Zondag 25/10/2020

Pom

‘Ik leef tegen mijn goesting’

De oudste nog levende Vlaamse stripauteur heeft een broertje dood aan interviews. De afgelopen decennia kwam er dan ook zelden pers over de vloer, en wie wel mocht komen, kon zo weer worden weggestuurd. Onlangs besloot Pom om zijn pr dan toch te verzorgen. Deze week werden zijn geesteskinderen Piet Pienter en Bert Bibber immers zestig jaar. Een verrassend gesprek over de kwalijke reputatie die hij meedraagt, zijn muze, de oorlog, de dood, het leven en zijn papieren helden. door Geert De Weyer

Nijlen, zondagnamiddag. Een loeiharde ‘Für Elise’ op xylofoon galmt na een druk op de deurbel minutenlang door de hal van de bescheiden, wat onderkomen bungalow van Pom, alias Jozef van Hove. “Ik hoor niet meer zo goed”, verduidelijkt de 91-jarige stripauteur. Hij opent de deur in zijn bekende voorkomen: met warrig grijswit haar, dikke bril, kraaknette witte stofjas en dampende pijp, bungelend in de rechtermondhoek. Pom gaat ons voor naar de voorkant van het huis. Schuifelend, klagend ook. “Ik voel me niet goed.” Hij trekt zijn neus op. Kucht. Een valling. “En ik ben al oud, dan voel je dat heviger.”

Het is broeierig warm in de kleine woon- en eetkamer. In de hoek staat een professionele telescoop (“maar die gebruik ik nog zelden”), op zijn bureau liggen een dichtgeklapte laptop (“Ik heb mezelf eens - hoe heet dat? - op internet bezocht, en och god, ik heb toch nog veel fans, hé”) en enkele exemplaren van Grenz-Echo, het grensblad van Eupen-Malmedy en meteen het enige blad waarop hij geabonneerd is. Aan de muur hangen, naast foto’s van zijn overleden levensgezellin Mieke en een Vlaamse Leeuw achter glas, enkele originelen van zijn stripreeks. ‘Pom, fenomeen van de stripwereld’, kopt een kader.

“Mannekelief toch, wat komt gij hier eigenlijk zoeken?”, begint hij. “Mijn strip interesseert toch niemand meer.” Toch ondergaat hij twee uur lang ogenschijnlijk gedwee een spervuur van vragen. In die tijdspanne werpt Pom het wapenarsenaal van een verbitterde man in de strijd. Hij gromt, bromt, zucht en herhaalt voortdurend dat niks hem nog wat kan schelen. “Ik zal blij zijn als het gedaan is”, klinkt het. En tegen de fotograaf: “Gij zijt ne sympathieke mens, maar ook erg ambetant.” Het maakt deel uit van een zeker showelement dat de weinige journalisten die de afgelopen jaren bij hem binnen mochten (en niet teruggestuurd werden), moeten ondergaan. Wie die interviews leest, komt zelfs woordelijk dezelfde antwoorden tegen. Ingestudeerd, zo lijkt het wel. Pom hanteert oneliners waarvan hij weet dat het journaille ze leuk vindt.

Pas later zal blijken dat de stripauteur de afgelopen weken, voor het eerst in zijn leven, verschillende interviews heeft toegestaan. Of hij dan toch niet stilletjes geniet van al die aandacht? Niet echt. Antwerpen was van plan om een stripmuur rond zijn karakters op te trekken, maar Pom hield de boot af. Nijlen wilde een standbeeld oprichten van Piet Pienter, Bert Bibber en Susan, maar ook daar stak hun geestesvader een stokje voor. “Als ik aandacht had gewild, was ik wel in het theater gegaan”, briest hij. “Ach, ik ben een hartvreter. Een urk. Hoezo, u kent dat niet? Iemand die tegen zijn goesting leeft en niemand kan uitstaan. Voilà.”

Maar wie verder kijkt dan het gebrom bemerkt de fijne lachjes en cynische, soms gitzwarte humor die hij, subtiel maar duidelijk aanwezig, de ether instuurt. En evenzeer werpt hij zijn zachte, vriendelijke kant in de strijd. Zo neemt hij het niet dat zijn interviewer “kraantjeswater” antwoordt op de vraag wat hij wil drinken, er meteen aan toevoegend dat hij koffie noch alcohol nuttigt. “Nu ben ik geschoffeerd”, klinkt het ernstig, en het gesprek zit daardoor zelfs even muurvast. Een volle vijf minuten later lijkt ons antwoord wel gebetonneerd in zijn brein. Hij zoekt naar een manier om zich uit de ongemakkelijke situatie los te wrikken en uiteindelijk schuifelt hij naar de keuken om sinaasappelen te persen. Excuses volgen. “Vroeger, toen ik nog samenleefde met Mieke, ontving zij de gasten. Ik ben daar niet goed in. Ik heb ook niets in huis.” Het is op dat moment dat Pom zich van zijn gevoeligste kant laat zien. “Ondanks de humor in Piet Pienter en Bert Bibber ben ik altijd een triestigaard geweest. Maar toen zij zeven jaar geleden stierf, was ik het helemaal. Zonder haar ben ik niks, niets interesseert me nog. Ik zit elke dag te schreien om haar. (op harde toon) Ik zou ’s avonds willen gaan slapen en ’s morgens dood opstaan. Ik leef tegen mijn goesting. Maar ik ben niet gek, hé. Ik ga me niet van kant maken. Ik val nog liever dood.”

‘Ne zwarte’

Drieënhalf miljoen albums gingen er sinds de jaren vijftig over de toonbank, maar de generatiegenoot van Willy Vandersteen, Jef Nys, Bob De Moor en Marc Sleen behoorde nooit tot de zogenaamde ‘Grote Vlaamse Vier’. Misschien bekleedde hij wel de vijfde plaats. Zeker is dat zijn persoonlijkheid en zijn aversie tegen aandacht in zijn nadeel hebben gespeeld. Hij zocht geen contact met andere stripmakers, joeg menig uitgever in de gordijnen en bezocht niet één keer in zijn leven een stripbeurs. “Niet nodig”, vond Pom. “Ik ben een einzelgänger. (streng) Met puntjes op de ‘a’, hé, mateke!”

Nochtans heeft het niet veel gescheeld of Pom was helemaal geen tekenaar geweest. Hij werd het toch. Dankzij en ondanks de oorlog. Het maakte van hem de verbitterde man die hij zelf zegt te zijn. En laat nu net die verbittering aan de basis van zijn tekenaarschap liggen.

“Ons gezin was, hoewel we erg Vlaamsgezind waren, geabonneerd op Le Vingtième Siècle, het weekblad waar Kuifje in werd gepubliceerd. Fantastisch. Ik wilde ook striptekenaar worden, maar mijn moeder was toen al gestorven en mijn pa, een schoolmeester, was iemand van de ouwe tijd. Een heel strenge man. Zo eentje met een Kaiser Wilhelmsnor. Ik kreeg meer slaag dan eten, en ik kreeg véél eten. (grijnst) Maar goed, hij vond stripauteur geen beroep. Ik moest ingenieur worden, zoals mijn oudere broer. Hij stond toen bekend als een radiopioneer, en hij gaf me zin om dat ook te worden. Ik heb de vakschool afgemaakt en kwam in 1940 nabij Berlijn bij Blaupunkt terecht - gelukkig niet in de fabriek, maar in het lab. Met avondlessen heb ik daar in 1944 mijn diploma kunnen halen. Maar toen ik uit Duitsland terugkwam, vloog dat diploma meteen de vuilnisbak in. Het telde niet. Het is te zeggen: ik heb een tijd als ingenieur gewerkt, maar ze betaalden me niet. Waarom? Ik was ne zwarte. Luister, ik heb niet veel verstand, maar toch genoeg om Hitler een bandiet te vinden. Toen ook al. Maar ik had het wel voor de Duitsers, omdat ze de grootste sukkelaars van de hele oorlog waren. In 1940 was ik soldaat, maar wij Belgen waren er sneller van af. Ik leef ook nog. Hoeveel van mijn Duitse generatiegenoten kunnen dat zeggen? En wees gerust: die mensen daar vervloekten Hitler. Dat is toch te begrijpen. Hun man en vader was weg. Sukkelaars! Er was maar een klein percentage echte smeerlappen: de SS, de partijmannen. Die werden gehaat, maar dat kon niemand laten zien.

“Na de oorlog, toen ik terugkwam in België, hebben ze me een jaar in de bak gestoken. Het was in die tijd al genoeg dat je ruzie had met je buur. Die gaf je aan en je kon meteen de bak in. Je erin krijgen was makkelijk, je eruit krijgen moeilijk. Dat was nogal een tijd. Mijn papieren kwamen ook uit Duitsland. Op die documenten stond zo'n adelaarsstempel. Dat was al genoeg om me te verdenken. Mannekelief toch. Maar goed, eigenlijk vond ik het jaar dat ik soldaat was nog veel erger dan het jaar dat ik in de bak zat. Maar je begrijpt wel waarom ik zo anti-Belg ben geworden. Ha, ik had niets gedaan! Daardoor ben ik uit, zeg maar, moedwilligheid en verbittering mijn jeugddroom beginnen voortzetten. Daar kwam ook kritiek op. Ze zeiden dat ik maar beter voor mijn vrouw en kinderen zou gaan werken. Maar ik heb volgehouden en ik mag wel zeggen dat ik erin geslaagd ben, niet?”

Volks en ouderwets

Zijn eerste tien verhalen breekt hij anno 2011 evenwel genadeloos af. “Voor ik bij de Gazet van Antwerpen terechtkwam, tekende ik mijn reeks voor Het Handelsblad, een krant met een veel kleinere oplage. Als ik dat tekenwerk met de ogen van nu had kunnen bekijken, dan was ik ingenieur gebleven. Verschrikkelijk. De Kimpe, de directeur van Het Handelsblad, zei me dat ik een amateur was. Maar toen ik daarop mijn hele verhaal hertekende, nam hij me toch aan. Helaas was het een arme gazet, ze konden me niet veel betalen. De Kimpe heeft me na enkele jaren zelfs geholpen om voor de Gazet van Antwerpen te beginnen. Daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor. De fijnste mens die ik ooit heb ontmoet.

“Mijn stijl was ook beter ontwikkeld. Dat kon je van die eerste verhalen niet zeggen. Ze waren wat primitief. Maar ik heb er door geleerd. Vanaf album elf werd ik beter. (trots) Weet je wat ik goed kon? Beweging tekenen. In mijn auto’s ook. Merho (tekenaar van ‘Kiekeboe’, GDW) kan dat niet. Die mag een auto in volle vaart tekenen, je ziet niet eens dat die beweegt, terwijl mijn auto’s in de bochten zelfs scheef opveerden. Ik heb mijn best gedaan om altijd te verbeteren. Ik tekende heel traag, heel moeilijk. Er is maar één tekenaar voor wie ik respect heb: Franquin. Ik heb hem nooit proberen te imiteren, maar ik heb veel van hem geleerd. In het begin tekende ik zoals Hergé: alles even dun. Maar op het einde kon ik zwieriger tekenen, zoals Franquin. Met één pen kon ik plots ook dunne en dikke lijnen tekenen.”

Op de vraag of hij zich liet inspireren door zijn generatiegenoten, snuift hij. De namen Vandersteen en Sleen hebben hetzelfde effect op hem als een rode lap op een stier. “Sleen? Die wil ik niet eens kennen. Vind jij dat die kan tekenen? Vandersteen: nog erger. Ik moet niks weten van die mens. Die heeft van alles gepikt en overtrokken, de smeerlap. Toen een Duitse uitgever in 1965 of ’66 Piet Pienter wilde uitbrengen, heeft hij zijn veto gesteld. Bang voor de concurrentie, hé. Het was dezelfde uitgever als voor wie hij Bessy maakte, en hij zou meteen vertrekken als ze mijn albums er ook zouden publiceren.” Ook voor Merho heeft hij geen goed woord over. “Die nodigde zichzelf bijna elke week bij ons uit. En hij bleef lang, hoor. U moet weten dat ik het vaak speciaal daardoor ben afgetrapt. Wat een vervelend ventje.”

De enige stripcollega met wie Pom het kon vinden, was Jef Nys, “maar die kende ik toevallig omdat hij voor mijn neef Bruno De Winter bij ’t Pallieterke werkte. Dat was ne brave mens. Het enige wat ik hem een beetje kwalijk neem, is dat hij altijd gezworen heeft om zijn figuren volks en Antwerps te houden, maar dat hij later toch overstag is gegaan en zijn figuren met ‘je’ en ‘jou’ liet spreken. Dat is nu net waarom mijn albums zo populair waren: omdat ik ouderwetse, volkse gedragingen en dialogen toonde. Toen ik naar de Standaard Uitgeverij overstapte, waar ze mijn boeken trouwens afschuwelijk inkleurden, wilden ze dat veranderen, maar dat heb ik verhinderd.”

Fier man

Jaloers op het succes van zijn oude collega’s is hij niet, zweert hij. “Door de voorpublicatie in de Gazet van Antwerpen was ik in Antwerpen wel erg populair. Toen het derde album van de persen rolde, kreeg ik een briefje van de uitgeverij waarop stond dat het door de voorbestellingen al uitverkocht was. Toen was ik een fier man. Ik weet niet meer over hoeveel exemplaren het toen ging, maar de laatste tijd werden ze op vijftigduizend gedrukt. En na enkele weken begonnen ze al aan een herdruk.”

Dat hij zijn pr nooit verzorgde en daardoor mogelijk een zekere populariteit verspeelde, deert hem niet. “Ik ben altijd iemand geweest die niet onder de mensen wilde komen. Maar wat zeiden ze dan over mij? (roept) Dat ik een enfant terrible was. Waarom dan toch? Ik laat iedereen met rust. Ik ben een einzelgänger - twee puntjes. Ik denk dat ik zo geboren ben. Wat is daar mis mee?”

Hij grijnst breed bij onze vraag wat de ironische humor en persoonlijkheden van Piet Pienter en Bert Bibber over hemzelf zeggen. “Hmm, ik ben aan de ene kant nogal serieus en aan de andere kant een beetje dwaas en opvliegend. Dat is hoe Piet en Bert zijn, hé. En Piet rookt ook een pijp. Maar ik heb dat zeker niet bewust gedaan. Dat is erin geslopen zonder dat ik er erg in had. Maar die humor, ja, die is eigen aan de reeks. Vandaar dat ik absoluut geen opvolger wil. Er is iemand die mijn figuren perfect kan natekenen (Tom Bouden, die eerder al een hommagealbum over Piet Pienter tekende, GDW), maar wat met mijn humor? Die is toch vrij persoonlijk. Het zou niet meer hetzelfde zijn.”

Pretentie

Zeventien jaar geleden kwam er een definitief einde aan Piet Pienter en Bert Bibber. De inspiratie was op. Het papier ook, letterlijk. “Mijn schoonbroer was directeur bij Gevaert. Hij gaf me fotopapier zonder gevoelige laag, want anders zou het zwart worden. Op dat papier kon ik zwieren met mijn tekenpen, terwijl fouten er makkelijk afgeschraapt konden worden. In die 45 jaar ben ik dat gewoon geraakt. Toen dat papier op was, was mijn goesting over. Op ander papier kon ik niet langer tekenen. Bovendien moest ik er wel mee ophouden. Ik was 74. Ik zou in herhaling vallen. Ik had lang genoeg getekend.”

Een heikel onderwerp dan. Pom verdiende met zijn reeks aardig zijn geld, maar werd meermaals bedrogen. “Ik heb het gevoel dat ze meer albums uitgaven dan ze mij betaalden, maar dat is slechts een vermoeden. Bewijzen heb ik niet.” Verder gaf hij talloze originele platen weg, goed voor in totaal zeven albums. Een fortuin, zo wist hij veel later. “‘Dank u, Pom, we gaan ze onder ons hoofdkussen leggen’, klonk het dan. Achteraf waren ze op internet te koop. Daar was ik wel nijdig om.

“Ik heb ook ooit aan mijn verzekeringsagent gevraagd of ik mijn werk kon verzekeren. Alleen de waarde van het papier, klonk het. Maar jaren geleden ontdekten we dat originele covers die op de uitgeverij gestolen waren voor 140.000 frank (3.500 euro) verkocht werden. Toen dacht ik aan die verzekeringsagent! En hoewel ik er niets aan had, haalde ik er wel voldoening uit. Daar kreeg ik pretentie door. (met pretlichtjes in de ogen) Ik doe wel alsof ik bescheiden ben, maar eigenlijk ben ik best wel fier op wat ik gedaan heb. Dat geld? Daar geef ik al lang niet meer om. Wat kan ik er nu nog mee doen? Kijk, op de Gazet was ik graag gezien, want ook al had ik een vranke snoet, ik zei wel altijd mijn gedacht. Maar ik mag niet klagen. Het waren niet alleen hoogtes, maar over het algemeen mag ik content zijn.”

Grot van Lourdes

Het interview loopt op zijn einde. “Het is meegevallen”, geeft hij toe. “Ik vond u een sympathieke knol, en ik vind niet veel mensen sympathiek. Maar ik ben ook blij dat ik van u af ben en ik vraag me af of ik bij het lezen van uw tekst niet nijdig zal worden.”

Bij het buitengaan wijst hij in de hal nog op enkele ingekaderde foto’s van Mieke, omgeven door opvallend verzorgde bloemstukken. “Zij is voor mij wat voor de katholieken de grot van Lourdes is. Ze was misschien niet de knapste vrouw, maar wel ontzettend lief.” Zijn woorden stokken. Met moeite krijgt hij het vervolg op zijn lippen. Jozef van Hove wil niets liever dan bij ‘zijn Mieke’ zijn. “Ik hoop dat dit mijn laatste jaar is”, klinkt het zacht.

Mocht hij ooit een kwalijke reputatie hebben gehad, dan blijft daar op zulke fragiele momenten niets van over. Geen moeilijke mens, die Pom. Gewoon een einzelgänger - met puntjes op de ‘a’.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234