Dinsdag 18/06/2019

Pleidooi voor populisme

David Van Reybrouck hoort in het populisme de stem van het laaggeschoolde volk

David Van Reybrouck was het afgelopen voorjaar writer in residence aan het NIAS te Wassenaar. Dit jaar mocht hij de Arkprijs van het Vrije Woord in ontvangst nemen. Hij is opiniemaker van deze krant.

In Vlaanderen en Nederland groeit de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Terwijl de eerste groep kosmopolitisch de globalisering bezingt, schaart de tweede zich achter nieuwe vormen van nationalisme. Laaggeschoolden dringen nauwelijks nog door tot het parlement. Vandaag zijn het veelal populistische partijen die de stem van de laaggeschoolden in de samenleving vertegenwoordigen.
Net daarom vormt populisme niet noodzakelijk een gevaar voor de democratie, betoogt David Van Reybrouck. Populisme verwoordt een blijvend verlangen naar politieke betrokkenheid van het laagopgeleide volk. Er is niet minder, maar beter populisme nodig.

In de kenniseconomie waarin we nu leven is het belang van het genoten onderwijs groter dan ooit. Wie een hogere studie heeft volbracht staat anders in het leven, koestert andere idealen, houdt van andere muziek, andere kledij, andere voeding, auto's en vakantiebestemmingen dan wie dat niet heeft gedaan. Hij of zij lijkt wel in een ander land te wonen dan wie enkel de lagere of middelbare school heeft kunnen bezoeken. Je bent een Kevin of een Thomas.

Dat zorgt voor een nieuwe maatschappelijke breuklijn en die is niet klassiek sociaaleconomisch van aard (links versus rechts), noch confessioneel (katholiek versus vrijzinnig), maar cultureel-ethisch: kosmopolitisch versus nationalistisch. Hoogopgeleiden staan vertrouwensvoller in het leven, laagopgeleiden koesteren meer argwaan tegenover de buitenwereld. Meer dan inkomen bepaalt opleidingsniveau aan welke kant van de scheidslijn je valt.

Wie vandaag de vakschool verlaat als loodgieter kan soms evenveel verdienen als een pas afgestudeerde huisarts. De laagopgeleide anno 2008 is net zo goed een kansarme in de bijstand als die blonde babe die u met haar SUV inhaalt op de snelweg. Voor progressieve politici is het daarom moeilijker zich te bekommeren om het lot van de laaggeschoolde, zeker als diens morele denkbeelden haaks staan op het progressieve gedachtegoed. De vanzelfsprekende broederschap tussen de linkse intelligentsia en het proletariaat ging op zolang men zich mocht bekreunen om onmondige arbeiders in de verpauperde volksbuurten van het land, maar verdampte algauw toen diezelfde arbeider in Marbella de polonaise stond te dansen in een door sinjoren gerunde taverne en ondertussen afgaf op de makakken in zijn buurt.

Monster van Frankenstein

Voor de socialist is de geëmancipeerde arbeider een soort monster van Frankenstein geworden dat zich tegen zijn maker heeft gekeerd toen het op eigen benen kon staan. Van de weeromstuit ging links zich ontfermen over een nieuwe en schrijnendere groep nooddruftigen: de migranten. En dat bezegelde pas goed de boedelscheiding tussen de progressieve elite en het inheemse proletariaat. Dat een nieuwe generatie socialisten de autochtone arbeider vervolgens ook nog eens racisme verweet omdat hij het aandurfde kanttekeningen te plaatsen bij het multiculturele ideaal, zorgde voor een ware leegloop. De rode steden en gemeenten van Vlaanderen kleurden vanaf de jaren negentig zwart. Anders dan in Nederland met zijn SP had je als laaggeschoolde arbeider in Vlaanderen ter linkerzijde niets meer te zoeken. De socialisten, en zeker de groenen, waren voortaan bevolkt door 'mannen en madammen met een diplom'.

Wat een contrast met niet zo heel lang geleden! Het socialisme bekommerde zich ooit om de emancipatie van de arbeider, zowel stoffelijk als geestelijk. Behalve een fatsoenlijk pensioen kreeg de arbeider ook toegang tot Tolstoj, Brecht en Eisenstein. Er waren cursussen over Marcuse en Gramsci en filmavonden rond Fellini en Kubrick. Cultuureducatie was een kerntaak van zowat elke zuil. Het doel was volksverheffing: arbeiders werden gevormd tot mondige burgers met een eigen oordeelsvermogen. Maar enkele decennia van cultuurrelativisme eind vorige eeuw hebben dat engagement volledig van tafel geveegd. Welk recht hadden de hoogopgeleiden, vroeg men zich af, om hun culturele en ethische voorkeuren op te leggen aan de lagere klasse? Was de arbeider, zeker gezien zijn toegenomen welvaart, inmiddels zelf niet in staat om te beslissen wat goed was en wat niet?

Op dat moment heeft de socialistische beweging de autochtone arbeider laten schieten. De misplaatste schroom van de culturele elite ontwikkelde zich op het moment dat de commerciële media als paddenstoelen uit de grond schoten en gretig naar de gunst van de laaggeschoolde dongen. Het cultuurrelativisme heeft de laaggeschoolden daardoor aan de markt cadeau gedaan nog lang voor het proces van culturele emancipatie was voltooid. En omdat dat proces nooit voltooid is, was een permanente inspanning vereist in plaats van een als bescheidenheid verpakte laksheid. Vandaag is de intellectuele verwaarlozing navenant. Want terwijl jonge universitairen vrolijk heen en weer zappen tussen Arvo Pärt en De Pfaffs en kraaien dat zoveel variatie geweldig is, krijgt geen enkele fabrieksarbeider in Vlaanderen of Nederland nog te horen waarom die Estse componist zoveel relevanter is dan De notenclub, laat staan waarom intellectuele vorming je lot kan verbeteren.

Voor laaggeschoolden werd de kloof alleen maar groter, de band met de klassieke arbeidersbeweging almaar losser. Gabor Steingart, redacteur bij Der Spiegel, schreef daarover: "Zelfs al is het hedendaagse proletariaat materieel welgestelder dan vroeger, het verkeert niettemin in slechtere vorm. (...) De arme van gisteren was een subject in de geschiedenis. Maar de pauper van vandaag, in een verenigd Europa, is tot nog toe nauwelijks meer dan het slachtoffer van de omstandigheden. En terwijl zijn voorganger zich aan de marges van de samenleving bevond, is hij tegenwoordig een buitenstaander."

Buitenstaanders in de samenleving, en al helemaal in de politiek. In onze parlementen komen nauwelijks nog laagopgeleiden voor. We leven in een echte diplomademocratie, zegt de Utrechtse hoogleraar Mark Bovens. Het populisme komt dus niet uit de lucht vallen. Het verwoordt, vaak op onhandige wijze, een blijvend verlangen naar politieke betrokkenheid van het laagopgeleide volk. Grootschalig onderzoek na de laatste verkiezingen gaf aan dat Vlaams Belang en Lijst Dedecker opvallend goed scoren bij burgers die enkel technisch of beroepsonderwijs genoten hebben. Velen van hen zijn arbeiders, gepensioneerden, mensen uit de lagere sociale klassen die vinden dat hun situatie de afgelopen jaren verslechterd is. De VB-stemmers vrezen zelfs dat het in de toekomst nog erger wordt. Populisten doen het dus bijzonder goed bij laaggeschoolden met grimmige toekomstperspectieven.

Moeten we daar bang voor zijn? De angst voor het populisme is ongegrond als het zich aan de principes van de democratie houdt. Dat betekent: onvoorwaardelijk respect voor het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten, de scheiding der machten en de rechtsstaat. In een democratie regeert de meerderheid, maar om te vermijden dat die meerderheid op democratische wijze voor een dictatuur of genocide zou stemmen, bestaan er enkele onvervreemdbare grondrechten. Populisten moeten zich daarnaar schikken.

Gapend gat

Zoals elke grote politieke beweging kan het rechts-populisme van een radicale naar een gematigdere fase evolueren. Het revolutionair socialisme werd de sociaaldemocratie, het sterk anti-etatistische kerkelijke gezag werd de christendemocratie. Zo ook kan extreem rechts evolueren naar rechts-radicaal. Zowel Dedecker als Verdonk werden uit de liberale partij gegooid. Hun partijen vertegenwoordigen vandaag veel meer de radicale rechterflank van het liberalisme dan de erfenis van het fascisme. De breuklijn die hen scheidt van de traditionele liberalen komt overeen met de breuklijn tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen kosmopolieten en nationalisten.

Hetzelfde zien we ter linkerzijde, waar de Nederlandse SP feitelijk de linkerflank van de PvdA uitmaakt: een volks socialisme dat over Europa en migratie minder lyrisch praat dan de PvdA. In Vlaanderen bestaat er geen equivalent voor de SP, of het moet klein extreem links zijn. Het zou gunstig zijn indien de politieke kleurenwaaier in Vlaanderen verrijkt werd met een grote links-populistische partij. Een waarlijk progressief politiek project bekommert zich net zo goed om Hassan en Mehmet als om Rodney en Shania. Om de democratie optimaal te laten draaien is er niet minder, maar juist meer populisme nodig. Vandaag kunnen populistisch angehauchten in Vlaanderen alleen ter rechterzijde terecht, terwijl er tussen sp.a en extreem links een gat gaapt. Meer populisme betekent een diverser aanbod en een grotere keuzevrijheid.
Dit is een fragment uit Pleidooi voor populisme, dat nu donderdag bij Querido verschijnt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden