Dinsdag 01/12/2020

Pratend het kerkhof betreden

Nooit lokten de boeken van Ivo Michiels drommen lezers naar de boekhandel. Toch is zijn literaire impact onmiskenbaar groot.

"Ik een moeilijk schrijver? Dat aanvaard ik niet. NOOIT!", zo riep Ivo Michiels ooit opgewonden uit in een interview met Knack. Michiels (pseudoniem van Henri Ceuppens) had een hekel aan alle stigma's die hij moest incasseren van de literaire goegemeente. "Hermetisch", "de eerste Vlaamse postmodernist", "een eeuwig experimentator"? Zijn oren gingen ervan tuiten. "De bladspiegel van Michiels' boeken ziet er soms uit alsof die van een andere planeet komt", noteerde NRC schamper in 1995.

Maar de auteur van Het afscheid (1951) en de cyclus Journal Brut (1983-2001) gaf wel grif dat zijn oeuvre nooit helemaal doorbrak "in de breedte", ondanks bekroningen met de Staatsprijs, een resem vertalingen én lovende woorden van Samuel Beckett himself.

Niet voor niets gold Het Boek Alfa (1963) bij middelbare scholieren destijds als een kuitenbijter hors categorie op de leeslijst, waar je liever een ommetje voor maakte. Talloze academici beten hun tanden stuk op zijn werk. Michiels maalde er niet om. Pas op late leeftijd kreeg hij de erkenning waar hij recht op had. Zijn stempel op het Vlaamse artistieke leven van de jaren vijftig tot tachtig was dan ook indrukwekkend: visionair kunstcriticus, Vlaams filmscenarist en -pionier, tijdschriftredacteur, bevlogen docent en vooral: innovatief en onvermurwbaar schrijver én vormvernieuwer.

Toen Michiels de kaap van de tachtig jaar rondde, regende het plots herdenkingen én stak ook Tom Lanoye de loftrompet. Schrijvers als Peter Verhelst, Leo Pleysier, Guido van Heulendonk en Stefan Hertmans hadden al eerder ontdekt hoezeer het ingenieuze schrijven van Michiels een zelfonderzoek was, een eeuwig gevecht met de taal, dat hij glorieus won. Toen Michiels in 1979 met zijn vrouw Christiane het isolement opzocht in het Zuid-Franse Le Barroux, vlak bij de Mont Ventoux, en abrupt het Vlaamse culturele leven de rug toekeerde, leek hij meer dan ooit cultfiguur én buitenbeentje van zijn generatie.

Gisterenmorgen overleed Ivo Michiels onverwacht aan een hartaanval, nauwelijks drie maanden voor zijn negentigste verjaardag. In 2005 was hij door het oog van de naald gekropen, Michiels zweefde toen maandenlang tussen leven en dood na een foute operatie en pancreasperforatie. "IJselijke pijnen heb ik moeten doorstaan. (...) Op een nacht, ik zal het nooit vergeten, had ik zoveel pijn over en in mijn hele lichaam dat ik afscheid nam. Ik was alleen. Ik zei 'adieu', hardop, en alles werd zwart", vertelde hij aan Margot Vanderstraeten in haar interviewboek Schrijvers gaan niet dood (2008). De volgende dag zag hij vanuit het ziekenhuisraam tot zijn eigen verbazing toch de zon boven de heuvels van Avignon opkomen. Een keerpunt.

Michiels nam weer bezit van het leven en schreef verder, als "een als opa geschminkte jongeling". Zo hercomponeerde hij nog de Journal Brut-cyclus. "Ik wil al pratend het kerkhof betreden", luidde zijn leitmotief. Dat is hem gelukt. Op 8 september legde Michiels de laatste hand aan zijn roman Maya, maya, die geheel volgens plan op zijn 90ste verjaardag (8 januari 2013) zou verschijnen.

Oorlog en journalistiek

"Het bestaan is geen reis van punt A naar punt B, maar een illustratie van het verend vermogen", zo heeft Michiels wel eens gezegd. Die uitspraak geldt onverminderd voor zijn eigen leven vol artistieke dadendrang én eigenzinnige vitaliteit. Michiels werd als Henri Ceuppens geboren in Mortsel op 8 januari 1923, in een bescheiden, dorps en Vlaams-nationalistisch katholiek milieu, met Kempische roots. Hij beschouwde het als een "grijze tijd", een "vriendelijk maar uitzichtloos bestaan", waar hij wilde uit ontsnappen. Zijn vader werkte bij Agfa-Gevaert. "Heel vroeg had ik het gevoel: ik moet hier weg. De omstandigheden hebben mij dat met de paplepel ingegeven", vertelt hij aan Sigrid Bousset in het onmisbare interviewboek Meer dan ik mij herinner (2011).

Amper zeventien is Michiels wanneer de oorlog uitbreekt en hij er willens nillens in meegesleurd wordt. "Zonder de oorlog zou hij geen schrijver geworden zijn. (...) Schrijvend heeft hij greep willen krijgen op zijn eigen verwarring, vertwijfeling, betrokkenheid", noteert Cyrille Offermans in het speciale Ivo Michielsnummer vanDeus Ex Machina (2011). Spoedig moet Michiels zich als reservist melden bij het Belgisch leger en krijgt hij "een eerste confrontatie met oorlog en geweld". Een paar jaar later ontvangt Michiels een oproepingsbrief van de Arbeidsdienst in Duitsland, waarna hij in Lübeck assisteert bij operaties en de zwaargewonden bij de bombardementen op Hamburg verzorgt. "Het waren hoogst verwarrende ervaringen. Ceuppens werkte in dienst van de vijand, maar hij deed humanitair werk dat leed en pijn van menigeen verzachtte", schrijft Offermans.

Michiels gaf zich ook op voor het Oostfront, maar dook onder toen hij effectief opgeroepen werd. Na de oorlog kreeg hij hiervoor een veroordeling voor één jaar interneringskamp. Michiels kon moeilijk in het reine komen met het feit dat hij in zo'n gevaarlijk rechts vaarwater belandde en deed dat vooral via de literatuur. "Zonder de oorlog, en zonder de gruwelen van de nazi's, had ik geen immens trauma gehad en zat ik niet met dat loodzware schuldgevoel over alles wat we niet op tijd gezien hebben. Ook wie niet weet, draagt schuld", zei hij daarover tegen Margot Vanderstraeten.

Die ontstellende ervaringen doordesemen Michiels' eerste twee autobiografische romans, die hij zelf nadien zal verwerpen: Het vonnis (1949) en Kruistocht der jongelingen (1951), net als de dichtbundel Daar tegenover en de novelle Zo, ga dan (allebei 1947). De invloed van Gerard Walschap is sterk voelbaar. Maar dan werpt Michiels het juk van het katholicisme af en verruimt hij in ijltempo zijn artistieke horizon, naar de Europese avant-garde. "In de jaren vijftig was ik een piepjong journalistje dat moest proberen aan de kost te komen. Ik schreef stukken over beeldende kunst in het Vlaamse Handelsblad, een krant later overgenomen door De Standaard. Ik verdeelde mijn tijd tussen Milaan, Düsseldorf en Parijs en ging daar langs de ateliers", vertelde Michiels in 1995 in NRC. Hij eet van diverse artistieke walletjes, schrijft ook over literatuur en film én introduceerde diverse, latere vooraanstaande kunstenaars zoals Yves Klein, Lucio Fontana, Wifredo Lam en Asger Jorn.

Maar Michiels kreeg het gevoel dat hij zijn kruit verschoot (al prees hij de journalistiek als literaire leerschool): "Mocht ik me via een penseel hebben kunnen uiten, dan was ik inderdaad, hoogstwaarschijnlijk, een schilder geworden. Maar een mens kiest zijn creatieve gave niet. Ik heb de taal niet als materiaal gekozen; het is de taal die zich aan mij heeft opgedrongen. En die aan mij is gaan kleven." Zijn critici zouden hem later wel eens een op zijn spil draaiende taalmystiek verwijten.

Existentialistisch

Vanaf 1957 profileert Michiels zich als 'existentialistisch' auteur met Het afscheid. De basissituatie van het verhaal - de bemanning van een schip mag elke avond aan wal en moet zich 's morgen weer melden zonder te weten of de boot ooit uitvaart - verwijst al naar de 'nouveau roman', die in Frankrijk opgeld maakte. Maar ook zijn mislukte eerste huwelijk vindt een bedding in het boek. Met Het boek Alfa (1963) slaat Michiels resoluut de weg van het formalisme en de abstractie in, het hoofdpersonage blijft naamloos en diffuus, de lezer verliest elk houvast. Op slag is Michiels de godfather van het Vlaamse experimentele roman, hij laat zich nu vaak fotograferen met zwarte zonnebril.

Het boek Alfa roept bitse weerstanden op, maar vangt ook veel lof. "Een klassieker van het niet-klassieke proza", zo betitelt Michielskenner Hugo Bousset het boek. Michiels had er altijd vertrouwen in: "De grootste fout die een schrijver kan maken is zijn publiek, het actuele of het komende, te onderschatten. En al de rest is geduld." (tegen Willem M. Roggeman, 1975). Hij voelde zich deel uitmaken van "De Grote Jeuk", een soort bevrijding: "De roman was te klein. Je wilde alles zeggen en op alle mogelijke manieren. Dat was het plezier van het uitvinden." (interview Knack, december 2000). Orchis Militaris (1968) kreeg zelfs lauwerkransen van Samuel Beckett toegezwaaid.

Michiels brengt zijn teksten vervolgens onder in steeds uitdijende cycli, want "niets heeft in het werkelijke leven een begin, een midden en een einde". Twee monumentale romanreeksen zijn het gevolg. Van 1963 tot 1979 schreef hij de vijfdelige Alfa-cyclus, met daarin onder meer ook Samuel, o Samuel (1973) en Dixi(t) (1979). Tussen 1983 tot 2001 laboreerde hij aan Journal Brut, met onder andere De vrouwen van de aartsengel (1983), Daar komen scherven van (1995), De verrukking (1999). Het klassiek vertelde verhaal legde het loodje, ten voordele van schetsen, bewegingen, sferen, de verdwijning van het 'ik' is compleet.

In de Journal Brut-cyclus verfijnde Michiels deze techniek met lange, associatieve monologen waarin herinnering en anekdote, feit en fictie, verwijzing en citaat in elkaar overvloeiden. Thema's als de oorlog en vaders en zonen zijn prominent. "De filmische kwaliteit van zijn werk is geen toeval", zo noteert Sigrid Bousset in de inleiding tot Meer dan ik mij herinner. Michiels realiseerde overigens ook filmscenario's voor Roland Verhavert en André Delvaux, waarvan het bekendste ongetwijfeld het bekroonde Een vrouw tussen hond en wolf (1979) is gebleven.

En dat Michiels in de jaren zestig en zeventig ook achter de schermen aan de literaire kar trok, wordt wel eens vergeten. Zo vormde hij van 1961 tot 1969 samen met Harry Mulisch, Hugo Claus en Simon Vinkenoog de redactie van het memorabele Randstad, het door De Bezige Bij uitgegeven avant-gardistisch kunst- en literatuurtijdschrift. Later was hij als redactielid nauw betrokken bij het Nieuw Vlaams Tijdschrift en Diogenes. Biografen krijgen dus meer dan de handen vol met dit immer veerkrachtige leven van een genereuze en in de omgang zeer beminnelijke schrijver, die een hekel had aan anekdotiek. "Ik heb mijn hele leven met betekenis proberen te vullen, ik hoop dus dat ook mijn dood betekenis krijgt."

Michiels wordt komende woensdag begraven in 'zijn' Frans dorpje Le Barroux, in de Provence waar hij zijn hart verpandde. De zerk is al jarenlang gereserveerd."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234