Vrijdag 13/12/2019

Poëzie als een lichaam

Het moet wat zijn, je leven te boek zien staan. Leonard Nolens kan nu proeven van dat genot. 'Manieren van leven' bundelt zijn gedichten van 1975 tot 2011.

Maximaal om de drie jaar heeft Nolens sinds 1975 een bundel gepubliceerd. Het is een reeks publicaties van een zeldzaam constant, hoog niveau, die wijst op het temperament van een dichter die nooit opgeeft en het nodig heeft om te publiceren. Elke dag leven in functie van de poëzie: het is minder evident dan het lijkt. In zijn Dagboek van een dichter 1979-2007 schrijft Nolens: "Ikzelf weet pertinent dat althans voor dichters een writer's block de regel is, en het schrijven zelf de uitzondering." Maar hij kan niet anders. Voor Nolens zijn leven en poëzie schrijven hetzelfde. Hij noteert daarover: "Ik houd geen dagboek, ik schrijf een mens. Ik componeer geen poëzie, ik word een gedicht."

Nolens schrijft om zichzelf en de werkelijkheid rondom hem te leren begrijpen. Dat is een levenslange opdracht, vooral omdat de verhouding tussen de identiteit van de dichter en het gedicht zelf voortdurend problematisch is. Want het gaat om de vraag welke van de twee het meest authentiek is. Taal is namelijk nooit de eigendom van één individu. In zijn dagboeken noteert hij: "Men schrijft zijn hoogstpersoonlijke dagboek in de taal van vreemden. En zelfs mijn meest intieme, unieke gedichten blijken niet meer te zijn dan een vertaling." Nolens' gedichten zijn eerlijk en kwetsbaar. Maar dat op een heel andere manier dan via de romantische blik op zijn dichterschap: de man die zich terugtrok uit de maatschappij en geen vaste baan had, om zich volledig aan zijn schrijverschap te wijden. Wat dan een oeuvre opleverde waarin hij zijn existentiële pijn blootlegt voor de lezer. Nee, het gaat om iets anders. Iets dat veel fundamenteler is en dat zijn dichterschap zo ongelooflijk belangrijk maakt binnen de poëzie van de Lage Landen op het einde van de vorige eeuw en bij het begin van deze nieuwe: de zoektocht naar de eerlijkheid van taal in een gedicht. Het gedicht, dat doorheen zijn oeuvre voortdurend gemodificeerd wordt, komt als een lichaam voor je staan en rukt zijn hemd open. Daarover schrijft Nolens: "Het gedicht is als corpus in al zijn gecomponeerde complexiteit vollediger dan de contingente mens van vlees en bloed. In die volledigheid schuilt de eerlijkheid."

Nolens' tekstlichaam openbaarde zich voor het eerst aan mij in 1986, met de afdeling 'Feest' in De gedroomde figuur, zijn eerste bundel bij zijn huidige uitgever Querido: "Wat ik bedacht en deed in mijn eenzame keuken / Wandelt nu door onze darmen en verandert zich / In ons denken en doen. Ik heb me uitgedeeld. / Het is mijn vlees en bloed dat in de borden dampt."

Het fremdkörper en voor mij ook het hoogtepunt in zijn oeuvre is Bres (2007). Die bundel viel op omdat het dichterlijke ik in enkele reeksen voor het eerst in Nolens' oeuvre de vorm kreeg van een collectief wij, als spreekbuis van een generatie die de revolte van het eind van de jaren zestig al dan niet actief meemaakte. Werkelijkheid en idealen komen in die bundel tegenover elkaar te staan. Indrukwekkend hoe Nolens hier zijn nooit aflatende zoektocht naar een literaire identiteit van een opening voorziet en die toetst aan de strijd om ontvoogding en de vrijheid van het individu, niet alleen eigen aan zijn generatie, maar aan alle jongeren. Nolens sloeg met deze bundel ook voor een deel een gat in het ritme en de zegging, die zo typisch zijn voor zijn werk. Dat moet je durven.

Verbinding

Na Bres volgden nog twee bundels die aantonen dat Nolens zijn oude preoccupaties niet van zich kan afschudden. "Ik moet gezegd", lezen we in Woestijnkunde (2008). De existentiële noodzaak van het schrijven is duidelijk niet verdwenen. En de ander is nodig om zichzelf in stand te kunnen houden: "'k keek naar jou, ik kijk altijd naar jou / Om straks niet weg te kijken van mezelf." En uit Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011) blijkt dat hij een dagtaak heeft aan omgaan met zichzelf en de werkelijkheid om hem heen: "Je moet je behelpen met Nolens", staat er. Poëzie is daarbij geen troostend voedsel, maar eerder iets dat hem uithongert: "Maak van je dorst // Een tepel, geef / De borst aan afwezigen straks, / Gemis is een min. / Je tekort is de stevigste kost // Voor andere wezen." Ook blijkt uit deze bundel dat poëzie voor Nolens poëzie het enige middel is om verbinding te maken met de ander, in de gedaante van de geliefde vooral, maar ook met zijn ouders, zijn familie, zijn vrienden, met levenden en doden en met de moeilijkste vriend van allemaal: het schrijverschap.

Het is de vierde keer dat Nolens zijn gedichten verzamelt, na de twee edities van Hart tegen hart in 1991 en 1998 en Laat alle deuren op een kier (2004). En net als in die edities zijn ook in deze verzameling de eerste twee bundels, Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973), integraal weggelaten. "Wie dat begin wil zien, waarin men woorden heeft en nog geen taal, kan elders terecht", schrijft Nolens in de verantwoording. Dat moet dan jammer genoeg in een of ander antiquariaat gebeuren. Nauwelijks iemand die dus de kiemen van Nolens' dichterschap kent. Het weglaten van deze twee bundels en het feit dat hij uit de eerste vier bundels die hij wel selecteerde, gedichten verwijderde, tonen aan dat Nolens ons een zo overtuigend mogelijk beeld van zichzelf als dichter wil aanbieden. Alles moet zo goed mogelijk in elkaar passen in dit imposante bouwwerk dat hij ons voorlegt. Is dat oeuvre een Nobelprijs waard, een pertinente vraag nu we weten dat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde hem voorgedragen heeft? Zeker. Maar het is een radicaal bouwwerk, veel genadelozer dan dat van laureaten als Szymborska of Tranströmer. Nolens' werk, zijn hele zijn: het is te nemen of te laten. Hopelijk verdraagt het Zweedse comité dat. Want ook bij ons irriteert dat sommigen. Gerrit Komrij, bijvoorbeeld, die zich in Trou moet blycken (2001) vrolijk maakte over Nolens' voordracht: "Nolens werd bloter en bloter. Ineens stond daar op het toneel een lange lul te bedelen om aandacht."

Natuurlijk is dit kloeke boek geen sluitsteen. Nolens zal nog jaren verder schrijven. Op zijn vijfenzestigste verjaardag is hij nog lang niet met pensioen. Het kan niet anders, want ophouden met schrijven betekent voor hem ophouden met leven. En wij, lezers, rekenen op zijn lange adem.

Op woensdag 25 april om 20 uur bieden Behoud de Begeerte en Het Toneelhuis Leonard Nolens een hommage aan in de Bourla. Met medewerking van Dirk van Bastelaere, Johan de Boose, Paul Claes, Y.M. Dangre, Paul Demets, Bernard Dewulf, Charles Ducal, Anna Enquist, Lies Van Gasse, Luuk Gruwez, Erik Jan Harmens, Kees 't Hart, Miriam Van hee, Maarten Inghels, Jan Kuijper, Wiel Kusters, Gwy Mandelinck, Bart Meuleman, Bart Moeyaert, Hagar Peeters, Erik Spinoy, Maud Vanhauwaert, Jan Vanriet en Peter Verhelst.

Acteurs Gilda De Bal, Tom Van Bauwel, Franz Marijnen, Hilde Van Mieghem, Josse De Pauw, Dirk Roofthooft en Vic De Wachter lezen voor uit de dagboeken van Nolens.

Elke aanwezige krijgt een gelegenheidsbundel cadeau.

Meer info: www.begeerte.be

Leonard Nolens Manieren van leven. Gedichten 1975-2011,Querido, 1.228 p., 39,95 euro

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234