hollar - de beste die er op dat moment waren," aldus Ger Luijten.

Van de onaffe etsen liet Van Dyck toch meerdere exemplaren drukken. Waarom? Luijten: "Ik stel mij dat heel praktisch voor. Hij drukt er een paar af en stuurt een pakketje naar collega's en vrienden: Sustermans in Florence, enkele exemplaren voor Joos de Momper. De eerste eigenaars van die etsen zijn vaak zij die erop afgebeeld staan."

Depauw: "Maar die wisten goed dat ze iets waardevols in handen hielden. Op sommige etsen prijkt een kalligrafisch handschrift. Van Dyck zelf wist ook goed dat hij de mensen iets waardevols toestuurde; hij was commercieel ingesteld. Maar het is erg jammer dat hij niet is doorgegaan met etsen, hij zou een etser van het formaat van Rembrandt zijn geweest."

Luijten: "Hij wordt ook geëerd als een voorloper van de vrije ets en de moderne etskunst. Ik heb nog één plaatje in de catalogus gestoken, een zelfportret van Whistler (een laat-19de-eeuwse Brits-Amerikaanse schilder, ER) en daar kun je de invloed van Van Dyck aan zien. De prenten werden door de schilders-eigenaars gebruikt als een staalkaart, een catalogus van houdingen."

Maar waarom etste Van Dyck zijn illustere tijdgenoten - kunstenaars en geleerden die hij eenzelfde houding en waardigheid gaf? Waarom werden zijn schilderijen, soms nog nat van de verf, al meteen gegraveerd en als prent Europa rondgestuurd?

Depauw: "Zo wilde hij zijn naam en faam als kunstenaar verspreiden. Uiteindelijk was dat in essentie de bedoeling van de prentkunst."Luijten: "En opdrachten binnenkrijgen voor nog meer schilderijen, daar is het Van Dyck om te doen. Maar hij moet beseft hebben dat ook voor zijn Iconographie (een portrettengalerij in prenten van beroemde tijdgenoten, een project dat hij zelf financierde, ER) een behoefte bestond, dat een zodanig grote groep kopers geïnteresseerd was in prenten die die beroemde kunstenaars, schrijvers en wetenschappers afbeeldden. Het was mode om die te verzamelen."

Depauw: "Om je naam bekendheid te geven moest je alles in prent brengen. Als we dat naar nu vertalen is dat niet anders." De prenten waren toen een nieuwe informatiedrager. In tegenstelling tot de logge schilderijen konden ze in een hoge oplage gedrukt en gemakkelijk verspreid worden.

"Kunstenaars lopen nu toch ook rond met een setje dia's of ze zetten hun werk op het Internet," zegt Ger Luijten. "Kijk: schilderijen van Pieter Bruegel zijn meteen in de collectie van Rudolf of het Escoriaal van Filips II verdwenen. Die werden dus onttrokken aan het oog van iedereen. Al voor 1600 waren die foetsie. Waar is de naam van Bruegel dan op gebaseerd? Op de prenten natuurlijk. Voor Rubens en Van Dyck is dat tot op zekere hoogte ook het geval. Giovanni Bellori schrijft in 1672 de biografie van Van Dyck. Als je zijn beschrijvingen van de schilderijen goed leest, zijn er twee mogelijkheden: of hij heeft het van horen zeggen of hij baseert zich op de prenten. Bellori is waarschijnlijk nooit in de Nederlanden geweest."

Toen Ger Luijten en Carl Depauw aan hun onderzoek begonnen, dachten ze dat Van Dyck in veel meer prenten zelf een hand zou hebben gehad. "Het aantal prenten naar werken van Van Dyck beloopt wel duizend, kopieën meegerekend. Dat is gigantisch. Maar het deel dat tijdens zijn leven tot stand kwam zie je verschrompelen."

"Maar we hebben nu een beter zicht gekregen op de impact van Van Dyck. Er zijn prenten van hem waarvan later twaalf verschillende kopieën zijn gemaakt," zegt Ger Luijten. "Iets begint onder de handen van Van Dyck. Er komt een oplage van 600 à 800 exemplaren van. Dat doe je dus maal twaalf. Hoeveel huishoudens hadden in de 17de eeuw dan niet een prent van Van Dyck in hun interieur? Het zijn beelden die veel mensen onder ogen hebben gekregen. We kennen nu ook de kostprijs van een prent: twee gulden, niet weinig, dat was een dagloon."

"Als Rubens een ontwerp voor een boekillustratie maakte, werd hij 20 gulden betaald," merkt Carl Depauw nog droogjes op.

Van Dyck - Begenadigd prentkunstenaar in Museum Plantin-Moretus / Stedelijk Prentenkabinet, Vrijdagmarkt 22, Antwerpen. Van 15 mei tot 22 augustus. Dagelijks open van 10 tot 18 uur. Maandag gesloten. Inlichtingen: 070/233.799.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234