Woensdag 25/11/2020

Polderproza zonder peper

Deze week een overdosis Nederlandstalig proza tot mij genomen en het spijt me, maar ik voel me nogal beroerd. Verhalenbundel na roman, tussendoor wat non-fictie, dagen aan een stuk, een willekeurige keuze uit de recente productie. Wat me rest is een gevoel van leegheid en balorigheid, en het hevige verlangen hout te hakken, of voetbal te spelen op een drassig veld, met gestrekt lijf meters ver door nat gras te glijden om met een perfecte sliding de bal uit de voeten van de aartsgevaarlijke linkerspits over de zijlijn te tikken.

Lezen aan de lopende band, ik kan het niemand aanraden, en al helemaal geen te grote portie hedendaags scheppend proza uit de Lage Landen. Natuurlijk zijn er ook dit jaar best wel goede boeken geschreven, maar voor wie ook de rotzooi moet doornemen, blijft vooral de geur van overbodigheid hangen. Weer een verhalenbundel, romannetje, bekentenisverhaal: Echt contact is niet de bedoeling heette het van Connie Palmen, al kon het ook Het verloren lied van Alfred Birney zijn. Slecht is het meestal niet geschreven - de Nederlandse literatuur blinkt meer en meer uit in keurig geformuleerd herschrijversproza - maar waar is de noodzaak? Waarom moest pakweg tachtig procent van al die verhaaltjes zo nodig geschreven en uitgegeven worden?

Gezeur, ik weet het, en daarvoor is deze rubriek niet bedoeld. Overigens is het een luxeprobleem, die boekenberg. Vrijheid blijheid, en de rest is de wet van vraag en aanbod. Als mensen graag gênante romans als Het tedere kind van Lulu Wang lezen, ze doen maar. Alleen moest ik het de voorbije week ook doen, en na pakweg tien doordeweekse werkjes begon ik te twijfelen of ik wel van verhalend proza hield. Dat verandert natuurlijk meteen weer - heb ik eerder ervaren - als ik dan, afgekickt, een roman van internationale allure lees. Maar verzonken in de volstrekte middelmatigheid van de Nederlandstalige fictie grijp je wat graag naar non-fictie, desnoods over iets saais als gouvernantes in Nederland (Tussen salon en souterrain van Greddy Huisman) of naar een oerdegelijke biografie (bijvoorbeeld De man die de weg wees van Jan Willem Stutje, over de Nederlandse communistenleider Paul de Groot, in wiens leven de geschiedenis van het twintigste-eeuwse marxisme lijkt samengebald). Een bevrijding na alweer een verhaaltje over vadercomplex of seksinitiatie.

"Ik ontdekte op zeker moment dat ik een hekel aan literatuur had gekregen. Dat ik eigenlijk geen cent meer gaf voor al die auteurs, althans, voor negentig procent ervan," zo verzucht de hoofdpersoon in Dooi, de laatste roman van Rascha Peper. "Het is eigenlijk veel prettiger om met zakelijke teksten te maken te hebben," vervolgt hij. "Gewoon, interessante informatie. Literatuur is voor het grootste deel pretentieuze egotripperij. Vroeger zag ik het als het hoogste goed, maar daar kun je blijkbaar overheen groeien."

Deze oudere, cynische man, vertaler van beroep, doet deze bekentenis aan een jong meisje met wie hij zopas kennis heeft gemaakt. Al weken zit hij in zijn woonboot, vastgevroren op het IJsselmeer, als plotseling een schaatster aan komt glijden, zo elegant en sierlijk dat hij zowaar al voor de begroeting merkt dat het een jonge vrouw betreft. Het is zijn eerste lijfelijke contact in weken, nadat hij, aangemeerd bij een onbewoond eilandje, ingevroren was geraakt. Als hij niet werkte aan een saaie vertaling over vissen, observeerde hij het gedrag van konijnen en vogels op het eilandje.

De spanning laat zich raden, in dit soort proza althans: de eenzame wordt verliefd op het roodharige meisje met de lichtjes scheve neus, en bij een volgende ontmoeting vrijen ze. Hoe noem je dat: polderproza met scheve schaats, doorzonwoonbootproza, smeltend Afsluitdijkproza? Clichés worden niet geschuwd en qua psychologische duiding hoeft zo'n man alleen maar plotseling een jeugdherinnering, aan een sexy tante bijvoorbeeld, te binnen te schieten.

De man is vastgelopen in zijn leven, zelfs het boek dat hij aan het vertalen is getuigt daarvan. Een wetenschappelijk viskundig werk dat hij alleen maar heeft aangenomen om een uitgever ter wille te zijn. Geregeld krijg je aldus een saai te vertalen of net vertaald stukje te lezen, en vervolgens: "Hij vertaalde een paar alinea's en toen verslapte zijn aandacht alweer."

Maar het boek gaat ook over de coelacanth, een primitieve beenvis, waarop zijn vader heel zijn leven jacht heeft gemaakt. Wat dan weer aanleiding is voor een heel Vatersuche-verhaal, wat overigens vaker voorkomt in hedendaags Nederlands proza; het belangrijkste levensfeit voor veel personages blijkt het hebben van een vader, die al dan niet gestorven in hen voortleeft.

In een moderne roman kunnen namen ook een symbolische betekenis hebben - een ietwat slimme lezer weet dat, al kan het geen kwaad het nog eens te benadrukken. Hopla, weer een noodzakelijke alinea, die ik even overtik, als blijk van het keurige proza van Rascha Peper, die met Dooi volgens NRC Handelsblad overigens "een mooie, verstilde novelle" schreef.

"'Ik heet trouwens Ruben Saarloos.' 'Saarloos,' herhaalde ze zijn naam, in plaats van de hare te noemen. 'Ja. Zonder Saar ben ik. Ruben zonder Saar. Zielig, hè ?' God, wat waren we leuk.

"Om haar mond kwam echter een glimlach die haar gezicht verhelderde en voor een moment de steeds aanwezige uitdrukking van peinzende aandacht verdreef. Ze had inderdaad een mooie mond, dat kon gezegd worden. Niet vol of sensueel, maar gevoelig en scherp omlijnd, van een natuurlijk roze dat door lipstick alleen maar bedorven zou kunnen worden, en vol verticale groefjes."

Tsjonge, wat is dat gedreven proza, zoals Rascha Peper de spanning opvoert, zo geloofwaardig en zinderend van onderhuidse prikkeling. Als daar maar geen seks van komt. Eerst nog een cliché: "Op het glas waaruit Bente gedronken had zocht hij de plek waar haar lippen een flauwe afdruk hadden achtergelaten, drukte die plek tegen zijn mond" enzovoort, enzoverder. Invoelend beschreven.

Er komt dus seks van, of wat had u gedacht, twee keer na elkaar zelfs: "Hij plaatste zijn kussen gerichter en hoorde met stijgende vertedering hoe haar ademhaling hortend werd en haar geluidjes zingend." Weer alleen, na het afscheid, buigt de hoofdpersoon zich diep over zijn penis en snuift de geur op: "En ja, daar was een vleug van het oesterachtig fluïdum."

Het lijkt misschien of ik me vrolijk probeer te maken over zomaar een boek van zomaar een schrijfster. Nee hoor, Rascha Peper is een meer dan behoorlijke schrijfster, van wie ik de verhalenbundel Oefeningen in manhaftigheid ooit positief gerecenseerd heb. Voor haar historische roman Russisch Blauw kreeg ze de Multatuliprijs. Na acht boeken heeft ze voldoende naam en faam in het literaire milieu om met de grote prijzen te gaan strijken. Dooi prijkt dan ook op de net bekendgemaakte longlist van de AKO-Literatuurprijs. Volgens de jury is het dus een van de 25 beste boeken van het voorbije jaar.

En technisch is er inderdaad ook weinig op aan te merken. Keurig, een beetje voorspelbaar, een beetje doorzichtig symbolisch en op het einde met een snuifje magisch-realisme op zeeniveau. Alleen: toen ik dit voortkabbelende boekje zonder veel inspanning of moeite had uitgelezen, bleef ik zitten met weer een zo goed als overbodige leeservaring. Ik had net zo goed enkele uren naar de beurskoersen kunnen staren.

Maar genoeg geklaagd, volgende week zijn we weer vrolijk en enthousiast. Overmorgen ontdekken we wel opnieuw een fantastische roman, ik voel het gewoon. Maar eerst even hout gaan hakken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234