Dinsdag 19/01/2021

Picasso en de kubisten

Chronologische opbouw in Villeneuve d'Ascq laat evolutie in het kubisme zien

Wanneer de criticus Vauxcelles in 1905 de explosief gekleurde doeken van enkele jonge kunstenaars (onder meer Henry Matisse) die duidelijk met het toen gangbare impressionisme willen breken, bekijkt, noemt hij ze al spottend 'fauves', wilde dieren. De term blijft hangen en wordt een begrip. Wanneer diezelfde criticus in 1908 de schilderijen van Braque ziet, heeft hij opnieuw een spotnaam klaar: 'bizarreries cubiques'. En opnieuw wordt zijn spotnaam de naam van de beweging: kubisme. In datzelfde jaar leren Picasso en Braque elkaar kennen, en vandaar dat 1908 gewoonlijk als dé begindatum van het kubisme wordt beschouwd. Beiden waren een jaar eerder sterk onder de indruk geraakt van het postuum tentoongestelde werk van Paul Cézanne (1839-1906). Cézanne liet aan beide heren zien helemaal geen impressionist te zijn die zomaar wat vluchtige stemmingen weergaf. Nee, Cézanne - "een waanzinnige, die het delirium tremens schildert", meldde de pers in grote krantenkoppen - wilde geen realisme, hij wilde de wet der dingen achterhalen, de oerkracht blootleggen waaruit de dingen zijn ontstaan, en die ze doet zijn wat ze zijn.

En is het schilderij niet bij uitstek het middel om de 'natuurlijke orde' (want daar gelooft hij in) te vertalen in een artistieke orde? Binnen de vier hoeken van een schilderij moet daarom alleen het wezenlijke worden uitgedrukt; dus wegwezen met al die nutteloze details. Gevolg: het schilderij wordt een geometrisch vlak, en de bouwstenen worden eenvoudige geometrische vormen: cilinders, bollen, kegels. Het centrale perspectivische punt moet voortaan zichtbaar op het doek zelf liggen, en niet meer buiten het schilderij, zoals totnogtoe altijd het geval was geweest. Naar deze baanbreker Cézanne zal ongeveer iedereen teruggrijpen: fauvisten, abstracten en kubisten. Bekijk in dat verband vooral de werken in Salle 2 op de expositie in Villeneuve d'Ascq. In Salle 1 werd al gewezen op de invloed van het primitivisme en van het exotisme van Paul Gauguin (1848-1903).

Kubisten waren analytische geesten. Weergave van de werkelijkheid interesseerde hen niet. Ze vonden dat ze de dingen eerst moesten ontrafelen, demonteren, om ze nadien weer in elkaar te passen, maar dan anders, systematischer, gestructureerder. Aanvankelijk probeerden ze hun nieuwe techniek - deconstructie en constructie - vooral uit op stillevens van karaffen, flessen, glazen, boeken en muziekinstrumenten. De eendimensionale blik vanuit één bepaald standpunt werd vervangen door een multiperspectivisch aanzicht, alsof ze eerst even rond het af te beelden voorwerp (of aangezicht) waren gelopen. Dat 'simultaanperspectief' is in wezen niets anders dan de dimensie 'tijd' die aan het schilderij wordt toegevoegd (zie vooral Salle 3). Bij de futuristen in Italië zie je omstreeks dezelfde tijd hetzelfde fenomeen opduiken. Om de ritmiek van het intussen zeer gefragmenteerde, en alsmaar meer tot facetten en splinters verbrijzelde beeld te accentueren, laten de kubisten het gebruik van felle kleuren achterwege. Meestal beperken ze zich tot gelijkmatig verdeelde grijsbruine tinten, precies om de aandacht voor hun vlakke, bijna abstracte composities niet in gevaar te brengen. Pas in 1912 keert de kleur bij Picasso terug. Voor het eerst zal hij zelfs industriële verf op het canvas uitsmeren.

De kubisten waren zo bezig met de realiteit van het schilderij an sich dat hun werk gaandeweg aan herkenbaarheid ging inboeten. Hun doeken werden op de duur zo hermetisch dat geen kat er nog wat van begreep. En dat vonden ze kennelijk toch niet echt de bedoeling. Dat besef heeft hen ertoe gebracht om 'realistische' elementen, banale dingen uit de werkelijkheid, te gaan toevoegen, zogenaamde objets trouvés, zoals stukken behang en krantenknipsels. Zelf hebben ze het over papiers collés (geplakt papier). Terwijl de kubisten in het begin nog zuiver 'analytisch' te werk gaan (demonteren en daarna opnieuw monteren), gaan ze in een tweede fase vooral 'synthetisch' te werk. Ze evolueren langzaamaan naar een veel vrijere compositie.

De belangrijkste vertegenwoordigers (behalve de reeds genoemde): Robert en Sonia Delaunay, André Derain, Marcel en Raymond Duchamp, Henri Gaudier-Brzeska, Albert Gleizes, Juan Gris, Roger de La Fresnaye, Henri Laurens, Fernand Léger, André Lhote, Jacques Lipchitz, Louis Marcoussis, Jean Metzinger, Léopold Survage, Jacques Villon, Ossip Zadkine. In Villeneuve d'Ascq hangen ze allemáál aan de muur.

Musée d'Art Moderne de Lille Métropole (1, allée du Musée, Villeneuve d'Ascq). Tel. 0033/3.20.19.68.68. Open: elke dag, behalve dinsdag, van 10 tot 18 uur. De tentoonstelling Les Années Cubistes (de jaren van het kubisme) loopt nog tot 18 juli. Toegang: 43/24/10 FF (6,51/3,63/1,51 euro). Cataloog: 190 FF (28,77 euro). Met de auto: afrit 5-6 Château-Cousinerie op A22. Met openbaar vervoer: Thalys (38 minuten vanuit Brussel-Zuid), metrolijn 1, halte Pont de Bois en vervolgens bus 41, halte Parc Urbain-Musée. Blijf Metro in de gaten houden: binnenkort valt een gratis rondleiding uit de lucht.

Vrijdag 26 maart gaat Eric Min in Café des Arts wat dieper in op deze overigens 'zeer te pruimen' expositie in Villeneuve d'Ascq.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234