Woensdag 11/12/2019

Rode Neuzen dag

Peter Adriaenssens en de Vlaamse jeugd: “We moeten weer grenzen leren trekken”

Peter Adriaenssens: ‘Ik heb een groot respect voor leraars.’ Beeld Illias Teirlinck

Een op de vijf jongeren kampt met psychische problemen. Leerkrachten kunnen daarbij helpen, maar vooral ouders wacht een belangrijke taak, zegt kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens, peter van de actie Rode Neuzen Dag. “We moeten weer grenzen leren te trekken, zonder tiranniek te zijn.”

Het is het eerste wat je ziet als je zijn bureau binnenstapt. Midden op de witgeschilderde muur hangt een helblauw stuk papier: ‘Er bestaat geen probleem dat ontsnapt aan de hoop.’ Daar moet je even over nadenken. Het citaat is niet van hem, zegt hij, maar van collega Dirk De Wachter. En hij vindt het uitstekend passen hier op de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het UZ Leuven. Peter Adriaenssens (64) heeft in zijn dertigjarige carrière veel problemen gezien. Misbruik, mishandeling, ontspoorde kinderen, gezinnen die vierkant draaien. Maar hoop is er altijd, zegt hij. Dat een probleem behandeld kan worden. Dat het ooit weer beter wordt.

Adriaenssens is peter van de Rode Neuzen Dag, die nu weer volop uitgerold wordt. In 2015 en 2016 vroeg de inzamelingsactie aandacht voor jongeren met psychische problemen en haalde daarbij telkens rond de 4 miljoen euro op. Dit jaar staat alles in het teken van mentaal welzijn op school. Rode Neuzen wil scholen ondersteunen die leerkrachten opleiden om jongeren met mentale problemen beter te begeleiden. Omdat de school een plek is die een grote rol speelt in het leven van jongeren. En omdat leerkrachten – dikwijls zonder dat ze het weten – een vertrouwenspersoon voor hen zijn.

Ja, er wordt veel gevraagd van leerkrachten, zegt Adriaenssens. “Net daarom moeten we hen beter ondersteunen. Ik heb een groot respect voor leraars. Ouders worden soms al gek van twee kinderen, zij trotseren dagelijks groepen van twintig pubers of meer.”

Ooit stond hij zelf ook voor de klas, toen hij nog geneeskunde studeerde. Hij gaf les aan meisjes die een beroepsopleiding huishoudkunde volgden. “Ik weet wat het betekent als een groep pubers begint te lachen wanneer je je rug draait om iets op het bord te schrijven.”

Een op de vijf Vlaamse jongeren kampt met psychische problemen, stelt u. Gaat het slecht met onze jeugd?

Peter Adriaenssens: “Moeilijke vraag. Moeten we somber worden van die cijfers? Of moeten we blij zijn dat deze generatie de kanteling maakt en de schroom doorbreekt om over problemen te praten? Uiteraard is het ook een kwestie van beter meten en dus meer weten. Maar een zeer verontrustende parameter is toch het hoge aantal jongeren dat met zelfmoordgedachten kampt. Ook zelfverwonding en angsten zijn met de jaren toegenomen in die leeftijdsgroep.

“Het is niet gemakkelijk om er de vinger op te leggen. Beukt de wereld te hard op ons in en neemt de kwetsbaarheid toe? Want we leven in een complexe tijd. Ouders die allebei buitenshuis werken, instabielere gezinnen, alleenstaande ouders, sociale media: dat heeft allemaal invloed op jongeren. Of zijn mensen door hun gevoeligere opvoeding ook gevoeliger voor wat er in hun leven gebeurt?

“Feit is wel dat ouders van vandaag uit een tijd komen die behoorlijk stabiel was. Wat thuis, op school en in de maatschappij als waarheid gold, zat min of meer op één lijn. Vandaag zijn wij de eerste generatie die moet oefenen met het veelvoud aan meningen dat er heerst. Wie heeft er nog gelijk? Daarnaast blijven we het in Vlaanderen toch moeilijk hebben met de bespreekbaarheid van de negatieve kanten van het leven.”

Er heerst op scholen en in gezinnen nog altijd te weinig openheid om te praten?

“We delen vooral succesverhalen. We zijn niet trots genoeg op onze kwetsbare kanten. In Nederland, dat een veel lager cijfer heeft voor zelfmoordgedrag bij jongeren, wordt er in families meer gepraat over depressie, ziekte, scheiding of faillissement.

“Op momenten dat ze in moeilijkheden zitten, kunnen Nederlandse jongeren zich dus veel meer dan Vlaamse jongeren familieleden herinneren die ooit iets dergelijks hebben meegemaakt, zo blijkt. Verhalen over hóé we ons door problemen heen werken, leren ons iets over kracht en vaardigheden. En over hulp zoeken wanneer het nodig is.”

Rode Neuzen, de Tejo-huizen waar jongeren gratis en onmiddellijk therapeutische hulp kunnen krijgen: het lijkt soms alsof vrijwilligers en mensen met een goed hart het gat opvullen van de ellenlange wachtlijsten dat de overheid niet gedicht krijgt.

“Elke regering heeft de investeringen in psychosociale zorg sterk verhoogd. Maar elke bevoegde minister is er half depressief van geworden, want dat wachtlijstenverhaal blijft domineren. Simpel is het niet. Als de bespreekbaarheid stijgt, en de drempel om een beroep te doen op hulp verlaagt, is er ook meer vraag.

“Tegelijk hebben we nog iets te graag dat professionelen het moeilijke gesprek overnemen. De Vlaming trekt liefst naar een ziekenhuis voor hulp. Kijk naar hoe de spoeddiensten overstelpt worden. In Nederland verloopt dat veel gedisciplineerder.

“Wij hebben hier in het UZ Leuven bijvoorbeeld een mobiel team van psychologen en psychiaters. Als een ouder met zijn kind op spoed aankomt en we hun vragen om terug naar huis te gaan, waar ze hulp zullen krijgen van dat mobiele team, zien we dat een op de twee ouders dat niet de goede oplossing vindt. De gedachte dat goede zorg niet noodzakelijk in een ziekenhuisbed hoeft te gebeuren maar ook aan huis kan, moet nog flink rijpen.”

Door de jaren heen hamert u nogal op de rol van ouders in het welbevinden van kinderen.

“Natuurlijk. Het zijn wij, de volwassenen, die ervoor gezorgd hebben dat het kind er is. Wij moeten ons dus inzetten voor het kind.”

Er is nog nooit zoveel nagedacht en gesproken over opvoeding, maar ouders lijken meer de weg kwijt te zijn dan vroeger. Wie zijn wij om regels te stellen, vragen ze zich soms af.

“Als ze zich die vraag stellen, vergissen ze zich totaal. Het is fantastisch dat ouders zich vandaag kwetsbaar durven op te stellen, en we eindelijk verlost zijn van de tirannieke ma of pa die zijn kind beknotte. Maar als we dagelijks verhalen horen over verlies aan respect – een treinbegeleider die wordt uitgescholden omdat hij zijn job doet, geweld tegen leerkrachten – hebben we blijkbaar toch iets gemist.

“Dertig jaar geleden begon ik als kinderpsychiater te werken met deze overtuiging: als we de communicatie tussen ouders en kinderen vlot krijgen, als ze elkaar kunnen vertellen wat ze denken zonder dat het beschouwd wordt als een schending van de hiërarchie, dan zal het vlot verlopen in het gezin. Dat is niet gebeurd. Dus is er iets wat we onderschat hebben. Met name het achterwege laten van het verhaal van normen en het lossen van de plaats van autoriteit.

Beeld Illias Teirlinck

“Het probleem is dat ‘autoriteit’ erg lijkt op ‘autoritair’. Met dat laatste hebben we allemaal slechte ervaringen en niemand wil daar – terecht – terug naartoe. Ik heb het over horizontale leiding en positieve autoriteit. We mogen niet vies zijn van dat woord. Jongeren moeten voelen dat een leerkracht trots is op de kennis die hij heeft en op de doelen die hij wil bereiken met zijn of haar groep leerlingen. Dat een ouder weet waarvoor hij staat. En dat hij zelf ook het goede voorbeeld geeft. Waarom zouden jongeren beleefd en respectvol zijn als ze zien dat ouders op Twitter of Facebook ronduit onbeschoft reageren op mensen die een andere mening hebben?”

Deze week getuigden tienermeisjes nog in Humo over de lawine aan ongewenste aanrakingen en opmerkingen waarmee ze te maken krijgen. Sommige tienerjongens lijken nog maar amper grenzen te kennen. Is dat ook een gevolg van een gebrek aan autoriteit?

“Eerder onderzoek van het Kinder­rechtencommissariaat toonde al aan dat 50 procent van de meisjes in het secundair onderwijs grensoverschrijdend gedrag meemaakt. De seksualisering van tieners is het laatste decennium enorm vervroegd. Maar de rijping van het brein is die evolutie niet gevolgd, en bereikt haar eindpunt nog altijd maar pas rond 17, 18 jaar. De kloof tussen die twee momenten is dus veel groter dan vroeger.

“Hoewel we moeten beseffen dat het gaat om tienerjongens en het dus nog iets heel anders is dan volwassenen die hun handen niet kunnen thuishouden, moeten we er wel heel actief mee bezig zijn. Dit is een onderwerp dat dagelijks op tafel zou moeten liggen. In de klas, thuis bij het avondeten.

“Het toont opnieuw aan dat deze complexe maatschappij meer investering in coaching vraagt. Volwas­senen moeten hun kinderen vasthouden opdat ze beter leren loskomen. Niet dat ze opnieuw de strenge tiran moeten worden, maar ze moeten weer durven om duidelijk tegen hun kinderen te zeggen: ‘Ik wil niet dat dit gebeurt.’ In de klas én in de woonkamer.

“Wat wij heel verontrustend vinden, is de daling van het aantal mensen die dagelijks samen eten. Het is namelijk daar dat je als gezin met elkaar leert te praten, en waar je je filosofie duidelijk kunt maken. Hoe je naar de wereld kijkt, wat je denkt over bepaalde zaken die je op tv of op internet hebt gezien. Ouders en leerkrachten moeten echt durven om een gids te zijn. Wees trots dat je een mening hebt. Want jongeren hebben respect voor wie duidelijk is in zijn opinie.”

Is ouderschap complexer dan vroeger?

“Ik weet niet of we dat excuus mogen gebruiken, of ouders het nu zoveel moeilijker hebben dan zij die een wereldoorlog meemaakten terwijl ze kinderen opvoedden. Of voor wie de kerk bepaalde of er kinderen kwamen in plaats van anticonceptie. Iedere tijd heeft zijn eigen complexiteit.

“Wel een groot verschil met vroeger is de impact van sociale media. Voor het eerst in de geschiedenis weet je als ouder mogelijk niets af van het leven van je kind, omdat het zich afspeelt in een gebied waar je geen vat op hebt. Toen vroeger de bakelieten telefoon nog in de woonkamer stond en alle gesprekken zich noodgedwongen binnen de afstand van de telefoondraad afspeelden, konden ouders toch nog ruiken of er iets aan de hand was. Dat is weg.

“Wij zien hier jongeren die het eigenlijk prima hebben in hun gezin, maar die toch met zelfmoordgedachten rondlopen omdat ze te veel opgeslorpt raken door de beslotenheid van de onlinewereld. Of neem nu pesten: dat heeft altijd bestaan, maar vroeger stopte het pesten als de schooldag voorbij was. Nu loopt het op sociale media gewoon door, dag en nacht. Pesten is een enorme problematiek. We zien zoveel jongeren die daaronder lijden.”

U schreef een tiental boeken over opvoeden. Zelf hebt u vier kinderen. Die moeten dan volgens het boekje zijn grootgebracht.

(glimlacht) “Een tiener is een tiener, dus ook ik wist op voorhand niet alles. We hebben gelukkig geen bijzondere drama’s meegemaakt met onze kinderen, maar ik weet niet of we dat enkel aan onszelf te danken hebben. Opvoeden speelt weliswaar een belangrijke rol in hoe een kind zich ontwikkelt, maar je moet ook geluk hebben met de vrienden en de omgeving waarin je kind terechtkomt.”

Wat voor opvoeding hebt u zelf gehad?

“Een heel klassieke, met een hiërarchische structuur. Het was voor mijn ouders in elk geval een grote verrassing dat ik kinderpsychiater wilde worden. Arts lag in de lijn der verwachtingen, maar dat ik aan de universiteit wilde blijven en heel mijn leven voor een vast loon zou werken, hebben ze nooit begrepen. (glimlacht) Mijn ouders waren gezworen zelfstandigen.”

Wel straf dat je als gerenommeerd psychiater je ouders toch nog kunt teleurstellen.

(lacht) “Ouders blijven ouders.”

Komt u uit een warm gezin?

(denkt na) “Mijn moeder was een heel angstige vrouw. Ze had de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en had haar vader op haar zeventiende verloren, waardoor ze een voortdurende angst had ontwikkeld dat er iets fataals zou gebeuren. Die angst stuurde haar controle over ons. Ik kon wel goed praten met haar, en ik denk dat ik door haar heb leren kijken naar wat er zich achter het gedrag van een persoon afspeelt. In elk geval herinner ik me dat ik zelf op mijn zeventiende heb beslist: ik ga mij niet laten leiden door angst. Want het verlamt je en beperkt je leven.

“Aan de andere kant heeft mijn moeder er wel altijd mee voor gezorgd dat ik mijn passie kon uitleven. U moet weten: ik ben een poppenspeler. Nu heb ik het al tien jaar lang niet meer gedaan, maar vroeger was het mijn leven. Als ik een grotere poppenkast wilde, maakte mijn moeder die. En toen ik een gat wilde maken in een muur op zolder, zodat we een permanente speelplek hadden waar de mensen ook konden zitten, mocht ik dat. Ze vervoerde me ook naar de scholen waar ik voorstellingen speelde. Ja, zo ver ging dat.
(lacht)

“Ik was eigenlijk een stil kind. Klasgenoten van toen zeggen me nu soms nog: dat jij zo’n lawaai geworden bent. Het achter doek spelen heeft mij een ruimte gegeven om te leren praten. Om te durven praten voor een groep.”

Als u zo’n verwoed poppenspeler was, waarom hebt u op uw achttiende dan niet beslist om acteer­studies te gaan volgen?

“Merkwaardig dat u daaraan denkt, want ik heb toen inderdaad getwijfeld tussen de twee. Ik droomde ervan om naar de beroemde poppenspelersschool van Sergej Obraztsov in Moskou te gaan. Jef Contryn, de bekende poppenspeler uit Mechelen die mijn leermeester was, had mij erover verteld.

“En toch werd het geneeskunde, de enige andere optie die ik in mijn hoofd had. Gelukkig maar, denk ik achteraf. Mijn vader was anesthesist en in de operatiezaal sprak hij met andere artsen weleens over de kinderen. De kinderen van een van zijn collega’s, Marc en Jan Maillard, speelden ook poppentheater en zij kozen er wel voor om er professioneel mee aan de slag te gaan. Later richtten ze FroeFroe op. Prachtig wat zij doen. Ik zou dat nooit gekund hebben. (glimlacht) Ik zit dan maar in hun raad van bestuur.”

Volgend jaar op 1 oktober gaat u met emeritaat. In 2016 kreeg u van de Vlaamse Gemeenschap nog het Groot Ereteken voor uw verdiensten aan Vlaanderen. Wat denkt u zelf dat uw grootste verdienste is?

(glimlacht) “Ik voel mij bijna een oud-strijder nu. Nee, het is natuurlijk moeilijk om te praten over je eigen verdiensten. Maar wat ik wel heb proberen mee te doen, is kinderrechten op de kaart te zetten. En laten zien dat opkomen tegen geweld op kinderen niet louter een kwestie is van goed­doen, maar van harde wetenschap. We kunnen vandaag echt wel uitleggen wat er gebeurt met mensen die een trauma hebben meegemaakt, op korte en lange termijn.

Kindermishandeling in al haar facetten heeft centraal gestaan in uw werk. Dat moet als mens toch aan u vreten?

“Uiteraard. In mijn opleiding tot kinderpsychiater ging het amper over geweld. Dat we enkele gevallen zouden tegenkomen, daar waren we op voorbereid, maar op deze schaal? Toen ik begon te werken, werd ik wakker in een wereld die ik niet kende. Ik was geschokt door de enorme aantallen van misbruik. Kindermisbruik bestaat overal. In de kerk, de sportclub, de media, het gezin.

(even stil) “Van mijn historie met de kerk heb ik wel averij opgelopen. Meer dan 400 mensen hebben mij toen hun vertrouwen gegeven, en ineens was alles weg. (Adriaenssens had in juni 2010 de leiding over de commissie die kindermisbruik in de kerk onderzocht, maar bij de zogenoemde Operatie Kelk werden tijdens een huiszoeking alle dossiers meegenomen, red.) Tot op vandaag is dat voor mij een open wonde. Het heeft mij een knauw gegeven. Getrauma­tiseerd, zelfs. (zwijgt even) Maar het is natuurlijk niets in vergelijking met de trauma’s van iemand die vertelt dat hij als achtjarig kind anaal misbruikt is.”

Wat drijft mensen ertoe om zich te bezondigen aan geweld op kinderen?

“Voor de duidelijkheid: fysiek geweld op kinderen en jongeren is enorm afgenomen. Een bont en blauw geslagen kind zien we nog maar zelden. Ook incest is heel sterk gedaald. Maar emotioneel geweld is dikwijls in de plaats gekomen. Ook seksueel overschrijdend gedrag is niet verminderd. Partnergeweld is zelfs toegenomen.

“De mens blijft dus worstelen met geweld. Waarom doodt een moeder haar kind, of een meisje haar zus? Waarom misbruikt een man een kind van vijf? Een psychiater probeert dingen te begrijpen die eigenlijk niet te begrijpen zijn. Omdat het vaak ook belangrijk is voor het slachtoffer om het te kunnen begrijpen. Maar ook voor de waardigheid van de slachtoffers die niet overleven, willen we inzicht krijgen in wat zich heeft afgespeeld. En wat we kunnen doen om het niet opnieuw te laten gebeuren.”

Hoogopgeleide ouders die hun kinderen misbruiken of verwaarlozen, ook daar schrikken we hard van.

“Het is comfortabel om te denken dat geweld, verwaarlozing en misbruik alleen gebeuren bij mensen die marginaal zijn of in heel zware problemen zitten. Als het over iemand gaat die goede mogelijkheden en vaardigheden heeft, dwingt dat ons om in de spiegel te kijken en te denken: zou het mogelijk zijn dat ik zelf zoiets doe?

“Als we geweld onder controle willen krijgen in de samenleving, is er een evolutie van ons allen nodig. Zo moeten we het als ouders kunnen verdragen dat ons kind misschien liever iemand anders aanspreekt als het een serieus probleem heeft. We mogen dat niet als concurrentie zien.

“Het signaal van Rode Neuzen Dag is dan ook: spreek iemand aan. Of het nu een ouder is, een leerkracht, een familielid of een vriend. We gaan daar zoveel mogelijk kanalen voor openzetten: we bieden online mogelijkheden aan en we gaan vertrouwensleerkrachten opleiden. Ja, we moeten deze generatie echt leren om te spreken.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234