Vrijdag 30/10/2020

InterviewPsychologie

Piekert u ook zo vaak? Deze prof legt uit hoe u daar voordeel uit kunt halen

Bart Verkuil, hoofddocent klinische psychologie aan de universiteit van Leiden.Beeld Simon Lenskens

Ligt u ook weleens wakker van de hele coronacrisis? Geen paniek, sust de Nederlandse ‘piekerprof’ Bart Verkuil (39). In zijn boek legt hij uit waar die rampscenario’s in ons hoofd vandaan komen. En hoe we er ons voordeel mee doen. ‘Piekeren is menselijk. Sterker nog, we kunnen niet zonder.’

Nee, van dit interview heeft hij niet wakker gelegen, maakt Bart Verkuil zich sterk. Nochtans heeft de klinisch psycholoog, verbonden aan de universiteit van Leiden, behoorlijk wat afgetobd tijdens het schrijven van zijn boek. “Ik heb meermaals liggen denken: ‘Oh jee, ga ik die deadline wel halen? Heb ik genoeg inspiratie? En kán ik dit wel?’ Dan merk je hoezeer dat gepieker je vast kan zetten. Terwijl ik nu, achteraf bekeken, alleen maar kan vaststellen: dit was onwijs leuk om te doen. Ik had me helemaal geen zorgen moeten maken.” (lacht)

Klinkt herkenbaar? Weet dan dit: met De gelukkige piekeraar, dat volgende maandag verschijnt, steekt Verkuil ons een handleiding toe om voortaan prettig te piekeren. Want, zo wijst bijna veertig jaar onderzoek uit: al dat hoofdbreken heeft ook zijn nut, en een nachtje wakker liggen is helemaal zo slecht nog niet.

Qua timing hebt u het wel getroffen met uw boek. In coronatijden liggen we wellicht met zijn allen meer wakker dan anders?

Verkuil: “Het coronavirus heeft ons met een hele hoop nieuwe zorgen opgezadeld. Heel wat mensen zullen zich nu veel ongeruster maken dan anders. Denk aan kwetsbare groepen, aan mensen met gezondheidsklachten, of aan kinderen met ouders in de risicogroep. Maar ook ondernemers zijn bezorgder: ‘Staat mijn bedrijf er over een half jaar nog?’ Of nog: ouders die hun werk en het ‘preteachen’ moeten combineren. Ook zij liggen weleens te tobben: ‘Doe ik wel genoeg voor mijn baas? En lopen mijn kinderen nu geen gigantische achterstand op?’.”

Is al dat gepieker ook een symptoom van onze moderne samenleving, waarin we allemaal druk-druk zijn?

“Nee, het is iets van alle tijden. Het zit in onze natuur, zeg maar. Evolutionair gezien was het heel verstandig om bij een dreiging een stressreactie te hebben, en om gaandeweg steeds beter de toekomst te kunnen voorspellen. Zo hebben we in de loop van de evolutie het ‘gereedschap’ ontwikkeld om te kunnen piekeren. Zie het als een interne rookdetector in ons brein. Denk aan onze voorouders die een tak hoorden kraken en meteen op hun hoede waren: ‘Ow, komt er daar een roofdier aan?’”

Net zoals we nu ’s avonds in een donker steegje bij het minste geritsel al allerlei rampscenario’s voorbij zien flitsen?

(lacht) “Klopt, ook dat is die angstreactie. Al gaat het bij piekeren vooral over de lange termijn. Het gaat dan eerder over gedachten als: ‘Oh nee, wat als ik volgende week weer in mijn eentje in het donker naar huis moet?’

“Dat nadenken op lange termijn zag je ook al bij onze voorouders, op het moment dat ze vuistbijlen begonnen te maken. Iets waar ze zich maandenlang in moesten vastbijten, want zo’n bijl was niet in één-twee-drie klaar. Om zo’n project vol te houden, moesten ze die mogelijke dreiging dus voor ogen kunnen houden. Ze moesten zichzelf al over een half jaar kunnen zien, zwaaiend met die bijl.”

Wat zijn de ‘moderne roofdieren’? Waar liggen wij nu het meest wakker van?

“Vandaag spannen onze relaties, en ons hele sociale leven, de kroon. En dat hangt dus vaak ook samen met ons werk. ‘Krijg ik dat project wel af? Wat zal mijn baas anders niet denken?’

“Maar vergis je niet: ook onze voorouders hadden al sociale zorgen. Behalve voor roofdieren, koude en honger waren ze ook alert voor hun plaats binnen de groep. Ze waren er als de dood voor om verstoten te worden. Net zoals ook wij nu nog denken: ‘Stel dat ik een leugen vertel en dat komt later uit, gaan mijn vrienden me dan niet laten vallen?’”

Het piekeren heeft vroeger zijn nut al bewezen, schrijft u. Maar hoe doen we er vandaag ons voordeel mee?

“Gepieker kan aanzetten tot actie, tot handelen. De doorsnee piekeraar zal zich bijvoorbeeld sneller insmeren met zonnebrandolie. ‘Want anders verbrand ik nog en heb ik meer risico op huidkanker.’ Wie zich iets meer zorgen maakt, vertoont meer gezondheidsgedrag. Die zal sneller naar de huisarts stappen, of zich makkelijker laten screenen. En dat kan heel nuttig zijn. Maar het kan ook doorslaan.”

Hoezo, wanneer slaan we door?

“Kijk naar het hamsteren in het begin van deze corona-epidemie. Dat idee van: ‘We moeten nú massaal pasta en wc-papier inslaan, want straks is de voorraad op.’ Ook daar zag je hoe piekeren kan aanzetten tot actie. Je probeert een probleem dat zich in je hoofd afspeelt op te lossen. Alleen was dat hamsteren een reactie op een probleem dat er geen was. Er was helemaal geen tekort. Heel fascinerend vond ik dat.” (lacht)

Wat te denken van – ik zeg maar wat – journalisten die ’s nachts hele stukken in hun hoofd liggen te schrijven? Is dat ook een ‘call to action’?

(schaterlacht) “Absoluut. In zo’n geval kan het gepieker je helpen om je voor te bereiden op een probleem – de deadline halen.”

Allemaal goed en wel, maar dat tobben vreet toch ook aan onze slaap?

“Dat ga ik niet ontkennen. Mijn boodschap is zeker niet dat piekeren iets is waar we altijd even blij mee moeten zijn. Maar het is wel geworteld in een brein dat heel probleemoplossend is ingesteld. In die zin is het onlosmakelijk verbonden met onze natuur, en is het niet meer dan logisch dat we het doen.”

Hoe komt het eigenlijk dat we uitgerekend ’s nachts zo doordrammen in ons hoofd?

“Om te beginnen heb je ’s nachts veel minder afleiding - je ligt in bed en het is stil. Komt daarbij dat je brein ’s nachts verwerkt wat er zich overdag heeft afgespeeld. Alles wat voor jou belangrijk was, passeert nog eens de revue, om zich zo in je geheugen op te slaan.

“Plus: in het donker is onze schrikreactie nog versterkt. Evolutionair gezien was het nuttig om ’s nachts, in die donkere grot, iets alerter te zijn voor gevaar. Het uitgelezen moment dus om te malen.”

In uw boek tipt u: registreer je gepieker en het zal al verminderen. Echt?

“Je bewust worden van een gewoonte kan al helpen om ze te doorbreken. Zeker in bed is het goed om je gedachten gewoon even neer te schrijven, met het idee: morgen ga ik hier bewust aandacht aan besteden, maar niet nu. Niet middenin de nacht. Op die manier geef je je hoofd een soort afronding. Want ons brein houdt niet van onopgeloste problemen.”

Nog zo’n tip: zorg voor een vaste piekerplek in huis. Waar is dat goed voor?

“Als je ’s avonds, voor het slapengaan, nog even je dag overdenkt, dan neem je die noodzaak al weg om er ’s nachts verstrikt in te raken. Zelf doe ik dat ook.

“Ook to-dolijstjes zijn voor mij een grote hulp. Als ik ’s avonds op de bank mijn planning voor de volgende dag al maak, merk ik dat ik veel beter slaap.”

Als we tobben, vrezen we vaak wat er komen gaat. Maar kunnen we ons ook niet suf piekeren over iets wat al gepasseerd is? ‘Had ik niet beter…?’

“Typisch voor piekergedachten is dat ze beginnen met de vraag ‘wat als?’, waarop je dan het ene na het andere onheil ziet. Piekeren is dus per definitie op de toekomst gericht. In het andere geval vertrek je vanuit de vraag: ‘Heb ik daar wel goed aan gedaan? Had ik niet beter zus of zo?’ Dat noemen we herkauwen.

“Vaak zijn die twee nauw met elkaar verweven, er zit ook eenzelfde mechanisme achter. Want dat herkauwen draait meestal ook om een toekomstig gevolg. ‘Had ik dat telefoontje met die vriendin wel zo abrupt moeten afkappen? Wat als ik haar morgen tegenkom?’ Het valt allebei onder repetitief negatief nadenken.”

Piekeren is volstrekt normaal, sust u. Maar wanneer schieten we er toch in door?

“Nu, met corona, is het volkomen normaal dat we ons tijdelijk meer zorgen maken. Dat is een fase. Het wordt pas echt een probleem als het je langdurig beheerst, en je daardoor tot niks meer komt. Pas dan spreken we van een piekerstoornis, en ben je een chronische piekeraar. Het gepieker is dan meer een karaktereigenschap dan een tijdelijke stressreactie. Het is zo intens dat het echt ingrijpt op je dagelijks leven: die gedachten leiden je voortdurend af, je kunt je niet meer concentreren op je werk, thuis loop je afwezig rond en krijgt je partner geen contact meer met je. In dat geval mag er wel een alarmbelletje afgaan: hé, misschien laat ik me wel wat te veel in beslag nemen.”

De chronische piekeraars, waren dat dan de hamsteraars die aan het begin van de lockdown hun winkelkar vol stapelden met wc-papier?

“Dat waren zo’n beetje de Pietjes Paniek, denk ik. (lacht) Het waren zeker niet allemaal mensen met een piekerstoornis. Integendeel, bij chronische piekeraars zien we net dat ze vooral niét tot actie komen. Zij zitten doorgaans zo vast in hun gepieker dat ze niet meer weten wat te doen. Ze voelen zich overspoeld door hun negatieve gedachten en gaan volledig op slot. Hun interne rookdetector blijft de hele tijd afgaan, maar het leidt niet tot handelen.”

Hoe moeten we dat hamsteren dan zien? Dat was toch een paniekreactie?

“Zie het als een uitvergrote vorm van voorzichtigheid. Uit onderzoek weten we dat mensen sowieso voorzichtiger zijn afgesteld, zeker in tijden van onzekerheid. Dat zag je ook in de supermarkt. Zelfs mensen die zich anders maar weinig zorgen maken, propten nu hun kar vol.”

Zo’n twee à vier procent van de Vlamingen lijdt aan een echte piekerstoornis, schat u. Wie zijn zij?

“Vaak gaat het om mensen die emotioneel gevoeliger zijn. Of die op jonge leeftijd al geleerd hebben dat piekeren – of op je hoede zijn – erg nuttig is. Denk aan kinderen die opgroeien in een gezin met verwaarlozing of geweld. Maar evengoed groei je op in een warm nest, en heb je je ouders vaak zien piekeren. It runs in the family, zeg maar.”

Merkt u dat zelf ook, dat het in de familie zit?

(lacht) “Zeker. Bij de Verkuiltjes zijn er wel meer die al eens een nachtje wakker liggen, maar dan zonder dat het chronisch wordt.”

Er zijn ook verschillende soorten gepieker, zegt u. Een moeder die zich in een onbewaakt moment voorstelt hoe haar zoon later alleen naar school fietst en aangereden wordt. Versus: een man die zich kapot piekert over zijn vrouw met nierfalen, en bang is om alleen te vallen.

“Klopt, er is een verschil tussen jezelf allerlei onheil inbeelden, en daadwerkelijk zo’n rampscenario meemaken. In dat laatste geval is het niet meer dan logisch dat je je zorgen maakt. Dat zijn reële gedachten. Aan zo iemand kun je niet gewoon zeggen: stop met piekeren. Dat zou redelijk onmenselijk zijn.”

Maar het kan natuurlijk wel, je kind verliezen in het verkeer.

“Het risico bestaat, dat is een feit. Ben je eerder van het bezorgde type, dan zal je bij veel onzekerheden in het leven rampscenario’s bedenken. Dat heeft alles te maken met de vraag: hoe allergisch ben je ervoor dat je niet altijd de volledige controle hebt? Daar verschillen we in. De ene kan dat veel beter aanvaarden, terwijl de ander zelfs een risico van 0,01 procent wil uitsluiten en erover blijft malen.”

Beeld Simon Lenskens

Het is een van de meest gestelde vragen in uw praktijk: kan al dat gepieker ons echt ziek maken?

“Na één nachtje wakker liggen zul je je misschien al wat ellendiger voelen. Maar sleept het langer aan, dan kun je allerlei spanningsklachten krijgen: hoofdpijn, buikpijn, spierpijn. Wat dan weer een reden kan zijn om je nog meer zorgen te maken. Want wie zich ongeruster maakt over zijn gezondheid, zal er ook meer op letten. Zo kom je al snel in een vicieuze cirkel terecht.

“We weten ook: wie al van kinds af aan met stress kampt, loopt later meer risico op hart-en-vaatziektes. Al betekent dat nog niet dat je dan sowieso ten dode opgeschreven bent. Je genen en je gezondheidsgedrag – roken, drinken – spelen minstens een even belangrijke rol.”

Behalve mindfulness raadt u ook aan om aan zelfcompassie te doen. Wat houdt dat precies in?

“Wie piekert, spreekt zichzelf altijd streng toe. Je eist dat er zekerheden zijn, je wil de controle hebben. Zelfcompassie is leren om jezelf wat vriendelijker toe te spreken. Zoals je dat bij een goeie vriend zou doen. Het ironische is: piekeraars – meestal lieve, zorgzame karakters – weten vaak heel goed hoe ze een ander kunnen kalmeren. Maar zichzelf, dat is een ander paar mouwen. Dus moeten ze ook zichzelf leren geruststellen: ‘Weet je wat, joch, het komt wel goed’.”

En zo vegen we de vloer aan met onze angst?

“Zo laten we die angst niet voortdurend de bovenhand halen. Weet je, je kunt je emoties voorstellen als een orkest. Elke emotie is een instrument. Alleen is er bij de chronische piekeraar een tubaspeler aangeschoven – onze angst – die alles overneemt, en de andere emoties overstemt.

“En dat terwijl we ook op die andere emoties de schijnwerper mogen zetten. Die andere kant van jezelf is er ook: de opgefokte piccolo, de zwaarmoedige contrabas. Maar omdat de tuba zoveel aandacht vraagt – en jij gewend bent om die ook te geven – is het lastig om de andere kant op te gaan. Dat is dagelijks oefenen.”

Kent u mensen die nooit piekeren?

“Een van mijn beste vrienden heeft dat ooit beweerd, maar later – na stress op het werk – is hij daarop teruggekomen. (lachje)

“Je hebt natuurlijk mensen die heel optimistisch in het leven staan, die zich nergens door laten terugschrikken. Of nog: degenen bij wie hun geweten het laat afweten, die crimineler zijn van aard. Zij zullen vast erg weinig piekeren. Maar zelfs dan is het een heel menselijke reactie voor zo’n gangster om in de stress te schieten als de politie hem op de hielen zit. Hetzelfde met de optimistische ondernemer die een nacht slecht slaapt als zijn bedrijf kopje-onder dreigt te gaan. Maar dan denk ik: gefeliciteerd, je bent gewoon een mens.”(lacht)

Piekeren is menselijk, zegt u: ‘Sterker nog: we kunnen niet zonder.’ Zouden we het missen?

“Als we ons vermogen om te kunnen piekeren zouden uitschakelen, dan verliezen we een hele hoop: kunnen nadenken over de toekomst, ons ergens in vastbijten, ons betrokken voelen, prioriteiten stellen. Een piekervrij bestaan zou het leven een pak minder waardevol maken. Zo zie je maar: gelukkig zijn zij die piekeren.”

De gelukkige piekeraar - Waarom ieder mens weleens een nachtje wakker ligt (en waarom dat helemaal niet erg is), door Bart Verkuil, Ambo/Anthos Uitgevers, 288 pagina’s, 20,99 euro.

Wie is Bart Verkuil?

- 39 jaar

- hoofddocent klinische psychologie aan de universiteit van Leiden

- behandelt ook piekeraars in zijn praktijk 

- is getrouwd en heeft twee kinderen 

- hobby’s: muziek beluisteren, gitaar spelen en kickboksen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234