Zondag 28/02/2021

Portret van een dame

Leen Huet

Schrik niet wanneer Japanse vrienden u onverwacht, maar toch al met een zekere kennis van zaken, inlichtingen vragen over het Antwerpse voorstadje Hoboken. Daar speelt zich immers een van hun favoriete jeugdboeken af - A Dog of Flanders ('Een hond uit Vlaanderen'), van de Engelse schrijfster Ouida. Naar ik verneem heeft men in Hoboken, verbijsterd door de toevloed van Japanse toeristen, intussen een beeldje geplaatst dat de hoofdpersonen van dit verhaal voorstelt: het knaapje Nello en zijn trouwe hond Patrache, of misschien het knaapje Patrache en zijn trouwe hond Nello.

Zelf heb ik het boek nergens kunnen vinden, maar een goede Japanse vriendin vertelde mij het volgende. Een arm jongetje uit Hoboken droomt ervan kunstenaar te worden en gaat vaak de schilderijen van Rubens in de Antwerpse kathedraal bewonderen. Uiteindelijk sterft het kind van ontbering - ondanks de bijstand van zijn héél aanhankelijke hond - zonder dat zijn droom in vervulling ging. Herinner u die krop in de keel bij De negerhut van oom Tom (de kleine Evangeline! Simon Legree!), bij Alleen op de wereld (de passage met de mijnramp sloeg ik op den duur, als zijnde onverdraaglijk, gewoon over). A Dog of Flanders bezit, zo te horen, een zelfde ontroeringsgehalte. Laat deze Ouida nu ook een favoriete schrijfster van Louis Couperus geweest zijn; een schrijfster die hij zijn leven lang dankbaar gebleven is. In 1923, het jaar van zijn overlijden, memoreerde hij nog: "toen ik vijftien jaar was en Ouida las, lachte ik reeds over de duiveblankzielige heldinnen en de duivelinnen, die hertoginnen waren en in deze romans met echte kanten sleepen over mijlenlange marmeren terrassen aan de Rivièra liepen, een perzik als lunch genietende en beurzen vol goudstukken uitgietende in de hand van een bedelaar, die een dichter was en dus die goudstukken verwierp. Maar tusschen al die onmogelijkheid en onnatuurlijkheid was, zeer dikwijls, de gevoelige styliste aan het woord (...). Nooit heb ik door (andere schrijvers) gevoeld hetgeen ik door Ouida - tòen, ik was vijftien jaar - voelde: is een sterrenhemel, een zonsondergang, een bosch heusch zóó mooi als Ouida zegt?! Ik liep dan een bosch binnen, zag op naar starrenwemeling en zonnesterven en... werkelijk!... zij waren mooi!! Zij waren zoo mooi als Ouida het mij zeide in haar dolle boeken: Tricotrin, Puck, Moths en hoe zij ook heeten mogen." Moths, van 1880, dook op in een Brussels antiquariaat, keurig vertaald in het Nederlands: Motten, en op de aandoenlijkste wijze geïllustreerd. Van de achterflap leerde ik dat deze roman deel uitmaakte van een serie, getiteld 'Ouida's Meesterwerken'. En voor het eerst sinds lang las ik weer een boek met een wrede snoodaard en een reine engel in de hoofdrollen. Een waar en bizar genoegen: het werd al snel duidelijk dat Ouida een goede schrijfster was van slechte boeken - een combinatie waar je lang over na kunt denken. Geestig was in dit geval ook dat Motten een titel is met een geschiedenisje in de Engelse letterkunde. Negenenveertig jaar later gebruikte Virginia Woolf hem als uitgangspunt voor het meesterwerk dat uiteindelijk De golven zou heten.

Ouida (1839-1908) heette in werkelijkheid Marie-Louise Ramé, een naam die ze later verfraaide tot De la Ramée. Het pseudoniem was de kinderlijke verbastering van haar tweede voornaam. Ze leidde een zeer romantisch leven, verdiende schatten met haar romans, gaf schatten uit aan japonnen van de couturier Worth, kunstvoorwerpen, paarden, honden en ontvangsten in haar Florentijnse villa. Toen haar geld op raakte - zoiets burgerlijks als sparen deed ze natuurlijk niet - kwam haar karaktersterkte echt aan het licht: vrienden zonden haar elke dag een maaltijd uit een van de beste Florentijnse restaurants, die ze aan haar honden voerde; zelf leefde ze van thee en beschuit. Die vrienden stuurden haar ook weleens een cheque; dat waardepapier verscheurde ze bij ontvangst.

Couperus bezocht haar nog een keer in haar aftakeling: "Ik heb haar later teruggezien in de Bagni di Lucca: een oude, vervallene, gebogene vrouw, in een versleten zwart gewaad en de sleepende kanten scheurden langs haar heen, en wederom waren er drie, vier honden om haar rond en de honden waren vervallen en oud en ziek als zij. Zij herkende mij zelfs niet en ik bracht haar niet in herinnering, dat ik haar éens had mogen bezoeken en haar gevonden had als een vorstin, tronende tusschen hare gasten..." Haute couture en slepende hertoginnekant kunnen er bijzonder sjofel uit gaan zien, wanneer het geld om ze te vervangen ontbreekt. Ouida ligt begraven op het Engelse kerkhof van Bagni di Lucca. Een anonieme bewonderaarster liet een tombe voor haar houwen: een beeld van de dode rust erbovenop, met een hondje aan haar voeten. 'Schrijfster van onvergelijkelijke boeken', roemt het opschrift.

Ik ben intussen vertrouwd geraakt met de couture van Worth; de heldin van Motten draagt na haar huwelijk niets anders. Voornamelijk met slepende gewaden van olijfgroen en wit fluweel, met zilveren ceintuurs. Juwelen ook, vanzelfsprekend: schier eindeloze strengen parels, een diamant die 'Het Ei Van De Vogel Roc' heet, en een zinnebeeldig snoer van opalen, "als een medaillon hing er eene diamanten roset aan, als eene ster geslepen; onder de ster was eene mot van saffier en paarlen, en onder de mot eene vlam van robijnen." De mot is, grosso modo, de ziel; de ster staat voor het ware, het goede en het schone in deze wereld; de vlam verbeeldt het mondaine kwaad, de valsheid en het gif van het dagelijks bestaan. Vere Herbert, onze heldin, is op haar zestiende aan dat gif geofferd. Toen heeft haar moeder haar gedwongen te trouwen met de brute schuinsmarcheerder Sergius, Prins Zouroff. Schokschouder niet te vlug: Diana van Wales, met al haar jurken en haar rozeteint en haar huwelijksleed, is voor onze tijd precies zo'n romanfiguur geweest. De ongelukkige Vere Herbert zoekt trouwens ook troost in goede werken; zij het dat de hare in alle discretie gebeuren.

Het halssnoer met de mot wordt Vere ter gelegenheid van haar huwelijk toegestuurd door Raphael de Corrèze, een beroemde operazanger die haar eenmaal op het strand van Trouville ontmoet heeft toen zij, pootjebadend, haar kousen en schoenen kwijtgeraakt was. Tussen hen, maar dat wist u al, bloeit een oprechte genegenheid, die eerlang... Vere is aan de sombere Engelse kusten puriteins opgevoed door haar grootmoeder en een Duitse gouvernante; ze houdt van Grieks en wiskunde, plantkunde en paardrijden. Van Lady Dolly, haar mondaine moeder, krijgen we op de eerste bladzijden van het boek al deze karakteranalyse: "Zij bezat alles wat het genoegen van eene vrouw, die in kringen als de hare verkeert, kan uitmaken. Zij was te Trouville. Zij had aan de speeltafel veel geld gewonnen. Zij had bij de wedrennen voordeelige zaken gedaan met weddenschappen. Zij had hare grootste mededingster een knorrig gezicht zien zetten in een kleed, dat haar niet goed stond." Lady Dolly is niet bepaald blij met de overkomst van haar dochter. "O, was zij maar een jongen! Jongens gaan naar Eton, en als zij in ongelegenheid komen, helpen mannen hen er uit; en men kan ze gebruiken om mee naar den schouwburg te gaan of als een geleide, waar niemand iets op te zeggen kan hebben. Maar eene dochter!" Dochters zijn concurrenten; dochters hebben dure jurken nodig, evenals mama; dochters moeten goed uitgehuwelijkt worden.

Vere wordt op zogenaamd sluwe wijze, maar in feite alleen omdat Ouida van sterke contrasten houdt, aan Sergius Zouroff, de ex-minnaar van haar moeder, gegeven. Ouida zag het gearrangeerde, mondaine huwelijk wel in het juiste licht: Vere voelt zich als een stuk vee op de markt, verkocht voor veel geld en een goede titel. Met dat uitgangspunt zou je een prima boek kunnen schrijven: Edith Wharton en Henry James deden het vele malen. Ouida pakte het aan zoals haar tijdgenoten Alma Tadema en Lord Leighton schilderden: ze kleedde het allemaal veel te mooi in - aantrekkelijk, maar afstotelijk. Dat de lijdende Vere op ogenblikken van extra pijnlijke confrontaties met haar heer en meester telkens weer de zoetparelende tenor van Corrèze onder haar marmeren terras op hoort klinken, of een boeket blauwe gentianen van hem aangereikt krijgt (die hij zelf op Alpentoppen voor haar geplukt heeft), of hem plotseling opmerkt in het roeibootje naast het hare, werkt behoorlijk komisch.

Ik geef toe dat ik op een bepaald moment wat vooruitgebladerd heb. Toen ik aan het einde van het tweede deel de prent zag waarop Raphael de Corrèze na een duel uit zijn keel bloedend terneer is gezegen, terwijl Sergius Zouroff vol verachting op hem neerkijkt, besloot ik dat het met de liefde tussen deze nachtegaal en zijn blanke zwaan, zijn witte roos, niets kon worden. En daar vergiste ik me. Ouida stelt haar heldin aan vele verleidingen bloot - neem toch ook wat amants zoals die andere vrouwen, niemand die je echtgenoot kent zal het je kwalijk nemen - alleen om haar zuiverheid des te opvallender voor het voetlicht te brengen; maar wanneer echt aan haar nachtegaal geraakt wordt, ontsnapt Vere tot mijn stomme verbazing uit de Poolse burcht waar Zouroff haar opgesloten heeft en reist naar haar aanbidder. Ja, en ze leefden nog lang en gelukkig samen. Het deed toch plezier.

Ik zou Motten geen roman noemen, eerder een sprookje met wat te veel realistische elementen erin. Couperus had gelijk: ondanks alles wat je zo doodeenvoudig op Ouida aan kunt merken, spreekt er een rare integriteit uit dit boek. Neem deze uitspraak van Corrèze: "Als er maar éene roos op deze wereld was, zou het menschdom voor hare schoonheid knielen. Ik denk soms of onze ondankbaarheid voor het schoone God niet beleedigt. Het moet zelfs voor den Schepper krenkend zijn zijne gaven veronachtzaamd te zien. Wat dunkt u daarvan?" Ouida veronachtzaamde niets: haar natuurbeschrijvingen zijn inderdaad prachtig. Deze schrijfster van kasteelromans bezat zelfs een sociale tact die ook vandaag nog maar weinigen gegeven is. "'Trek, als gij wilt, een alledaagsch kleed aan voor de koningin,' placht haar grootmoeder te zeggen, 'maar ga in uwe beste kleeding naar de armen, als gij hen niet wilt krenken.' (...) Liefdadigheid in verschillende vermommingen is eene indringster, die de armen dikwijls zien; maar beleefdheid en kieschheid vereeren hen zelden met een bezoek." Voor Ouida zelf zouden het profetische woorden blijken.

Als ik nog een boek van haar vind, koop ik het.

Ouida, Motten, naar het Engelsch door C. Baarslag, 2 delen, vierde druk met 8 platen, D. Bolle, Rotterdam, zonder datum. Librairie Hervé Renard, Spoormakersstraat 71, Brussel. 350 frank, niet in voorraad. Lezenswaardig: F. Bastet, 'Ouida en Louis Couperus', in Maatstaf, 1982, 4, pp. 1-27. Couperus' roman Eline Vere puilt uit van de openlijke en verborgen verwijzingen naar Ouida.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234