Dinsdag 17/05/2022

Piraten in de haute couture

Stel u de scene voor: een langgerekte, spierwitte kunstgalerie, drie rijen witte klapstoelen aan weerszijden, met heren en dames in het zwart. In het midden staat een witte kubus, zes treden hoog. Traag stapt een meisje in een lang, ingewikkeld gewaad het trapje op. Ze neemt haar witte hoed af en -... péts!- gooit hem aan scherven op de betonnen vloer, tussen het geschrokken modepubliek. "Hiermee wilden we zeggen: al die accessoires zijn overbodig. Kijk naar de kleren," zeggen Viktor en Rolf, twee ontwerpers op de wip tussen kleren en kunst.

Agnes Goyvaerts

Het was niet hun eerste show, maar wel de eerste keer dat ze deel uitmaakten van, of juister, aan het staartje hingen van- de haute couture-week in Parijs. Want officieel horen ze er nog niet bij, al is er al serieus over vergaderd, iets wat hen eerst verwonderde, en nu hoopvol stemt. We ontmoeten Viktor en Rolf, twee bijna-dertigers van Nederlandse origine, in een kitscherige hotelsuite, daags na hun show. De strijkplank en het mouwplankje worden vlug in de kast geborgen, een stoel wordt aangedragen. De kleren die we de avond voordien op mannequins hebben gezien, hangen nu aan de kant. De schoenen en de hoeden staan op een rijtje aan het raam. Pas nu kan ik min of meer zien hoe ingenieus sommige dingen in elkaar zitten. Een bovenstuk van gouden en zilveren, door elkaar gevlochten linten, net een vlechtmatje, is gemonteerd op een zwart, geheel op maat gemaakt corset. "Pas gisterenmiddag is het afgeraakt. Die jongen heeft er tot de laatste minuut aan zitten naaien en is er dan mee uit Amsterdam gekomen. We wisten zelf niet hoe het er zou uitzien," lacht Viktor.

Viktor en Rolf studeerden in 1992 af aan de kunstacademie van Arnhem, richting mode, en hebben sindsdien een consequent, hoewel ongewoon parcours gevolgd. Hun curriculum loopt over deelname aan wedstrijden en tentoonstellingen, langs installaties voor etalages (onder andere voor De Bijenkorf, ter ere van designer Benno Premsela en Whistles in Londen) tot conceptuele performances (Claude Wampler New York) en kostuums voor het succesvolle fotografenduo Inez van Lamsweerde en Vinooth Matadin. "Eenmaal afgestudeerd zijn we vrij snel naar Parijs vertrokken," vertelt Viktor, de spraakzaamste van de twee, "in Nederland heerst immers niet echt een klimaat voor wat wij wilden doen. Mode is daar vooral confectie, en onze ambitie lag verder. We hebben bij wijze van spreken de matrassen in de auto gelegd en zijn naar Parijs vertrokken, zonder enig perspectief. Vandaar zijn we beland bij de wedstrijd voor jong talent in Hyères, in april 1993, waar we met onze eerste collectie meteen drie prijzen wonnen. Dat heeft ons gesterkt in de overtuiging dat we verder moesten doen zoals we bezig waren. Want aanvankelijk denk je ja, aan de academie kan je je uitleven, maar daarna stopt de creativiteit. Toen hebben we ons gerealiseerd dat ons werk toch voldoende zeggingskracht had, en dat was hoopvol."

Na Hyères werden ze aangezocht door onder anderen Olivier Zahm en Eileen Fleiss, het duo achter Purple Prose, om deel te nemen aan L'Hiver de l'amour, een tentoonstelling in het Musée d'Art Moderne van Parijs. En in diezelfde periode, maart 1994, organiseerden ze er, samen met de andere Nederlandse deelnemers aan het salon van Hyères, een tentoonstelling, Le Cri Néerlandais. Toen bleek dat ieder toch met een heel verschillend ding bezig was en dat ze beter niet als groep naar buiten konden komen. "Maar wij kregen heel goeie reacties. We werden serieus genomen en daardoor gingen we ons ook zelf serieus nemen." Nederland was heel sceptisch, maar in het buitenland werd wél gekeken naar wat het duo deed.

"In het begin zochten we natuurlijk onze weg. We hadden een vaag idee van 'hoe het moest' als je in de mode gaat," vertelt Viktor. "De normale weg is: een verkoopbare collectie maken en daarmee op een beurs gaan staan. Dus hebben we een keer deelgenomen aan Tranoi (ontwerpersbeurs in Parijs, red.), maar voor onze collectie werkte dat helemaal niet. We beseften dat we moesten zoeken naar een andere context om ons ding in te presenteren. Eigenlijk zijn de afgelopen vijf jaar een permanente zoektocht geweest naar die context, waarbij we soms op gespannen voet leefden met de gevestigde mode-instituten. "

In 1995 maakten ze een cd-rom, Défilé sans public , met Le Cri Néerlandais; hun vijfde collectie L'apparence du vide, presenteerden ze in 1995 in de galerie Patricia Dorfmann in Parijs. De volgende, in maart '96, was een catalogus, Viktor & Rolf on strike. Maar mode bleef wel hun grote ambitie, al draaiden ze dan half in het kunstcircuit mee. "In november 1996 hebben we een miniatuurversie van onze droom gemaakt voor galerie Torch in Amsterdam. De meest emblematische scènes van de modewereld hebben we op schaal uitgewerkt, zoals 'het atelier' waar de créateur bezig is, 'de catwalk' met een popje erop, 'de fotostudio' waar de opnamen worden gemaakt... Allemaal situaties uit de mode die we graag zelf wilden meemaken en die we ons op die manier hebben toegeëigend. Daarin paste bijvoorbeeld ook de lancering van een parfum. Dat hebben we gedaan, net echt, met alles wat erbij hoort: er was een flesje - wél op ware grootte - en een reclamecampagne, die ook echt gepubliceerd is in bladen. Alles was er dus, alleen: er was geen geur."

Toen bleek dat wat ze deden "als een soort zijcarrière", ook echt door kunstverzamelaars werd gewaardeerd en gekocht. Rolf: "Het gekke is dat we ons er al hadden bij neergelegd dat we onverkoopbare kleren maakten. Maar toen gingen we ons ding doen in een galerie en hadden we helemaal niet verwacht dat er mensen zouden zijn die dát wilden kopen. Tot onze eigen verwondering hebben we enkele installaties verkocht en leek het of onze kunst beter verkoopbaar was dan onze mode (lacht)." Ze worden sindsdien ook geregeld opgevoerd in kunsttijdschriften. In het spectaculaire magazine Visionaire bedachten ze voor 'The Fashion issue' een situatie waarin mannequins zitten en liggen op een slagveld van archieven, de projecten van Viktor & Rolf.

Om ervan te leven, zeg ik, vallen ze een beetje tussen twee stoelen; ze zitten met één been in de modewereld en met het andere in de kunst, maar in geen van beide gevallen in het commerciële circuit. De gemakkelijkste weg hebben ze zeker niet gekozen. Viktor: "Om van te leven is dat zeker zo, maar we doen dit omdat het het enige is dat we kunnen. Eigenlijk hebben we totnogtoe alleen geïnvesteerd in ons image, vooral om het te versterken naar de buitenwereld." Rolf: "Soms weten we zelf niet hoe het volgende project er moet komen, maar het is alleen op deze manier dat we verder willen." Viktor: "We laten ons niet leiden door de gedachte: wat moeten we binnen zes jaar?" Rolf: "Zelfs niet over zes maanden. De kans is reëel dat zulke gedachten je ervan weerhouden een initiatief te nemen. Als je te veel vooruitdenkt en afweegt, dan komt er sowieso niets. Acht maanden geleden zaten we tegenover elkaar en zeiden we: die couturecollectie en die show moeten er komen. Dat kost veel geld. Maar hij is er gekomen. Het is een soort mentale drempel die je moet nemen."

Ze wonen en werken nu opnieuw in Amsterdam. Parijs hebben ze niet nodig voor hun inspiratie, zeggen ze. Rolf: "Onze inspiratie komt uit onszelf. Dat hebben we best gemerkt toen we in Parijs woonden. We hebben ons eigenlijk drie jaar opgesloten in ons appartement, het maakte niet veel uit waar dat was. Voor ons is het belangrijk dat we ons gelukkig voelen, dan hoef je daar al niet meer over na te denken."

Hun voorbeelden in de mode zijn, behalve Yves Saint Laurent voor zijn haute couture, vooral Comme des Garçons en Martin Margiela, mensen die net als zij het experiment niet schuwen. Maar die hun intellectualistische mode wel een commercieel verlengstuk geven. Vinden ze zelf dat er in de coutureshow draagbare dingen zaten? "Jààà, natuurlijk," en Viktor loopt naar het kledingrek, haalt er een rechte grijze jas uit met grijze en zilveren lovertjes op geborduurd. Of de kruising tussen een zwarte smoking en een joggingpak, wild bespoten met blauw-groene verfstrepen.

Toch lijkt het me dat, zelfs als ze vijf van deze gewaden verkocht krijgen, het niet echt genoeg is om verder te investeren in couture. Doen ze, zoals veel andere ontwerpers, in de marge geen werk voor commerciële collecties? Of hebben ze nooit geprobeerd om bij een van hun grote voorbeelden werk te vinden? Viktor: "Neen. Hoe zou je dat moeten doen?"

Rolf: "Wij zijn eigenlijk altijd gewoon ons eigen ding blijven doen. We hopen maar dat, als iemand het interessant genoeg vindt, die erop afkomt." Viktor: "We zijn ook niet zo goed in het verzorgen van onze public relations. We vinden het erg moeilijk om onszelf te verkopen. Als je dat in acht neemt, vind ik wat tot dusver op ons is afgekomen nog best oké."

Dat is inderdaad niet niets. Bij Colette, de toonaangevende winkel in Parijs, hebben ze een etalage geïnstalleerd tijdens de coutureweek en werd al werk van hen vertoond in bladen als Self Service (zie elders in dit nummer) en Art Forum. Met het Groninger museum hebben ze een contract van vijf jaar. Het museum zal geregeld dingen van hen aankopen en in 2001 krijgen ze er een overzichtstentoonstelling. Galerie Torch in Amsterdam verkoopt hun werk; in mei nemen ze deel aan Creative time, een mode-expositie in New York; Richard Martin, de curator van het Costume Institute aan het New Yorkse Metropolitan Museum of Art, schreef de tekst bij de coutureshow in de galerie Thaddaeus Ropac, in januari dit jaar. Het zijn adelbrieven, en niet van de minste.

De reacties op het defilé - dat deels statisch was met modellen die bovenop het blok poses aannamen en deels lopend als een gewoon defilé - waren erg enthousiast. Er was een beperkt maar belangrijk publiek aanwezig, onder meer de voorzitter van de Chambre Syndicale de la Haute Couture en het kruim van de internationale pers. Didier Grumbach, voorzitter van de couturevereniging, kreeg de scherven van de porseleinen hoed (gemaakt door de Nederlandse sieradenmaker JKN Arnhem) die een model aan het eind van de show in stukken sloeg, bijna in zijn gezicht. Hij klapte enthousiast. "We hebben er nog even aan getwijfeld of we het zouden doen, of het niet té was," zegt Rolf. "Maar we hebben het er toch maar ingelaten." Een tweede keer, toen het model haar halssnoer van grote, witte porseleinen bollen dezelfde weg liet gaan, schrokken we al minder. Maar wat was de diepere betekenis ervan? Rolf: "Wat ons irriteert is dat men de laatste tijd een gebrek aan ideeën probeert op te lossen met pruiken van een meter doorsnede, grote hoeden, topmodellen... Wat we wilden zeggen is: dat is allemaal overbodig. Het gaat over de kleren." Viktor: "Als ze ons vragen wie onze favoriete vrouw is, zeggen we altijd: een Stockman (paspop, red.)" Daardoor ook vonden ze het haar en de make-up het moeilijkst voor de show. Omdat het niet de aandacht mocht trekken, maar toch wel afgestemd moest zijn op de kleren. Dan maar strak achterover gekamd. "Ik kan me zelfs niet meer herinneren hoe het was," zeg ik, en unisono roepen ze blij: "O, dan is het helemaal gelukt!"

Rolf: "Wij hebben in 1995 een hele collectie gemaakt in plissé en goud. Dat ging eigenlijk ook over de irritatie die we voelden, over het feit dat er niet gekeken wordt naar de kleding. We noemden ze l'Apparence du vide en we hadden gouden silhouetten gemaakt die in de lucht leken te zweven. We hadden geprobeerd om zo overbodig mogelijke versieringen aan te brengen, precies om dat aspect onder de aandacht te brengen."

Ze vertellen over het dubbele dat overal in hun werk zit: de mode als grote droom, maar tegelijk iets waar je cynisch naar kijkt. In hun defilé zat bijvoorbeeld een lang gewaad, met insnijdingen en losse repen, gemaakt uit originele haute-couturestof van Yves Saint Laurent, de naam geweven in de zelfkant. Ze hebben een exacte replica gemaakt van de eerste probeersels in baalkatoen, geknipt en daarna de stof met spelden vastgemaakt. Het ziet er ook een beetje agressief uit, alsof ze met plezier de schaar in Yves Saint Laurent hebben gezet.

"Dat is zo'n voorbeeld van dat dubbele," zegt Rolf, "we bewonderen hem, maar tegelijk kijken we er met ironie naar. Uiteindelijk is deze versie ook wel prachtig afgewerkt. Weet je, alles wat wij doen is mode, en het gaat over mode. Men heeft voor ons wel eens de term meta-fashion gebruikt." Of zoals Richard Martin het uitdrukt: "both critics and creators, intellectuals and artisans'". "De ene keer zijn we cynisch, de andere keer hoopvol," zegt Rolf. Viktor: "Maar nu zitten we wel in een hoopvolle fase."

In de modewereld worden ze ondertussen nog met enig scepticisme bekeken. "Maar dat geeft ons juist energie," zegt Rolf, "een beetje een piraterig gevoel zelfs, zoiets van: we doen het toch."

(Foto's defilé: Michel Damanet, Reporters)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234