Dinsdag 22/10/2019
‘Ze waren geland. In Normandië, vernamen we. Ik had nooit eerder van de streek gehoord. Het klonk magisch.’

De bevrijding

Pol T. Descamps over de brandbommen op Kortrijk: ‘Toen hoorden we haar huilen. Ons Katelijne, 4 jaar’

‘Ze waren geland. In Normandië, vernamen we. Ik had nooit eerder van de streek gehoord. Het klonk magisch.’ Beeld Wouter Van Vooren

‘Er zijn mensen die geprobeerd hebben zo’n bom te blussen, maar met water maak je het alleen erger.’ Het is een vergeten stukje geschiedenis, hoe Kortrijk tot in de zomer van 1944 zijn deel kreeg van de voor Duitse steden bestemde brandbommen. Pol T. Descamps, de latere topman bij techbedrijf Barco, vertelt.

“Mijn tante verstond een beetje Engels, zij luisterde naar de BBC. Ik herinner me dat geluid: woewoewoe! Duitse stoorzenders. En toen, dat zinnetje: Les canards plongent dans l’eau. De eenden duiken in het water. Wat later: Tante Juliette a jeté ses sabots. Tante Juliette had haar klompen weggegooid. Geheime codes voor de weerstand, de dagen voor de invasie.”

“Ik was negen, en op een dag zoemde het door de stad. Ze zijn geland! Veel meer werd er niet gezegd. Niet wie er was geland, niet waar – iedereen begreep het. Het nieuws is in minder dan vierentwintig uur tijd mondeling overgebracht, van dorp tot dorp. Ze waren geland. In Normandië, vernamen we. Ik had nooit eerder van de streek gehoord. Het klonk magisch.”

Brandbommen

Pol T. Descamps (84) is een van de grondleggers van het op Euronext genoteerde technologiebedrijf Barco. Hij is nog altijd actief als adviseur in Howest, de Hogeschool West-Vlaanderen. We treffen hem daar, in een vergaderlokaal. Hij heeft twee relicten van zijn oorlogsjaren op de vergadertafel uitgestald. Betast ze liefdevol, ook al zijn het aandenkens van wat hij “het 9/11 van Kortrijk” noemt. Door de overload aan overige oorlogsweetjes is het wat vergeten, maar deze zomer herdenkt het stadsbestuur met stadswandelingen en de brochure Kortrijk in het vizier de 430 Kortrijkzanen die tussen september 1943 en juli 1944 omkwamen bij geallieerde bombardementen.

Het ene ding ziet eruit als een oud weegschaalgewicht, het andere is een door de tijd gebruind strookje zilverpapier.

“Elke schooljongen in Kortrijk had een paar van die strookjes”, zegt Descamps. “Wij verzamelden die. Geallieerde vliegtuigen wierpen die uit om Duitse radars te verstoren. Miljoenen van die aluminium strookjes zijn uit de lucht gevallen. Op de speelplaats in het college toonde je aan de andere jongens hoeveel je er had.”

“En dit hier, het weegt bijna een halve kilo. Dit is het onderstuk van een brandbom. Die bommen waren bedoeld voor steden als Dresden, Hamburg en Hannover. Kortrijk was geen doelwit, maar lag onder de terugvliegroute naar Engeland. Die bewuste 18 maart 1944 geraakte een Lancaster (Britse bommenwerper, DDC) in de problemen. De bemanning probeerde zich te redden door zich van overtollig gewicht te ontdoen. Tevergeefs. Het toestel is neergestort in de buurt van Diksmuide.”

“Eén Lancaster had duizend brandbommen onder zijn romp en vleugels hangen. Als die zijn lading loste, zoals die nacht boven het Albertpark, werd er eerst een cookie gedropt. Dat is een luchtmijn van twee ton die ontplofte voor hij de grond raakte. De bedoeling van die eerste explosie was dat alle ruiten uit huizen werden weggeblazen. Wat toen ook is gebeurd met achthonderd gebouwen in Kortrijk. Het vuur moest zuurstof en vrij spel krijgen. Een paar seconden na de cookie volgden de brandbommen. Als lichtpotten kwamen die uit de lucht vallen. Mensen die het zagen, zeiden: ‘Dat gaf zoveel licht dat ge bij nacht uw gazet had kunnen lezen.’ Onderin elke brandbom hing zo’n gewichtje. Zodat ze zowel zinken daken als dakpannen zouden doorboren.”

“Boven Dresden hebben ze later, begin ’45, een kwart miljoen van die bommen in een halfuur gegooid. Als je getuige bent geweest van een zo’n bombardement, gaat zoiets je bevattingsvermogen te boven.”

Held

Ze waren met zijn elven, ten huize Descamps. Vader, moeder, acht kinderen en de huismeid. Pol en zijn iets oudere broer Luc waren om halftien gaan slapen. De brandbom trof het dak, landde ergens op de trap halfweg twee verdiepingen.

“Later, tijdens mijn ingenieursstudies, heb ik beseft dat het 1.600 graden geweest moet zijn op die trap. Ik zie Luc en mezelf in pyjama de trap afrennen, op blote voeten, voorbij die bom die daar vuur lag te spuwen. De balatum in ons huis brandde. Die geur zit nog altijd ergens in mijn hoofd. We renden, en bereikten de tuin. Iedereen had zich daar in veiligheid weten te brengen, zo leek het.”

‘Ik zie Luc en mezelf in pyjama de trap afrennen, op blote voeten, voorbij die bom die daar vuur lag te spuwen. Die geur zit nog altijd ergens in mijn hoofd.’ Beeld Wouter Van Vooren

“Toen hoorden we haar huilen. Ons Katelijne, vier jaar. In haar kamer op de eerste verdieping. Voor mijn moeder iets kon zeggen of doen, is Luc over het gebroken glas gesprongen, het huis in, de trap op en naar boven. Op een meter voorbij die brandbom. En voor we goed en wel beseften wat er gebeurde, stond hij daar terug. Met Katelijne in zijn armen.”

“Luc is na de oorlog rechten gaan studeren. Hij was niet zo technisch aangelegd als ik. En we hebben daar nadien niet veel meer over gesproken. (stokt) Voor mij was het de grootste heldendaad ooit. Luc was elf.”

“Er zijn mensen die geprobeerd hebben zo’n brandbom te blussen, maar met water maak je het alleen erger. Mijn vader was bij de burgerbescherming. Zei tegen iedereen: ‘Haal zand in huis, je kunt het alleen daarmee proberen te blussen.’ Drie huizen verder woonde er een koppel dat niet wou luisteren. Hun huis is bij een volgend bombardement helemaal uitgebrand.”

‘Het moest’

Er was 18 maart, er was 26 maart. Er waren de bombardementen van spoorlijnen op 10 en 15 mei 1944, en de laatste op 21 juli 1944. Om de aanvoer van Duitse troepen richting Noord-Frankrijk te verstoren.

“Ik heb drie maanden in de kelder geslapen, met mijn hoofd tegen de waterteller, en altijd met natte washandjes binnen handbereik als stofmaskers. Het was ’s nachts altijd stil. Er waren geen auto’s, want er was geen benzine, en er was nachtspertijd. Op 26 maart hebben 109 Lancasters hun bommen op de stad gedropt. Dat was het 9/11 van Kortrijk. Zo’n tweehonderdvijftig doden, meer dan duizend gewonden.”

“Of wij kwaad waren op de geallieerden? Nee, wij beseften heel goed dat het moest. Dat er maar één uitweg was uit deze oorlog. Wat ik me wel herinner is de jammerklacht bij veel mensen: ‘Allee, maar ze moeten nu toch geen tijdbommen gebruiken?’ Tussen de gedropte bommen zaten soms tijdbommen. Dan was iemand in de ruïnes aan het zoeken naar overlevenden, en dan ging zo’n bom af.”

“Oké, tien procent van de mensen vloekte. Maar oorlog is meer dan alleen angst voor bommen. Oorlog, dat is een gebrek aan alles. Ersatz van ongeveer alles. Voedseltekorten, schrapen om iets te vinden. Wantrouwen. En na de bevrijding ook veel weerstanders van het laatste uur, zoals mijn vader ze noemde. Je moest opletten voor rumeurs.”

De Kwaremont

Het gezin Descamps ging vanaf begin juli, de laatste zomer voor de bevrijding, in het tot dan toe leegstaande oude kasteel van de familie Behaeghel de Bueren wonen op de Kwaremont.

“Mijn grootvader Theoduul Reyntjens was daar vaste landmeter geweest. Het voelde als een feest, weg uit de stad, weg van de bombardementen. Tot er op een dag een colonne Duitse soldaten in van die statige Mercedessen aan kwam rijden. Ze namen bezit van het kasteel naast het onze, eisten dat wij zouden vertrekken. We kregen het geregeld dat we mochten blijven, op voorwaarde dat we achter de vers gespannen prikkeldraad zouden blijven. Wie er overheen ging, zou zonder pardon worden doodgeschoten.”

Het onderstuk van een brandbom, dat zo'n halve kilo weegt. ‘Dit gewichtje moest verzekeren dat de bommen zowel zinken daken als dakpannen zouden doorboren.’ Beeld Wouter Van Vooren

“Ik was jong en nieuwsgierig, ben in een boom geklommen. En toen zag ik ze. Twee blauwe rechtopstaande vliegtuigjes. Raketjes, eerder. Dit waren de V1’s (vliegtuigbommen waarmee Hitler de oorlogskansen nog hoopte te doen keren, DDC). Ze waren op de Kwaremont een V1-basis aan het bouwen.”

“Mijn moeder heeft toen beslist: we zijn hier weg. Als er iets een volgend doelwit zou worden, dan zeker die lanceerbasis. We hebben al onze spullen op een kar geladen en zijn in het dorp Ruien gaan wonen, een paar kilometer verder, bij mijn grootouders. Op een dag hoorden we in het dorp enorme explosies van op de Kwaremont. De V1-basis was niet klaar geraakt, de Duitsers hebben alles opgeblazen.”

“Dat beeld. Bomen zonder bladeren. Alle vogels die waren verdwenen. Het kasteel dat gedeeltelijk mee was ontploft. Een langzaam wegglijdende piano, ergens op een half weggeblazen vloer. Mijn vader die zei: ‘Nu zijn ze echt weg.’ In elk van die V1-koppen zat 600 kilo dynamiet, en er zijn daar zo’n vijftig ontploft. Wij hebben tussen dat puin rondgelopen. Ik heb een staart van een V1 in mijn handen gehad. Na de oorlog zag je tv-beelden van de gevreesde V1’s, in zwart-wit. Ik had daar altijd discussie over. Nee, ze waren niet grijs of rood, ze waren blauw.”

Dikke Poli

Doordat radiotoestellen verboden waren, produceerde het nog artisanale Barco tijdens de oorlog zaklampen, en werd het ook verplicht die aan de Wehrmacht te verkopen. Pols oom Gentil Reyntjens, professor aan de KU Leuven, had in 1938 tijdens een universitaire uitwisseling de Duitse Hilde Breithof leren kennen. Zij geraakte aan het begin van de oorlog aan een baantje als tolk bij de Militär Verwaltung in Brussel. De twee zouden in 1945 huwen.

“Er waren dus rumeurs. Enkele dagen na de doortocht van de eerste Engelsen heeft iemand een hakenkruis op het huis van mijn grootouders in Ruien geteerd. Dat maakte enorm veel indruk op mij. Als ik terugga naar de nazomer van 1944, is het vooral dat wat ik voel: de euforie die snel omsloeg in angst voor domme drama’s. Je zat in een dorp, er was weinig nodig om iemand het stigma van zwarte te doen krijgen.”

“Ik herinner me een huis in de Statiestraat, waar zogenaamde weerstanders een inboedel naar buiten hadden gegooid. Op straat zag ik een brandend kinderbedje en een brandend kruisbeeld. Wij zijn katholiek, ik vond dat erg schokkend. Achteraf kreeg ik een draai om mijn oren van mijn oom Jan. Hij zei: ‘Wij, Reyntjensen, wij gaan niet naar de miserie van anderen kijken.’ Er was in Ruien ook zo’n figuur, Dikke Poli, de smid. Net voor de bevrijding was hij opeens weerstander geworden.” (lacht)

“Mijn oom Robert, de latere directeur van de krant Het Volk, zat bij de Othello-spionagegroep en een geheime Lifeline-ontsnappingsroute die Britse piloten terug naar Engeland bracht. Wij zijn bevrijd op 3 september. Oom Robert kwam met een Engelse legerauto en een Engelse chauffeur aangereden. Hij wist van het hakenkruis en ging het kleine gemeentehuis naast de deur binnen. Dikke Poli zat daar met enkele ‘weerstanders’. Hij had het allemaal niet goed begrepen. Hij ging voor hem op zijn knieën zitten en riep: ‘Robert, ik was ook voor den Duits!’ Zulke toestanden. De man van onze kuisvrouw in Kortrijk die opeens chef werd van de Wikings, een sportcentrum dat was verbouwd tot interneringskamp voor collaborateurs.”

Publieke executies

Ook al was hij een kind, zegt Pol, kon je het voelen. Hoe het einde van de oorlog een nieuwe wereld inluidde.

“Gérard Yserbit, een bekende gynaecoloog, zat in de Wikings opgesloten. De man die mij, mijn broers en mijn zussen ter wereld had gebracht. In het ziekenhuis in Kortrijk was er een problematische bevalling. Moeder en baby leken het niet te zullen halen. Men is Gérard onder rijkswachtbegeleiding gaan halen in de Wikings, en hij heeft hun beider levens gered. Een brief buiten smokkelen in de Wikings, daar vroegen ze honderd frank voor. In sommige gevallen tweehonderd of driehonderd frank. Dat waren toen grote sommen.”

“Voor mij was de bevrijding een feest van het gepeupel. Het communisme dat zich begon te manifesteren. Wist u dat er in november ’44 een plan was voor een communistische staatsgreep? Met honderdduizend gingen ze Brussel ‘bezetten’. Het Britse leger heeft dat toen gelukkig kunnen beletten.”

“Het was vreselijk, die periode. Rode affiches die overal in Kortrijk hingen: ‘Deze 15 moeten de stad voorgoed verlaten!’  De rauwheid. Het irreële. Vier mensen die werden geëxecuteerd, zoals aangekondigd: om klokslag zeven uur ’s ochtends aan de Abdijkaai. Publieke executies. (zucht) Waar dus volk naar kwam kijken. Was het dat waar we al die tijd naar hadden uitgekeken? De laatste publieke executies in Kortrijk. De eerste moeten ergens in het jaar 1.200 geweest zijn. Ik denk ik dat ik burgemeester Vincent Van Quickenborne ga voorstellen om ook aan de Abdijkaai een gedenkplaat op te hangen.”

‘Na de bevrijding werden vier mensen geëxecuteerd om klokslag zeven uur ’s ochtends aan de Abdijkaai. Publieke executies. Was het dat waar we al die tijd naar hadden uitgekeken?’  Beeld Wouter Van Vooren
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234