Dinsdag 19/01/2021

Portret van de schilder als jonge hond

Antoon van Dyck was een wonder-kind. En een lefgozer. Tussen zijn 15 en 22 maakte hij minstens 160 schilderijen, die van virtuoos talent en mateloze ambitie getuigen. In het Prado in Madrid loopt een prachtige tentoonstelling, die laat zien hoe de jonge Vlaamse schilder zijn weg zocht. En onder de slagschaduw van Rubens uit kwam.

Men noemt Antoon van Dyck (1599-1641) wel eens de Mozart van de schilderkunst. Dat is niet zomaar uit de lucht gegrepen. De schilder en de componist hebben hun schijnbaar achteloze virtuositeit gemeen. En hun grote productie. Bovendien was Van Dyck net als Mozart een wonderkind. Beiden werden ook niet oud: Mozart 35, Van Dyck 42.

Het is dan ook een voortreffelijk idee om een tentoonstelling te maken over de vroegste jaren van Van Dyck en de bildung van deze vroegrijpe schilder nader te bekijken. In het Prado van Madrid wordt gefocust op de periode tussen 1615 en 1621: dat zijn de jaren die Van Dyck in zijn geboortestad Antwerpen doorbrengt, op een kort verblijf in Londen na. Begin oktober 1621 vertrekt Van Dyck naar Italië.

In zeven jaar tijd - tussen zijn vijftien en 22 - maakt Van Dyck circa 160 schilderijen (dat is althans het aantal dat tot ons is gekomen). En dan hebben we het niet eens over zijn vele schitterende tekeningen en voorbereidende schetsen. "Op zijn 22ste had Van Dyck een groter en meer voldragen oeuvre geproduceerd dan vele kunstenaars in een heel leven", zeggen de samenstellers van de tentoonstelling, Alejandro Vergara, specialist Vlaamse schilderkunst van het Prado, en Friso Lammertse, conservator oude meesters van het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen. "Als Van Dyck alleen maar tijdens die periode had geschilderd, dan zou hij nog altijd tot de belangrijkste schilders van de 17de eeuw behoren."

Zelfportret

Het is van 1980 geleden dat een tentoonstelling focust op de vroege jaren van Van Dyck. Dat gebeurde in Ottawa, in de National Gallery of Canada. Nu pakt het Prado uit met een ronduit magistrale expositie. Het museum in Madrid is trouwens bij uitstek geschikt voor een dergelijke onderneming, omdat geen enkel ander museum ter wereld zo veel jeugdwerk van de Antwerpse barokmeester bezit. 'Jeugdwerk' is overigens een misleidende term, want deze expositie bewijst met 50 schilderijen en 42 tekeningen uit tal van internationale collecties dat het vroege werk van Van Dyck meteen sterk en volwassen is. Het Prado toont ook aan - en dat maakt deze expo zo boeiend - dat Van Dyck in die beginperiode zoekt en tast, diverse stijlen, genres en soorten composities uitprobeert en zijn persoonlijk stempel vooral drukt in zijn stijl. Kortom: Antoon Van Dyck was veel meer dan de getypecaste elegante, hoofse portretschilder.

El Joven Van Dyck (de jonge Van Dyck) begint met het adembenemende zelfportret dat Van Dyck omstreeks 1615 schilderde toen hij zestien was. Het is maar 25 bij 20 centimeter groot, maar het maakt een enorme indruk. Het is met lef en bravoure geschilderd. De jonge Van Dyck kijkt zichzelf onderzoekend aan in de spiegel. Tegelijk kijkt hij zelfbewust naar ons, eeuwen later. Hij schildert zichzelf in alle eenvoud, zonder attributen: een licht blozend gezicht en wilde haren tegen een donkere achtergrond. Opvallend is de textuur: een korrelig geschilderd licht valt op zijn voorhoofd, net boven zijn rechteroog. Maar het is vooral een brute witte streep die de aandacht trekt: ze moet de kraag van zijn hemd suggereren, boven en op een bontkraagje. Als visitekaartje kan dit zelfportret tellen.

Voor alle duidelijkheid: er zijn zeer weinig kunstenaars die zo jong zo veel talent tentoonspreiden. Dürer tekende een zelfportret in 1484 toen hij dertien was, en Picasso werd op dezelfde leeftijd toegelaten tot de academie van Barcelona. Maar dat zijn uitzonderingen. Vergelijk het met het stuntelige werk van de jonge Rubens en Rembrandt en de hardnekkigheid waarmee Van Gogh oefende om het schilderen onder de knie te krijgen.

Maar terug naar het Prado. Na Van Dycks zelfportret vallen we van de ene verbazing in de andere. De schilder gaat meteen voor het grotere werk, zowel qua thema als qua omvang. En hij zoekt. In de jaren 1616-'18 schildert hij De heilige Hiëronymus, De aanbidding van de herders en De intrede van Christus in Jeruzalem. Hier en daar botst zijn tomeloze ambitie nog op de grenzen van zijn anatomische kennis. Maar eigenlijk is dat bijzaak. We zien een schilder die denkt in verf.

Nu eens kiest hij voor de korrelige, ruwe textuur van Titiaan - een van zijn grote voorbeelden - dan weer voor de gladde penseelvoering met nauwelijks zichtbaar borstelwerk - zoals Rubens, dat andere grote voorbeeld. De ene keer besteedt Van Dyck aandacht aan het volume van zijn personages (Rubens), de andere keer gaat hij vooral voor snelheid, suggestie en zwierigheid (Frans Hals). Nu eens is zijn werk idealiserend (alweer: Rubens), dan weer vallen de naturalistische, ruwe, volkse koppen en lijven op. Dat laatste haalde Van Dyck ongetwijfeld bij Caravaggio. Van Dyck zoekt en onderzoekt, en gebruikt meerdere stijlen in één tafereel. Zijn composities zijn soms een variatie op die van Rubens.

Carolus Borromeus

Rubens, de naam is al enkele keren gevallen. Rubens was de meester bij wie Van Dyck vermoedelijk vanaf 1617 werkte. Is hij, na een korte periode bij Hendrik van Balen, ook in de leer geweest bij Rubens? Of werd hij, door zijn opmerkelijk talent, meteen medewerker of zelfs assistent van de grote barokschilder? Helaas weten we erg weinig over Van Dycks vroege jaren. Er is alleen het werk. Het vroegste document dat naar een samenwerking verwijst dateert van 29 maart 1620: Rubens signeerde die dag het contract voor de plafondschilderingen van de Carolus Borromeuskerk in Antwerpen. De ontwerpen waren van Rubens, de uitvoering was in handen van hemzelf en van "Van Dyck met enkele andere leerlingen".

In 1618 had Van Dyck zijn eerste belangrijke opdracht gekregen: een Kruisdraging, die deel uitmaakte van een vijftiendelige reeks over de 'Mysteriën van de Rozenkrans'. Het werk hangt normaal hoog in de Sint-Pauluskerk in Antwerpen. In het Prado is het van zeer dicht te bewonderen, en dat is een buitenkans. Het is een grof geschilderd paneel, vol power en dynamiek. De ook in het Prado getoonde voorbereidende schetsen laten zien hoezeer Van Dyck piekerde en als een regisseur diverse composities uitprobeerde alvorens definitief aan het werk te gaan. Hij schilderde snel, maar doordacht.

Van Dyck bestreek moeiteloos de hele waaier van genres: in het Prado hangen een erotische mythologische scène waarin een duivelse Jupiter de nietsvermoedende Antiope verschalkt, een ronduit magistrale dronken Silenus, achter wiens rug zich geilheid en vulgariteit afspelen, een duister, gewelddadig met verzadigde kleuren opgebouwd Verraad van Christus, en een everzwijnjacht (samen met Frans Snyders), boordevol snelheid. Van Dyck overtuigt in de compositie maar ook in het detail: een rimpelige hand, een oplichtende armband, een boerse vuile duimnagel.

Naar het einde van de expositie duiken alsmaar meer elegante portretten op, zwierig geschilderd, met aandacht voor realistische details, waaronder dat van de Antwerpse specerijenhandelaar en mecenas Cornelis van der Geest (1620) - een ronduit subliem werk - en dat van Isabella Brant (1621), de eerste echtgenote van Rubens. Blijkbaar heeft Van Dyck op dat moment zijn 'stijl' gevonden.

Vragen

Maar er blijven veel vragen smeulen. Hoe gingen Rubens en Van Dyck met elkaar om? Was Van Dyck in zijn vroege jaren bezig met zijn positionering tegenover Rubens? Moest hij als assistent de meester 'imiteren'? Vond Rubens dat Van Dyck een troonpretendent was? Heeft hem hem daarom in de richting van het portret geduwd, een minderwaardig genre? Moest Van Dyck weg? En: hoe groot is het aandeel van Van Dyck in enkele beroemde Rubensschilderijen, zoals De lanssteek? We weten er voorlopig weinig of niets over.

Volgens de neef van Rubens was Van Dyck wel de enige leerling die behandeld werd als een lid van de familie. En Rubens bezat veel werk van Van Dyck - een blijk van bewondering. In Rubens' nalatenschap zaten meer dan tien werken van Van Dyck. Het is uit die nalatenschap dat de Spaanse koning Filips IV veel kocht. Zo is Van Dycks 'jeugdwerk' in de collectie van het Prado terechtgekomen.

De tentoonstelling De Jonge Van Dyck is er één om in te lijsten. De expositie toont een ándere Van Dyck, een mateloos ambitieuze schilder op zoek naar zijn stijl, zijn handelsmerk. De schilderijen krijgen ruimte, de ophanging is rustig en gevarieerd. De zaalteksten zijn in het Spaans en Engels, net als de voortreffelijke catalogus.

Het is op de valreep een van de toptentoonstellingen van 2012. En, nu al, van 2013. Het is alleen onbegrijpelijk dat een dergelijke baanbrekende expositie niet in ons land te zien zal zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234