Maandag 17/05/2021

Pornografische farces en voddige kleren

Cultuurkritiek van Theodore Dalrymple & Curtis White

Cultuurcritici krijgen al snel de naam wereldvreemd te zijn, elitair en/of parasitair. In twee nieuwe, zeer gevarieerde doorlichtingen van de westerse cultuur reiken Theodore Dalrymple en Curtis White zeer verschillende vluchtroutes aan.

Theodore Dalrymple

Beschaving, of wat ervan over is

Oorspronkelijke titel: Our Culture, What's Left of It: The Mandarins and the Masses

Vertaald door Ronald Kuil

Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 352 p., 24,95 euro.

Curtis White

Het doorsneedenken. Een cultuurkritiek

Oorspronkelijke titel: The Middle Mind

Vertaald door M. Snijders

De Arbeiderspers, Amsterdam, 239 p., 17,95 euro.

De Brit Theodore Dalrymple en de Amerikaan Curtis White zijn twee hedendaagse denkers die zich van de vooroordelen tegen cultuurcritici niets aantrekken. Zij denken tegen het bestel in, hoe glibberig, sluw en manipulatief dat bestel ook is, en zijn niet bang om conservatief (Dalrymple) of nostalgisch (White) genoemd te worden. In Dalrymples wat dramatisch getitelde Beschaving of wat ervan over is worden vooral de gemakkelijke consumentencultuur en de 'gepamperde' levensstijl aangevallen, in Whites boek over Het doorsneedenken wordt vooruit gedacht, op zoek naar een alternatief voor de vermarkte en verplatte samenleving.

Zowel Dalrymple als White zijn niet voor één gat te vangen. Ze worstelen met de trends en fenomenen die hen omringen én raken, en dat zijn er veel en ze zijn zeer verschillend. Hun kritiek steunt wel degelijk op een literair-filosofisch referentiekader: bij Dalrymple veel Shakespeare, bij White veel Wallace Stevens - de moeilijke, sterke Amerikaanse dichter van onder meer 'The Man with the Blue Guitar' (uit 1937). Maar ze vertrekken niet van een dogma, een utopie, of een of ander rood boekje - ze schrijven vanuit hun ervaring. Dalrymple valt onder meer over de ontsporing van de seksualiteit en de legalisering van drugs; White tackelt onder meer de neoconservatieven in het Witte Huis en de vlakke cinema van Steven Spielberg. In een aantal van de betere stukken uit zijn bundel schrijft Dalrymple uitvoerig over de perverse gevolgen van de verzorgingsstaat, die volgens hem de mens te veel pardonneert wanneer hij zélf stommiteiten begaat. White gaat dan weer uitgebreid in op de ideeën over de cultuurindustrie van Richard Florida, auteur van de bestseller The Rise of The Creative Class (en inspiratiebron voor onder meer Bart Somers). Hij bekritiseert de hippe denkbeelden met een pijnlijke paradox, die meteen ook zijn centrale punt - de authentieke, vaak dwarse creativiteit - in de schijnwerpers zet: "Werknemers moeten tegenwoordig slim genoeg zijn om creatief te willen en kunnen zijn, maar dom genoeg om te denken dat de huidige economische ordening werkelijke creativiteit mogelijk maakt." Beiden nemen de maatschappelijke ontwikkelingen ernstig en alle twee proberen een alternatief aan te reiken: bij Dalrymple komt het neer op een combinatie van zelfredzaamheid en respect voor de traditie; bij White gaat het over de kracht van de verbeelding, als motor van een tegencultuur. Hoeveel raakvlakken er ook zijn tussen beide denkers, toch is het boek van White een stuk overtuigender en consequenter dan dat van Dalrymple.

Theodore Dalrymple is een Britse arts die met zijn stukken voor The Spectator en The Daily Telegraph in eigen land een breed publiek weet te bereiken. In ons taalgebied werd hij vooral bekend met zijn boek Leven aan de onderkant, over zijn werk als psychiater in een ziekenhuis en een gevangenis in de probleemwijken van Birmingham. Dat Dalrymples denkbeelden vooral in Nederland aanslaan, schrijft de Nederlandse inleider Chris Rutenfrans toe aan zijn virulente kritiek op het cultuurrelativisme, die bij onze noorderburen zoals bekend op veel aandacht kan rekenen: "Dat cultuurrelativisme wordt door Dalrymple verantwoordelijk gehouden voor de groei en de apathie van de onderklasse en voor de enorme toename van de criminaliteit in de afgelopen veertig jaar."

Dat klopt, al gaat Dalrymple in tegen élk relativisme, en is hij in dit boek nog meer gekant tegen een ethisch-artistiek relativisme dan tegen een cultuurrelativisme, in de multiculturele betekenis die daar meestal aan wordt gegeven. Herhaaldelijk benadrukt hij de waarheid dat het overschrijden van grenzen an sich geen prestatie is, en dikwijls zelfs een slecht idee. Hij heeft dan ook geen goed woord over voor moderne en postmoderne vragenstellers: "Ik kwam erachter dat de hartstocht om kapot te maken helemaal niet 'óók' opbouwend is, zoals de befaamde maar dwaze uitspraak van de Russische anarchist Bakoenin luidde, maar al snel een eigen leven gaat leiden, los van enig ander doel, en zich louter bezondigt aan het plezier van het kapotmaken." Verwijzend naar zijn ervaringen op verschillende continenten (hij werkte onder meer in Afrika en Azië), beseft hij naar eigen zeggen de waarde van de westerse verworvenheden pas ten gronde. In een township in Zimbabwe keert hij zich zelfs tegen onfatsoenlijke kleren: als product van de hogere westerse samenleving was hij er altijd van uitgegaan dat "een slordig uiterlijk een teken was van geestelijke superioriteit", maar een hardwerkende, arme hoofdzuster die haar huis goed op orde heeft doet hem het licht zien: voddige kleren vol scheuren zijn een "perverse bespotting" van de armen: "het is spugen op de graven van onze voorvaders, die zo hard en zo lang hebben moeten zwoegen opdat wij het warm zouden hebben, en schoon en gevoed zouden zijn".

Naast die al te reactionaire uitschuivers (die vooral irrelevant zijn: in het avondland zijn er ergere beledigingen dan stonewashed jeans) steunt Dalrymple ook irritant vaak op de autoriteit die hij als arts en wereldreiziger heeft. Zo heeft hij het weleens over de mensen die hij aan de dood helpt te ontsnappen ("Als gevangenisarts red ik een paar levens per jaar"), om dan van de weeromstuit het belang van kunst te verdedigen in weerwil van de schijnbare futiliteit ervan. Goede kunstenaars (en voor Dalrymple zijn dat onder meer de schrijvers Shakespeare en Toergenjev, de schilderes Mary Cassatt en de karikaturist James Gillray) brengen namelijk het geloof tot uitdrukking dat de "beschaving de barbaarsheid" overstijgt. Als kunstopvatting is dat nogal beperkt en als levensmotto vrijwel zinledig, want wat is beschaafd en barbaars? Theodore Dalrymple kan daar zonder argumenten nooit afdoend alléén over beslissen.

Bovendien heeft hij het niet begrepen op intellectuele feministen, bizarre homo's en echtscheidingen. In zijn hatelijke stuk tegen Virginia Woolf schrijft hij naar aanleiding van een van haar opmerkingen: "Ik moet bekennen het idee van Virginia Woolf als tippelaarster onder de lampen van Piccadilly Circus onweerstaanbaar grappig te vinden." En niet lang nadat hij zich heeft beklaagd over barbaarsheid bij voetbalsupporters ("Grofheid is helemaal in"), gaat hij zelf over de schreef in een hoofdstukje over prinses Diana, met een terloopse opmerking over Elton John, ("die enge gek, met zijn geïmplanteerde pruik"). Van iemand die de mond vol heeft van decorum en beschaving klinkt dat niet echt overtuigend, hoe terecht zijn kritiek op de maatschappelijke excuses van drugsverslaafde tienermoeders ook moge zijn. In verband met een officiële Britse brochure over de voor- en nadelen van een huwelijk schrijft hij: "Wat voor toekomst heeft een land waarvan de regering meent dat de bevolking verteld moet worden dat een huwelijk soms op een breuk kan uitlopen?"

Curtis White kan niet bogen op de wereldwijde levenservaring van Dalrymple, maar wel op een scherp intellect en meer ideologische culot. White heeft een aantal bekroonde romans op zijn naam staan, en zowel Paul Auster als David Foster Wallace werden bereid gevonden om lovende woorden op de flap te zetten. In zijn verhaal tegen het "doorsneedenken" voert hij een strijd op drie domeinen: tegen het breed-culturele doorsneedenken zelf (een "pragmatisch, recht-door-zee, populistisch" denken, dat van cultuur eenheidsworst maakt), tegen de academische orthodoxie (met nietszeggende doctoraten over cijfers na de komma, "een soort Dungeons and dragons met doctorstitels") en tegen de politieke ideologie ("ik hoop dat ik bijna niets hoef te zeggen over de apparatsjiks die we onze volksvertegenwoordigers noemen, maar die doen wat hun bazen, de grote ondernemingen, zeggen"). Uiteindelijk is zijn pleidooi een "verhaal over in hoeverre de kunst in staat is tot sociaal verzet en uiteindelijk over strategieën voor de organisatie van dat verzet".

Voor een Nederlandstalig publiek is het jammer dat hij in zijn eerste hoofdstuk een bij ons onbekende Amerikaanse radioshow aanvalt: Fresh Air is een populaire entertainmentshow die zowel highbrow auteurs als soapacteurs uitnodigt, te vergelijken met De laatste show hier, maar dan toch nog net iets minder ongevaarlijk. Hier lijkt Whites kritiek sterk op wat de Franse filosoof Alain Finkielkraut zo'n twintig jaar geleden al schreef over de culturele nivellering in De ondergang van het denken. Maar Fresh Air plaatst niet alleen slechte soaps en complexe literatuur op hetzelfde niveau, het is volgens White vooral ook in de verkeerde dingen geïnteresseerd. White noemt het programma onomwonden een "pornografische farce": wanneer Alan Ball, de schrijver van de schitterende serie Six Feet Under, op bezoek komt, gaat het niet over Six Feet Under, maar over een auto-ongeluk van Ball, waar hij levend uitkwam, terwijl zijn zuster aan het stuur overleed. Whites belangrijkste tegengif, het "zelfbewustzijn dat door lezen ontstaat", staat bij hem voor de kracht om op een creatieve manier in een steeds veranderende wereld te leven. Aan de andere kant, de kant van de kunstenaar, geldt een soortgelijk belang van het imaginaire - niet de conventies van de Hollywoodfilm zijn belangrijk, maar de oorspronkelijke vormen, die van binnenuit het kunstwerk doen ontstaan (de Duitse filosoof Theodor Adorno is een duidelijke inspiratiebron).

Het doorsneedenken is een heel breed en een heel rijk boek, met een verrassende keuze van onderwerpen en mikpunten. White schrijft zeer enthousiasmerend over Kid A van Radiohead ("het aantrekkelijkst in de kunst van Radiohead zijn de momenten waarop de groep erin slaagt de eigen stem, (...) te laten uitstijgen boven de geconventionaliseerde onvrijheid van hun medium, popmuziek"), hij valt de "culturele studies" op letterenfaculteiten aan ("De teloorgang van het lezen op de universiteit is grotendeels een consequentie van de opkomst van culturele studies"), alsook een Anciaux-achtig kunstbeleid dat moet leiden tot sociale actie ("Dit is zonder twijfel een deugdzame kunstenaarsvisie, maar het is ook een recept voor slechte kunst.") Hij gebruikt het werk van de filosoof Paul Virilio om "de grote Amerikaanse rampenmachine" te verklaren, treurt om het tanende belang van poëzie ("Poëzie is een soort feng shui voor de geest geworden") en pleit, met de filosoof Jacques Derrida, voor metafysica: "Velen zullen deze stelling niet prettig vinden klinken, maar de onvermijdelijke waarheid is dat we de keuze hebben tussen zelf metafysica bedrijven of ons er door de andere kant mee laten bewerken, met consequenties die ons niet zullen bevallen." Vaak provocatief, grossierend in bekende en minder bekende referenties en steunend op een heldere visie, slaagt White erin om een positief alternatief aan te reiken, waar Dalrymple uiteindelijk toch niet veel meer weet te verzinnen dan "dat een beschaving evenveel onderhoud als verandering behoeft". Dat laatste is ongetwijfeld waar, maar het is zeer twijfelachtig of dat genoeg is.

Bert Bultinck

Beide auteurs vertrekken niet van een dogma, een utopie, of een of ander rood boekje - ze schrijven vanuit hun ervaring

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234