Zondag 09/08/2020

Pin Ups

De hel bestaat en in de stad waar ik woon heeft zij onder andere de vorm aangenomen van een shoppingcenter. Het ligt sedert het einde van de grijze jaren '70 verborgen onder het wanstaltige plein dat Rogier heet en ik kom er zo weinig mogelijk. Maar soms stap ik er wel eens uit de moltrein om mij daarna via een sympathiek netwerk van roltrappen naar een plek net onder de hemel te begeven waar je vroeger gewoon fotogerief en drukwerk kon kopen en waar zich nu vooral computergekken ophouden.

Halfweg één van die glijdende trappen werd ik laatst aangesproken door een Mevrouw die op het eerste gezicht uit het Pajottenland leek te komen en op het tweede gezicht ook. Affligem, of zo. Ze noemde me familiair bij mijn voornaam en ze zei toen dat ze horen zeggen had dat ik veel van muziek wist. "Ik ken er veel die het daar niet eens mee zouden zijn", antwoordde ik. Een plotselinge aanval van bescheidenheid, zoals die mij wel eens vaker overkomt op een maandagmiddag.

Toen vroeg ik waarmee ik haar van dienst kon zijn. Er kwam een dovemansgesprek van, zoals altijd wanneer vrouwen uit het Pajottenland mij in hun netten vangen.

Toch beantwoordde ik geduldig al haar vragen, ook al omdat weglopen van die roltrap geen optie was. Ze hield vooral van De Romeo's, zei ze, en ze was blij dat ze nu samenwerkten met Willy Sommers.

Ik zei haar dat Vlaamse muziek de beste muziek van de wereld was en dat Sommers' 'Als een leeuw in een kooi' één van mijn favoriete songs aller tijden was. Ze dacht dat ik haar in de maling nam en ik probeerde haar meteen van het tegenovergestelde te overhalen. Maar daar had my woman from Affligem geen oren meer naar. Terwijl ik mijn stappen richtte naar de steeds maar groter wordende afdeling 'vinyl', zag ik haar al in een naburige zaak tussen de huishoudtoestellen verdwijnen. Eens van Affligem, altijd van Affligem.

Ik voelde me almeteen wel in een vaderlandslievende bui en besloot mij terstond een langspeelplaat aan te schaffen van een landgenoot. Die hoefde niet eens meer in leven te zijn en daardoor kon ik mijn zoektocht al snel afronden door de titelloze debuut-lp van Ferre Grignard mee naar huis te nemen. Ze is onlangs in de vorm van een volmaakte facsimile op lp en cd heruitgebracht, met wat steun van een van de beste dagbladen van Antwerpen, en ze deed me zelfs na één beluistering alweer lichtjes terug verlangen naar mijn late puberteit toen ik er ontelbare keren naar geluisterd heb, samen met een Waalse vriend die voor priester-dichter leerde. We zaten dan in zijn ouderlijke kelder, dronken goedkope chianti uit mandflessen en keken naar de vlam van een geurkaars terwijl we gedempt meezongen op 'Ring, Ring, I've Got to Sing', 'My Crucified Jesus' of 'We Want War'. We reisden zelfs ooit met autostop van bij de Heyzel tot in de Antwerpse Wolstraat waar we met rasse schreden een paar keer heen en weer door liepen in de hoop de grote Ferre Grignard toevallig tegen het lijf te lopen en hem om een autograaf te verzoeken.

Die vriend van mij is wel dichter geworden, maar geen priester. En hij is ook verslaafd geraakt aan verdovende middelen en daardoor op z'n 22ste al onder de zoden geraakt. Maar hij heeft me nog net voor hij heenging één langspeelplaat geschonken en dat was Space Oddity van David Bowie. De plaat zat in een uit artistiek oogpunt volledig verantwoorde hoes die een portret van Bowie vertoonde tegen een achtergrond die geleverd werd door de Hongaarse op-artkunstenaar Victor Vasarely.

Toen ik die bewuste plaat mocht ontvangen, was David Bowie nog niet écht beroemd en de bekende titelsong zou pas een flink jaar later hitwaardig blijken. Maar wij koesterden die hele lp vooral omdat ze anders was dan alle rockmuziek die wij tot dan toe kenden. Wij konden ons door alleen al maar in de spiegel te kijken beslist herkennen in een songtitel als 'Unwashed and Slightly Dazed' en chianti uit mandflessen deed ook altijd wonderen voor de samenzang op het zeven minuten lange 'Memories of a Free Festival' waarvan de wel honderdmaal herhaalde frase 'The sun machine is coming down and we're gonna have a party' ons dronken mantra werd.

Weer nuchter kwam ik eigenlijk al vroeg tot de vaststelling dat ik nooit écht passioneel van Bowie gehouden heb. Op The Rise and Fall of Ziggy Stardust na, wellicht. Ziggy is misschien wel de enige écht geslaagde concept-lp ooit. Een absoluut meesterwerk. Daarna kwam nog een rist geweldige singles: 'Golden Years', 'Let's Dance', 'Heroes', 'China Girl', 'Young Americans'. Ze staan zeker op de grote jukebox in de hemel. En ik ben niet écht dom: er zijn vanzelfsprekend nog een stuk of wat Bowie-langspelers die de tijd zeker zullen trotseren.

Maar ik zou liegen als ik beweerde dat Bowie een held van mij was. En liegen, dat doe ik niet meer: echt waar!

Bowie was door de jaren heen iets te veel met zijn haar bezig, naar mijn zin. Iets te veel bezig ook met hip zijn en vooral hip bevonden worden. Altijd zwevend tussen waarlijk kunstenaarschap en arty farty poses en dus helemaal in lijn met zijn eigen held Lou Reed. Waar ik ook maar mondjesmaat van hou. Al zeg ik dat zelden luidop.

Gek genoeg hoor ik Bowie het liefst wanneer hij niet zijn eigen werk zingt. Zijn versie van de soulklassieker 'Knock on Wood' vind ik beter dan het origineel van Eddie Floyd. Zijn 'I'm Waiting for My Man' deed mij pas echt beseffen hoe goed die Velvet Undergroundsong wel was en waar hij écht over ging. Zijn interpretatie van Bertolt Brechts songs op de EP Baal gaan dertig jaar na datum nog altijd door merg en been.

En de Bowie-lp die ik het meest gedraaid heb de afgelopen jaren, is ontegensprekelijk, getuige de veertig tinten grijs die het vinyl van kant 1 en kant 2 vertonen, zijn coverplaat Pin Ups.

Bowie bracht ze in de herfst van 1973 uit omdat hij een beetje moe was van de glamrockpersonae die hij aangenomen had voor zijn twee vorige projecten (Ziggy Stardust en Aladdin Sane) en ook, naar eigen zeggen, omdat hij zijn nieuw gevonden Amerikaanse publiek wilde laten kennismaken met de muziek die hem gevormd had in het hippe Londen van medio jaren '60.

Pin Ups is een korte collectie popsongs die Bowie tijdens de zomer van '73 opnam in het Franse honkychâteau d'Hérouville, samen met Mick Ronson, Trevor Bolder en Aynsley Dunbar op respectievelijk gitaar, bas en drums terwijl hijzelf behalve de excellente zang ook nog wat extra gitaar, alto en tenorsax, harmonica, backing vocals en een partij op de Moog-synthesizer op zich nam.

De songkeuze is helemaal ingegeven door het hart en de toenmalige tijd, en omvat tweemaal The Who ('I Can't Explain', 'Anyway, Anyhow, Anywhere'), tweemaal de volkomen onderschatte The Pretty Things ('Rosalyn', 'Don't Bring Me Down'), tweemaal The Yardbirds ('I Wish You Would', 'Shapes of Things'), éénmaal Pink Floyd ('See Emily Play'), éénmaal Them ('Here Comes the Night') en éénmaal The Kinks (een majestueuze versie van 'Where Have All the Good Times Gone'), maar ook verrassende tracks van vergeten groepen als The Easybeats, The Mojos of The Merseys. Die laatste voetnoten van de popmuziek zorgen zelfs voor de beste song van de hele plaat: de minder dan drie minuten durende opera 'Sorrow'.

Op sommige cd-versies van deze Pin Ups krijg je daar zelfs nog een naar de keel grijpende versie van Jacques Brels 'Amsterdam' bij.

Vanop de hoesfoto kijken Bowie en destijds topmannequin Twiggy ons een beetje triest toe. Ik hoor ze zo denken: Where have all the good times gone?"

David Bowie, begin jaren zeventig 'iets te veel met zijn haar bezig en ook met hip zijn en vooral hip bevonden worden'.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234