Zondag 25/10/2020

InterviewDe kinderen van Wim Opbrouck

‘Petities tekenen, recycleren, op je verbruik letten en ook nog eens gaan betogen... Het is soms té veel’

Beeld Koen Bauters Humo 2020

Zij houdt van rust, is pessimistisch van aard en volgde zowat elke opleiding aan de muziekschool. Hij is energiek en sportief en ‘optimist tot in de kist’. Marthe (26) en Emiel Opbrouck (23) blijken op nog wel meer gebieden tegenpolen te zijn, maar er is ook iets dat hen bindt: ‘We hebben dezelfde tattoo: een tekening van papa.’

Het is rustig ten huize Opbrouck: papa Wim heeft opnames, mama An is gaan werken. Marthe en Emiel zitten in de tuin, op zoek naar wat verkoeling op een bloedhete dag. “Dit doet deugd”, zegt Marthe. “Ik heb sinds het begin van de coronacrisis nog maar één week vakantie genomen. Eens je bent afgestudeerd – goed anderhalf jaar geleden – valt dat gevoel van zomervakantie helemaal weg, helaas.”

Je bent groepswerker in De Sleutel, een centrum voor begeleiding van mensen met drugsproblemen.

Marthe: “Ik sta op de afdeling voor volwassen mannen met een dubbele diagnose: een verslaving en een psychologisch probleem. Het is moeilijk om uit te leggen wat mijn job inhoudt – ze gaat zo breed – maar algemeen gesteld bereiden we deze mensen voor op een goede terugkeer naar de maatschappij. We gebruiken vaak de metafoor van het paard en de ruiter: het paard is de verslaving en wij leren de ruiter om dat paard in het gareel te houden. Niet makkelijk, en vaak zien we mensen na verloop van tijd terug. Eens iemand verslaafd is geweest, blijft hij voor eeuwig in het zadel. Eén zwak moment kan ervoor zorgen dat het paard er weer vandoor gaat.”

Was deze job een jeugddroom?

Marthe: “Totaal niet. Ik wilde actrice worden. Na het middelbaar hoopte ik naar het KASK te gaan, maar mama en papa stonden erop dat ik eerst iets anders studeerde – daarna mocht ik doen wat ik wilde. Ik heb toegepaste psychologie gedaan in Hogeschool VIVES in Kortrijk, en nog een postgraduaat intercultureel werken en coachen. Nog altijd met het idee dat ik nadien naar het KASK zou gaan en daar mijn weg in zou vinden, maar dat is dus niet gebeurd.”

Nóg niet.

Marthe: “Ik denk niet dat het nog gaat gebeuren. Ik bén naar het KASK gegaan, ik heb het eerste jaar met goede punten beëindigd. Maar die zomer kreeg ik een dubbele hernia. Na een paar héél pijnlijke weken ben ik, vlak voor de start van het tweede jaar, geopereerd. Ik kon de fysieke lessen niet volgen en ik zag het niet zitten om op die manier te beginnen. Ik had sowieso al mijn twijfels: ik voelde me niet voor 100 procent goed in mijn vel in die richting.”

Misschien hadden je ouders al vóór jou aangevoeld dat het niet helemaal jouw wereld zou zijn.

Marthe: “Ik denk dat ze me vooral wilden behoeden voor een onzekere toekomst. Intussen hebben ze daarin gelijk gekregen, als je ziet wat de cultuursector doormaakt.”

Emiel: “Papa weet hoe moeilijk het is om in die wereld door te breken. Als je dan al een diploma hebt, heb je iets om op terug te vallen.

“Ik heb de lerarenopleiding lichamelijke opvoeding en bewegingsrecreatie gedaan. Ik was in het middelbaar al heel sportief, dus dat leek een logische keuze, al heb ik lang getwijfeld of ik leerkracht wilde worden. Ik ben vorig jaar afgestudeerd, en heb het afgelopen schooljaar een aantal uur kunnen lesgeven in een lagere school. Dat combineerde ik met een job bij een boomkweker, om voltijds te kunnen werken. Tot vorige week was ik ook leider bij de scouts van Harelbeke. We zijn net terug van het kamp – mijn allerlaatste. Je voelde aan iedereen, zeker ook aan de kinderen, dat we lang thuis gezeten hebben en er echt nood aan hadden.”

Waar zijn jullie geweest?

Emiel: “Olloy-sur-Viroin in Wallonië. Normaal gingen we op buitenlands kamp naar Georgië, maar we mochten niet buiten Europa. Spijtig, maar dit was een leuk alternatief.”

Ben je al lang bij de scouts?

Emiel: “Sinds het derde of het vierde middelbaar. De laatste vijf jaar als leider. Ik ga het missen, maar het is mooi geweest. Je moet je nog kunnen engageren, en hoe ouder je wordt, hoe minder je dat ziet zitten – zeker eenmaal je aan het werken bent.”

Alle scholen zijn weer open.

Emiel: “(knikt) Ik kan opnieuw halftijds aan de slag in de school van vorig jaar.”

Komiek Philippe Geubels zei in één van zijn zaalshows: ‘Een turnleraar met een burn-out, als dát kan, dan kan alles.’

Emiel: “(lacht) Ik kan hem wel ergens volgen.”

Marthe: “(tegen Emiel) Maar dat ligt vooral aan jou, hè. Jij hebt gewoon nooit stress.”

Emiel: “Dat is waar. Nu ja, ik kan wel stress hebben, maar ik blijf er makkelijk mee presteren.

“Misschien ga ik ooit nog wel iets anders doen. Mijn afstudeerrichting was natuursport: klimmen, canyoning, mountainbike, kajak, skiën... Ik ben avontuurlijk, maar het is niet zo makkelijk om in die richting een job te vinden. Ik ben er in mijn vrije tijd wel graag mee bezig: ik ga regelmatig skiën en snowboarden, en ik doe aan rots- en muurklimmen en canyoning.”

En aan zaalvoetbal: ik las dat je dit seizoen acht goals hebt gemaakt bij ZVC De Fruitsjotters.

Emiel: “(lacht) Ik doe dat niet voor de prestaties, ik ben nooit een competitieve sporter geweest. Ik moet gewoon bewegen. Ik heb al sinds het tweede middelbaar twaalf uur sport per week, en dat wilde ik blijven doen, ook nadat ik was afgestudeerd. Dus speel ik ook in twee ploegjes zaal- en minivoetbal.”

Marthe, waar kun jij je energie in kwijt?

Marthe: “Ik ben totaal niet sportief, nooit geweest. Ik ben eerder van de muziekschool: ik heb saxofoon, kamermuziek, samenspel, voordracht, drama, welsprekendheid en repertoirestudies gedaan. Zes jaar geleden heb ik, samen met enkele anderen, theatergezelschap Het Bataljong opgericht. We wilden meer dan het puur amateuristische – zonder per se professioneel te willen worden – en dat vonden we in Kortrijk niet.

“Sinds ik werk, staan mijn hobby’s op een lager pitje. Nu vind ik mijn uitlaatklep vooral in de dans. Gewoon thuis, ik heb geen tijd voor een dansschool. Vanaf september ga ik danstherapie volgen, een halftijdse opleiding die ik ga combineren met 60 procent werken. Daar zal ik ook wel mijn ei in kwijt kunnen.”

Jij lijkt meer de genen van je vader te hebben meegekregen.

Marthe: “Op cultureel gebied wel, op andere vlakken lijkt Emiel meer op hem. Papa is bijvoorbeeld een plaaggeest, net als Emiel. Ik ben een perfect slachtoffer: ik zit nogal snel op mijn paard, en dat vinden ze natuurlijk leuk. (lacht)

Heb je al met je vader samen gespeeld?

Marthe: “Nog niet. Ik heb daar wel al over nagedacht. Ik zou het leuk vinden, maar ook spannend, omdat ik hem in die gedaante niet ken. De acteur op het podium is iemand anders dan de papa die wij hier thuis zien.”

Zou hij streng zijn?

Marthe: “Sowieso. Hij vindt niets dat we doen zomaar goed. Wat ik heel gezond vind, hoor. Ik ben hem ook nooit feedback gaan vragen, zelfs niet voor mijn ingangsexamen aan het KASK. Ik wilde dat zélf doen, zonder te veel focus op mijn achternaam.”

Dat komt vaak terug: de angst om gereduceerd te worden tot ‘zoon of dochter van’, zeker als je dezelfde richting uitgaat.

Marthe: “(knikt) Op het KASK had ik vaak het gevoel dat mensen me met hem aan het vergelijken waren. Maar misschien beeldde ik het me in.”

ONDERTITELS

Worden jullie vaak aangesproken op jullie bekende vader?

Emiel: “Als het uitkomt wel, ja. We beginnen er zelf nooit over.”

Marthe: “Mensen beginnen natuurlijk snel vragen te stellen. Opbrouck? Uit Bavikhove? Dat doet een belletje rinkelen.”

Emiel: “We hebben er nooit slechte ervaringen mee gehad. Er zijn wel mensen die, eens ze weten wie papa is, plots meer toenadering zoeken, maar die leer je met de jaren snel te herkennen. Dan denk ik: afronden en wegwezen.”

Hoe vaak krijgen jullie de vraag om de ondertitels aan te zetten?

Marthe: “(lacht) Dat is niet te doen. Er zijn zinnetjes die telkens terugkomen: ‘Kerekewere’ (een sketch van Wim Opbrouck uit ‘Alles kan beter’, red.), en Gerrit Callewaert met zijn ondertitels (uit ‘In de gloria’, red.).”

Emiel: “Veel scholen gebruiken die sketch in de lessen Nederlands. Daardoor blijft het meegaan.”

Marthe: “Die sketch is echt ingeburgerd. Als ik zeg dat ik van Bavikhove ben, is de reactie haast élke keer: ‘Ai, we gaan je moeten ondertitelen, zeker?’ Zélfs als ze niet weten wie mijn vader is.”

Is dat dan nog grappig, of denk je: daar gaan we weer?

Marthe: “Doe maar dat laatste. (lacht)

Wanneer kwam bij jullie het besef: mijn vader is bekend?

Emiel: “Redelijk snel. Wanneer was Het eiland weer op tv? Pakweg vijftien jaar geleden? Ik was een jaar of acht en besefte plots dat het níét normaal is dat je papa op tv komt.”

Marthe: “Op Ketnet liep daarvoor Level X, waarin papa boer Robby speelde. Daar stelden we ons nog geen vragen bij. Tijdens Het eiland begonnen mensen ons aan te spreken: ik heb jullie papa op tv gezien!”

Zijn jullie streng opgevoed?

Emiel: “Nee. Denk ik.”

Marthe: “‘Streng’ is zo’n lelijk woord. Ik zou onze opvoeding eerder omschrijven als: zeer rechtvaardig en altijd met het oog op ons welzijn. We zijn niet verwend geweest, we hebben altijd moeten werken voor onze centen en school ging voor op alles.”

Emiel: “Dat is niet streng, toch? Streng associeer ik met boos, hard en koud. Dan zou ik zeggen: we zijn niet streng opgevoed. Maar we kregen zeker geen laisser-faire-opvoeding.”

Marthe: “Er was een goede balans. Natuurlijk hebben we gepuberd – ik nogal fel zelfs – en hebben we gebotst, maar dat moet kunnen. Onze ouders zijn daarin heel gezond geweest: om 2 uur thuis was om 2 uur thuis, en als het later werd, kregen we een preek.”

Jullie zijn opgegroeid in Bavikhove, een dorp met nog geen vierduizend inwoners.

Marthe: “We hebben hier weinig gedaan. Ons sociale leven speelde zich vooral in de tuin af, met de kinderen van de buren, en in Kortrijk en Harelbeke.”

Emiel: “Er is hier niet veel, hè. Sportclubs zijn er niet, er is enkel een Chiro. Maar erg vond ik dat niet: als je wat doorfietst, sta je op 20 minuten in Kortrijk of Harelbeke.”

Marthe: “Ik heb daar wél op gevloekt. Als ik iets wilde doen, moest het gepland worden: iemand moest me brengen, of ik moest de trein nemen. Ik voelde me ver weg van alles. Zo’n dorp geeft rust, maar ik had toch meer nood aan een bruisend stadsleven.”

Vandaar je verhuis naar Gent.

Marthe: “(knikt) Emiel en ik hebben daar drie jaar samen op kot gezeten, en ik ben gebleven. Het clichéverhaal van de West-Vlaamse die blijft hangen.”

Emiel: “Ik heb heel graag in Gent gezeten, maar ik zou er niet permanent willen wonen. Ik verkies de rust hier.”

Jullie lijken op veel gebieden tegenpolen.

Marthe: “Dat is zo, maar we komen goed overeen. Weet je wat ons verbindt als broer en zus?”

Emiel: “(verbaasd) Wat dan?”

Marthe: “Onze voorliefde voor tattoos.”

Emiel: “O ja, we hebben allebei meerdere tattoos. Eén dezelfde: een tekening van papa (toont de tattoo op zijn arm). We hebben die ook samen laten zetten.”

Marthe: “Bij mij staat hij op mijn rug. Het is een mannetje dat al meegaat uit onze kindertijd, en de zin ‘Walk, don’t run’. Dat was papa’s boodschap voor ons: niet te rap groot worden, doe maar op ’t gemak.”

Emiel: “Ik ben pas onlangs te weten gekomen dat dat van een liedje komt: ‘Walk, Don’t Run’ van The Shadows.

“Verder hebben onze tattoos geen speciale betekenis. Dat hoeft niet: we moeten ze gewoon mooi vinden. Al sluiten ze natuurlijk vaak aan bij onze interesses, zoals deze (toont ski’s op zijn bovenarm). Ik denk er telkens wel lang over na voor ik er één laat zetten.”

Marthe: “Ik niet. Zo zag ik eens een kaartje van Kom Op Tegen Kanker met een illustratie van een kat, getekend door Sassafras De Bruyn. Ik besloot meteen: die laat ik zetten – ik heb Sassafras vooraf wel om toestemming gevraagd.”

Jullie opa langs vaderskant, Dirk Opbrouck, was jarenlang schepen van Feestelijkheden van Harelbeke. Jullie vader lijkt me ook iemand die plezier kan maken. Zit dat in de familie?

Marthe: “We vieren graag, ja. Pepe is de pater familias, en elke gelegenheid is goed om samen te komen. Het is niet van hoempapa-hoempapa, we zijn een rustige familie: onze feesten zijn eerder gemoedelijk. Meestal zitten we rustig te praten aan tafel.”

Is alles bespreekbaar?

Emiel: “Eigenlijk wel.”

Marthe: “Ik hou niet zo van het idee ‘mijn ouders zijn mijn vrienden’. Ik vind dat er een zeker respect moet zijn, het blijven ten slotte je ouders. Met het opgroeien merk ik wel dat onze relatie anders wordt. Zeker sinds ik niet meer thuis woon en ‘op bezoek’ kom, is het makkelijker om dingen op tafel te leggen.”

Emiel, jij kwam tijdens de lockdown terug thuis wonen.

Emiel: “Dat had niets met de lockdown te maken: ik was afgestudeerd en zegde mijn kot op. Het viel toevallig samen.

“Ik ben tijdens de lockdown de hele tijd blijven werken: bij de boomkwekerij en op school, waar we geen les konden geven, maar wel noodopvang gaven aan kinderen van ouders die bijvoorbeeld in de zorg werken.”

Marthe: “Ik ben ook blijven werken. We hadden drie collega’s met symptomen. Dat was helemaal in het begin, toen er nog geen testen waren. We wisten niet zeker of ze corona hadden, maar we konden geen risico nemen. We hebben allemaal extra shifts gedraaid om hun afwezigheid op te vangen. Het was pittig, maar we hadden meteen de mentaliteit: ‘We gaan dat hier doen, met ons teampje.’

“Voor de bewoners was het ook niet evident: ze mochten niet meer naar buiten en mochten geen bezoek ontvangen. Wij waren de enigen die nog binnen- of buitengingen, wat een zekere druk op onze schouders legde: als het virus binnen geraakte, was het via ons. Ik heb me heel strikt aan de social distancing gehouden. Gelukkig woon ik samen met mijn lief, waardoor ik niet alleen was. En omdat ik kon gaan werken, was ik dagelijks van huis. Elke dag met je lief in dezelfde ruimte zitten, lijkt me belastend voor je relatie.”

Jullie mama werkt in een woon-zorgcentrum.

Emiel: “Ze heeft een administratieve functie, maar sinds de lockdown heeft ze enkele taken overgenomen van zorgkundigen, onder andere de telefoons aannemen. Dat maakt de werkdruk een stuk hoger. De eerste periode was nog de rustigste – toen was nergens bezoek toegelaten, dat was voor iedereen duidelijk. Nu mogen woon-zorgcentra zelf hun bezoek regelen. Het is gebeurd dat mensen in het nieuws hoorden dat bezoek weer toegelaten was, maar dat er bij mama net een uitbraak was waardoor ze daar de deuren moesten sluiten. Dat is lastig voor iedereen, ook voor de persoon die het mag uitleggen aan de telefoon.”

Marthe: “Ze is heel voorzichtig, nog steeds. Het is belangrijk dat bij ons thuis niemand ziek wordt.”

VUUR EN GELD

Heel jullie gezin zat in de zwaarst getroffen sectoren: het onderwijs, de zorg en de cultuur.

Marthe: “Ik denk dat alle sectoren zwaar geraakt zijn. De sectoren waar wij in werken, zijn vooral die waar moeilijker een oplossing voor te vinden is, omdat we met mensen werken. Dat geldt zeker voor het onderwijs: dat treft de kinderen, maar ook de ouders die gaan werken en opvang nodig hebben.”

Was jullie vader ongerust toen zijn werk stilviel?

Emiel: “Hij was – en is – bezorgd, maar ik denk dat dat logisch is als je sector zo hard wordt geraakt. In het begin denk je nog: het zal wel meevallen. Maar we zitten hier nóg, en het einde is niet in zicht.”

Marthe: “Hij had net een theatervoorstelling gemaakt met Wilfried de Jong: Jungfrau. Alle voorstellingen zijn afgelast. Het viel dus even stil. Er kwamen wel alternatieven, onder meer de dagelijkse liedjes die hij tijdens de lockdown maakte voor VIER.

“Mijn ex-klasgenoten gaan nu naar hun vierde jaar. Voor hen is de toekomst heel moeilijk. Het is voor hen dat ik mee de straat op kom. Ze zijn nog zo jong. Maar ze hebben veel vuur. Dat vind ik schoon: ik zie dat ze nog lang niet uitgedoofd zijn. Ik hoop dat ze die fakkel kunnen laten branden en doorgeven aan elkaar, en dat ze niet onderling groepjes gaan beginnen te vormen. Het is belangrijk om samen te komen en aan hetzelfde zeel te trekken, zeker nu.

“Ik ben pessimistisch van aard, ik zie de dingen sowieso snel negatief in. Maar we moeten eerlijk zijn: het ziet er niet goed uit. Ik ben echt bang dat het allemaal gaat verdwijnen. Al geloof ik dat er uit de as iets moois kan herrijzen. Er moet gewoon heel veel aandacht naar de sector blijven gaan. We zijn niets zonder cultuur, en met wat voetbal gaan we het niet redden. (windt zich op) Kom zeg, de Pro League mag doorgaan, want ‘we mogen niet alles wat leuk is afschaffen’? Ik kan me daar zeer hard in opjagen.”

Als ludiek protest verenigde het Antwerpse cultuurhuis Onder Stroom zich met andere cultuurhuizen in de Cultural Pro League, inclusief aangepaste logo’s.

Marthe: “Dat is goed. Mensen mogen in de bioscoop naar het voetbal gaan kijken, maar ze mogen niet naar het theater? Dat klopt niet. Zulke acties leggen telkens weer de vinger op de wonde.

“Nu, ik volg het niet op de voet. Af en toe stap ik eruit. Ik laat me heel snel meeslepen en ik kan me ergens echt in verliezen. Dan moet ik mezelf beschermen en even mijn kop in het zand steken. Ik besef dat dat niet in dank wordt afgenomen: mijn generatie is de generatie die op de barricades springt. Iedereen rond me is geëngageerd en linksgezind en zeer actief bezig met thema’s als het klimaat en Black Lives Matter. Je moet petities tekenen, recycleren, op je verbruik letten en intussen ook nog gaan betogen... Voor mij is het soms té veel.”

Goed dat je dat zelf aanvoelt.

Marthe: “Vind je? Ik denk nu al: ai, wat gaan de mensen hiervan zeggen?

“Tijdens de lockdown was iedereen bezig met ‘de tien boeken die je móét gelezen hebben’ en ‘maak je eigen mondmasker’, waardoor ik op den duur dacht: dat moet ik dus óók allemaal doen. Tegelijk dacht ik: ho, rustig. Niets doen is ook cool. Ik bewonder mensen die zich inzetten, en ik zou gráág zo iemand zijn, maar op dit moment in mijn leven heb ik er gewoon geen ruimte voor.”

En jij, Emiel? Loop jij vooraan in alle betogingen?

Emiel: “Ik ben bezorgd – ik ga graag naar festivals en optredens en musea, en zou het erg vinden mocht dat allemaal wegvallen – maar ik ben niet iemand die zich daar voor 100 procent voor gaat engageren, ook omdat cultuur niet mijn leefwereld is. Al vind ik de acties heel mooi.”

Tom Van Dyck pleitte er in De Morgen voor om de cultuursector anders te organiseren, met een aantal grote theaterhuizen en vaste acteurs. Nu gaan de vaste contracten vaak naar de ondersteunende diensten en wordt pas op het einde van de rit bekeken welk budget er over is voor de acteurs.

Marthe: “Voor mij voelt dat als het oude model aan. Vroeger had je die grote huizen met hun vaste equipe. Het nadeel was dat het voor jonge mensen moeilijk was om een job te vinden: er was maar een beperkt aantal aanwervingen. Milo Rau (theatermaker en artistiek directeur van NTGent, red.) heeft dat systeem veranderd. Hij wilde jonge acteurs meer kansen geven en begon te werken met freelancecontracten – wat inderdaad het nadeel heeft dat je als freelancer helemaal onderaan de ladder staat als het over uitbetaling gaat.

“Ik ga me hier niet profileren als iemand die er heel veel van kent, maar ik vind dat je nooit moet teruggaan naar iets van vroeger. We moeten kijken naar wat er nú aan de hand is, en daarvoor een nieuw format bedenken. We leven in 2020, we moeten leren uit het verleden maar vooral kijken naar het heden en de toekomst – anders blijven we slingeren. Eigenlijk moet er gewoon meer geld zijn voor cultuur, punt.”

Dat geld moet ergens vandaan komen.

Marthe: “(droog) Misschien kunnen ze wat minder uitgeven aan gevechtsvliegtuigen?

“Kijk, ik vind dat cultuur er echt toe doet. Als de cultuur uitsterft, zitten we in Noord-Korea. Dan dooft het levensvuur van veel mensen uit, om nog te zwijgen over alle jobs die eraan vasthangen.”

Misschien wordt de term ‘cultuur’ te eng begrepen: denken mensen alleen aan theater of klassieke concerten. Studio100 brengt in zekere zin ook cultuur met zijn musicals en kindershows.

Marthe: “Precies. Cultuur is niet elitair, het gaat veel breder dan dat.”

Is een voetbalmatch op een groot scherm dan ook cultuur?

Marthe: “Hm, goed punt. Dat is natuurlijk dé vraag: wat is cultuur? Neem het voetbal weg en ons leven zal ook een stuk somberder zijn. Het bereikt een ander publiek, maar er zit evenveel passie in.”

Emiel: “En het brengt mensen samen en laat hen genieten, wat toch het doel is van cultuur. Of dat nu van een voetbalmatch, een tenniswedstrijd of een optreden van een band komt.”

Marthe: “Het is geen of-ofverhaal, het is en-en. Maar het komt altijd op hetzelfde neer: geld. En het ene wordt een stuk beter betaald dan het andere.”

SAMEN KLIMMEN

Iets helemaal anders dan: de liefde.

Marthe: “Ha, de liefde. Wat een beladen woord.”

Jullie ouders zijn high school sweethearts. Vormt dat jullie beeld van relaties?

Emiel: “Ik weet het niet. Ik ben al een hele tijd samen met mijn vriendin. Sinds... (aarzelt)

Marthe: “Waren jullie geen veertien jaar? Of zestien?”

Emiel: “Zoiets. Het zit heel goed tussen ons, maar of het eeuwige liefde is? Ik laat de zaken liever op me afkomen, in de plaats van twintig of dertig jaar vooruit te denken. Dat werkt voor mij, en ik denk dat het voor mijn vriendin ook werkt.”

Marthe: “Wat jullie hebben is wel echt mooi.”

Emiel: “Dat is het net: het is goed zoals het is. Dan wil ik daar verder niet te veel over nadenken.”

Nog geen plannen om te gaan samenwonen?

Emiel: “Misschien wel, maar dan eerder in de vorm van cohousing. Alleen huren is financieel niet makkelijk, en bovendien lijkt het ons leuker om samen met vrienden of een ander koppel te beginnen. We willen het stap voor stap opbouwen.”

Marthe: “En jullie projectje!”

Emiel: “(knikt) We hebben samen een camionette gekocht, en die zijn we aan het ombouwen tot een camper. Daarmee willen we gaan reizen, misschien eens vier, vijf maanden aan een stuk. Alleen is dat in deze coronatijd niet zo makkelijk te plannen.”

Hebben jullie een droombestemming?

Emiel: “Oceanië en Zuid-Amerika. Maar dat zal er niet meteen van komen: we hebben nu die camionette gekocht, het zou al te gek zijn om die te laten overvliegen. In Europa valt óók veel te ontdekken, vooral naar het oosten toe: Roemenië, Hongarije, Albanië... En wie weet ooit toch nog Georgië.”

Is je vriendin net zo avontuurlijk als jij?

Emiel: “Ja. We gaan volgende week samen een berg beklimmen in Frankijk. Dat delen we helemaal.”

En jij, Marthe? Geloof jij in eeuwige liefde?

Marthe: “Toen ik nog geen lief had, vond ik het beangstigend om te zien hoe vervangbaar iedereen is, mede door apps als Tinder en Facebook. Zeg je iets verkeerd, hup, dan word je zó ingeruild. Ik heb rond mij gezien hoe faliekant dat kan aflopen.

“Ik zie ook mijn broer, die al langer een relatie heeft dan ik, en mijn ouders, die al zowat hun hele leven samen zijn. Ik moet dus wel geloven dat het kan. Ik heb nu ook iemand gevonden waar ik me supergoed bij voel, dus ik ben wel van plan om het voorbeeld van mijn ouders te volgen.”

Geef jezelf eens een geluksscore op 10.

Emiel: “Ik ben heel gelukkig. We hebben een goed leven en hebben veel kansen gekregen. Ik zou me zeker een 8 durven te geven. Dat is natuurlijk ook mijn optimistische kant: ik zie niet gauw het slechte in dingen.”

Marthe: “Geluk: opnieuw zo’n beladen woord. Voor mij zit geluk in momenten. Het is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld tevredenheid, geen staat van zijn. Maar als je me een cijfer vraagt: ik heb een goeie job, ik ga nog een studie doen, ik ga dat – hopelijk – goed kunnen combineren, mijn ouders en mijn familie zijn gezond, ik heb een goed lief... Doe mij dus ook maar een 8.”

Niet slecht voor een pessimist.

Marthe: “Ik zou dat misschien willen veranderen in ‘realist’. Ik benoem mezelf als ‘een negatief persoon’, maar dat is zo negatief. Ik moet er een beter eufemisme voor bedenken.”

Die momenten van geluk waar je het over had: welke zijn die?

Marthe: “Momenten waarop alles samenvalt. Ik zit op een camping met mijn lief, de zon gaat onder en we zijn een supergoed gesprek aan het voeren over echt belangrijke dingen, de muziek staat op en het is een goed nummer. Lekker eten geeft me ook een gevoel van geluk. Onlangs ben ik Indisch gaan eten – dat idee van sharing vind ik mooi: ‘Mag ik dat eens? Geef dat eens door.’”

Wat willen jullie nog bereiken in het leven?

Emiel: “Ik zou heel graag bij de brandweer gaan. Niet meteen, maar ooit. Ik heb veel bewondering voor die job, en ik weet zeker dat ik er veel voldoening uit zou halen.”

Marthe: “Ik vind het moeilijk om lang vooruit te denken, maar op de korte termijn zou ik graag danstherapeute worden. Ik geloof in de taal van het lichaam, veel meer nog dan in het verbale. Die passie drijft me, het zou leuk zijn om er mijn job van te kunnen maken. Voorts hoop ik op een bepaald punt rust te vinden. Ik ben rusteloos en op zoek, ik wil verandering en tegelijkertijd ben ik bang voor verandering. Dat is soms belastend. Ik hoop ooit op een punt te komen waarvan ik zeg: ‘Awel, nu is het goed.’”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234