Maandag 05/12/2022

AchtergrondVoorpublicatie

Peloton van Victor Hannes voerde in Nederland een zware aanval uit tijdens WOII: ‘Ik heb veel schrik uitgestaan’

Victor met zijn makkers in Thorn. Luitenant Rogge staat uiterst links. Mattezewitz (met een bril) staat in het midden. Victor staat uiterst rechts.  Beeld Rudi Vandenweyer
Victor met zijn makkers in Thorn. Luitenant Rogge staat uiterst links. Mattezewitz (met een bril) staat in het midden. Victor staat uiterst rechts.Beeld Rudi Vandenweyer

De Brigade Piron trekt verder naar Nederland, waar het peloton van Victor geselecteerd wordt voor een tragische aanval. De gevolgen ervan draagt hij nog steeds met zich mee. ‘Waarom moest zo’n goede jongen sterven?’

Yannick Verberckmoes

Victor Hannes kwam in 1944 als soldaat van de Belgische Brigade Piron ons land bevrijden. Maar 75 jaar lang vertelde hij niet over zijn oorlogsverleden. In een nieuw boek doet de 98-jarige dat wel. Ook aan De Morgen vertelt hij zijn verhaal in drie delen. Vandaag: deel 3 (slot).

Deel 2 leest u hier. Victor Hannes over de thuiskomst in België: ‘Ik krijg nog steeds tranen in mijn ogen als ik eraan terugdenk’

Toen we vanuit Leopoldsburg verder trokken naar Peer en Bree is er nog zwaar gevochten. In Bree zaten we vast, omdat we het kanaal niet konden oversteken. Ook daar zat ons peloton in de eerste linie. Ik zie onze sluipschutter, Hubert Bonne, er nog in een boom kruipen. Hij was een Canadees, geboren uit Belgische emigranten, en sprak enkel Engels.

Bonne was een begenadigd scherpschutter, die zich in Normandië al had laten opmerken door zijn koelbloedigheid. Onze luitenant Rogge schreef in zijn dagboek dat hij in Bree in vier uur tijd drie Duitsers had neergeschoten. Zij waren de eerste slachtoffers van ons peloton.

Mijn makker Mattezewitz is er nog samen met Jacques De Visé, die samen met hem in Canada is opgeleid, het kanaal overgezwommen om een bootje te gaan halen. Daarmee kon een patrouille van ons peloton vervolgens het water oversteken.

In Bree heeft de bevolking ons heel goed ontvangen. Mattezewitz herinnerde zich nog dat we van een boer spek met eieren kregen. Dat spek herinner ik me niet, maar de eieren wel. Een boer heeft dat inderdaad voor een aantal van ons klaargemaakt.

Er was ook een cafeetje in Bree, waar een aantal soldaten van ons peloton werden ingekwartierd, maar ik niet. Het was daar ’t een en ’t ander. Die mensen waren ontzettend gelukkig, omdat wij hen kwamen bevrijden. Vooral luitenant Rogge was daar de grote man.

Hij had er ook een oogske op een meisje. Hij zei dat niet, maar je kon het zo aan hem zien. In zijn dagboek heeft hij erover geschreven. De uitbaters van het café hadden twee dochters. Elsa vond hij heel mooi, maar wat jong: ze was maar zeventien. “Ik moest twee keer met haar gaan dansen”, schreef hij. “Maar eigenlijk zat ik er meer mee verveeld dan wat anders.”

Om de brigade het kanaal te laten oversteken, hebben onze genisten in Bree een noodbrug aangelegd. Om de bevrijding van de hoofdstad enkele weken ervoor te gedenken noemden ze de brug ‘Brussels Bridge’. De noodbrug was van het bailey-type, een stalen constructie met houten planken die de soldaten relatief eenvoudig in elkaar konden steken.

Vandaar zijn we met de vrachtwagen verder gegaan naar de omgeving van Kinrooi, waar we uitstapten, en dan zijn we in slagorde te voet verder gegaan tot in Kessenich, het meest noordoostelijke punt van België. Een Duitse soldaat, volgens mij was die jongen maar zeventien jaar, heeft zich daar bij ons komen overgeven. Een van onze soldaten greep naar een mitraillette om die jongen neer te schieten.

Het heeft moeite gekost, maar we konden hem toch overhalen om het niet te doen. Daarna hebben we die jongen naar achteren gestuurd. Wat er verder van hem geworden is, weet ik niet.

We hebben dan gegeten en vanuit Kessenich zijn we Thorn langs achteren binnengekomen. Door zijn vele witte huisjes staat Thorn bekend als ‘het witte stadje’. Het is een heel pittoresk, mooi plaatsje vlak over de Nederlandse grens.

Ons peloton ging er met een weerstander als gids op patrouille naar een wit kasteel (allicht was dat het kasteel Hagenbroek). Collega Frans Goovaers vertelde hoe hij eerst naar een kleine serre trok naast het hoofdgebouw. De soldaten zagen een man die hen op het kasteel uitnodigde. “Kom allemaal naar binnen”, zei hij. “Het regent.”

Hij liet mijn collega’s, onder wie Frans Goovaers, plaatsnemen in het salon. De kelder van het kasteel lag vol fruit en de man bood hun aan om ervan te eten. Vervolgens deed hij de gordijnen dicht. Met die handeling maakte hij zich plots verdacht. “Ik vertrouw het niet”, zei luitenant Rogge. “Ik ga buiten een wachtpost zetten.”

Ik stelde me op achter een dikke boom, op enkele tientallen meters afstand van het kasteel. Het was bijna alsof de Duitsers werden ingeseind – volgens Goovaers was er ook een zender in die kelder – maar ineens was er een Duitse patrouille in de boomgaard. Toen de jongens van mijn peloton nog in het huis zaten, waren die Duitsers er al. Mijn collega’s zetten het op een lopen, maar ze konden bijna niet weg.

Victor Hannes in het wzc in Meerhout. Beeld Wouter Van Vooren
Victor Hannes in het wzc in Meerhout.Beeld Wouter Van Vooren

Rond de tuin stond een muur, waar perenbomen tegen groeiden. Een voor een moesten ze door het kleine deurtje om buiten te geraken. Toen die jongens terugkwamen moest ik ook mee achteruit. Op dat moment had ik twee Duitsers mooi in mijn vizier. Maar ik heb niet geschoten. Ik zeg dat rechtuit. Ik kreeg het niet gedaan.

Dommerik, dacht ik achteraf. Als de rollen waren omgedraaid, hadden zij met mij waarschijnlijk geen medelijden gehad.

Tegen het einde van de maand oktober kreeg de Brigade Piron ook een nieuwe sector. De Brigade nam posities in voor het Kanaal van Wessem en we moesten het kanaal voortdurend observeren. Het weer sloeg toen helemaal om. Regen viel met bakken uit de lucht en ’s ochtends hing er vaak mist over de velden.

De zenuwen stonden strak gespannen. Ik kan je zeggen dat het heel droevig is als je daar vastzit in het slijk. Dikwijls heb ik van aan het front aan thuis gedacht.

Bij het kanaal lagen we in loopgraven in de buurt van een bos. Toen ik een Duitser in zijn schuttersputje zag zitten, die op de uitkijk stond, heb ik een salvo losgelaten met het bren-machinegeweer. Ik denk niet dat ik hem geraakt heb. Ik maakte me vlug uit de voeten. Wat later vlogen er Duitse kogels in mijn richting, maar ik was dus gelukkig al weg. Dan hebben we de Duitse stelling doorgeseind naar de artillerie achter ons.

De artilleristen hebben de Duitsers met granaten onder vuur genomen. Nadien heb ik er geen Duitsers meer gezien.

We deden ook patrouilles naar de Duitse stellingen. We gingen ’s nachts en overdag. Maar als we overdag werden uitgestuurd, namen we op patrouille natuurlijk veel minder risico’s. Tijdens een van die nachten ben ik tot aan de Duitse prikkeldraad geraakt bij het kanaal. Ze hadden er blikjes aan gehangen met centjes in. Als je aan de draad kwam, dan begonnen die blikjes te rammelen en dan wisten ze dat er iemand was.

Op 5 november werden Pierre Dedrie en zijn vriend Lucien Devos uit hun fox hole geroepen om een kleine verkenning uit te voeren. Dedrie herinnerde zich later dat er zich bij onze loopgraven aan het bos een graf van een Engelse soldaat bevond. De helm op het kruis gaf dat graf een erg trieste aanblik. Vanuit onze positie kon hij ook een post van het Duitse Rode Kruis zien.

Victor en zijn vader.  Beeld YV
Victor en zijn vader.Beeld YV

Ongetwijfeld konden de Duitsers ook die patrouille waarnemen, want meteen ging er een Duitse lichtkogel in de lucht. Luitenant Rogge gaf op dat moment aan iedereen het bevel om zich op de grond te gooien en dekking te zoeken. Bij die beweging zette Dedrie zijn voet op een Duitse Schuhmine.

“Ik zag een lichtflits gevolgd door een doffe knal en ik voelde dat ik in de lucht zweefde”, schreef Dedrie in een getuigenis. “Ik herinner mij dat ik een schietgebedje heb gezegd: Jezus, Maria, Jozef. Ik dacht dat ik dood was.”

De brancardiers snelden Dedrie dan naar een hoeve, waar een eerstehulppost was ingericht. Als hij zich recht wou zetten om naar zijn verwondingen te kijken, hielden andere soldaten hem tegen. De boerin bood hem nog een glas jenever aan tegen de pijn, maar hij weigerde. Enkele ogenblikken later verloor hij het bewustzijn.

Uiteindelijk werd Dedrie naar Groot-Brittannië geëvacueerd om zijn verwondingen te laten verzorgen. Zijn linkervoet was vermorzeld, de spieren aan de binnenzijde van zijn rechterdijbeen waren boven de knie weggerukt en zijn linkerpols was gebroken. Hij zou later met een kunstbeen door het leven gaan.

Op 11 november zaten we in die loopgraven. We wisten toen nog niet dat we ons moesten klaarmaken voor een grote aanval, die van ons peloton zware offers zou vragen. Bij de brokstukken van een brug hadden de Duitsers zich aan onze kant van het kanaal ingegraven.

Het regende. Het was koud. Eerst kregen we een borrel, dan gingen we op pad. Onze luitenant liep vooraan en wij volgden hem. Ik heb, ook toen, veel schrik uitgestaan. Als we bij het kanaal waren, schoten de Duitsers met artillerie en mortieren. En wij deden alles wat we konden om ons in te graven.

Mattezewitz was met zijn blote handen in de grond aan het ploeteren om zijn hoofd te bedekken. Hij zag hoe Jacques Devisé gewond raakte. Een kogel raakte hem tussen zijn benen. Heel de nacht heeft Devisé dan op zijn moeder geroepen.

Ik heb die nacht met Van Hellemont in een putje gezeten.

Bij het ochtendgloren besloten we om ons terug te trekken naar de loopgraaf waar we de avond voordien waren gestart. Om snel te kunnen lopen heeft Van Hellemont zijn brengun zelfs bij het kanaal achtergelaten. Hij demonteerde zijn bren en gooide het binnenwerk weg, zodat de Duitsers het wapen niet tegen ons konden gebruiken. Ook ik heb toen mijn geweer in de steek gelaten.

Bij die aanval is Rogge geraakt. Hij was al eerder gewond en nu had hij opnieuw prijs. Tijdens onze aanval ging hij van groepje tot groepje om bij iedereen te gaan kijken. Hij wilde zich niet laten verzorgen, omdat hij liever bij zijn mannen bleef om de aanval te leiden. Hij wilde hem niet geven.

Volgens getuigenissen die later zijn opgetekend waren er twee soldaten die Rogge uiteindelijk naar de hoeve Kolderhof hebben gebracht. Omdat Rogge zo hevig bloedde, raakten ook hun uniformen doordrenkt. Ze legden hem op de keukentafel en trokken de linnenkasten open om er lakens uit te halen. Die scheurden ze kapot om er de wonden van Rogge mee te verbinden.

Buiten kwam er een jeep aan met daarin sergeant-majoor Silberman. Hij laadde Rogge op en snelde terug richting De Fuus, een zuivelfabriek die was omgedoopt tot het hoofdkwartier van onze compagnie. De jeep van Silberman is dan in het slijk rond het Kolderhof op een mijn gereden. Die ontploffing kostte aan Rogge en Silberman het leven. Er was ook een chauffeur bij hen – niemand van de getuigen kent zijn naam – die enkele meters verder is geslingerd.

Hij was in shock, maar kwam er verder met de schrik van af. Rond het Kolderhof zijn later nog dertien Duitse landmijnen gevonden.

Onrecht. Als ik aan de dood van luitenant Rogge denk, is dat nog altijd het gevoel dat bij me opkomt. Ik zat ook met die machteloosheid. Waarom hebben ze nu juist hem gepakt? Waarom moest zo’n goede jongen sterven? Ik kan zijn naam nog altijd niet uitspreken of mijn ogen lopen vol tranen.

Bij die aanval vielen zes doden en dertien gewonden. Als we nadien op rust gingen, was de sfeer dus enorm bedrukt. In de regen ploeterden de voertuigen door het slijk naar de streek van Molenbeersel. Ik zie me nog steeds in zo’n militaire vrachtwagen zitten, op weg naar de begrafenis.

Het bidprentje van luitenant Rogge, dat Victor altijd heeft bijgehouden.  Beeld Kris Michiels
Het bidprentje van luitenant Rogge, dat Victor altijd heeft bijgehouden.Beeld Kris Michiels

Rogge kreeg toen een tijdelijke rustplaats in Bree. In 1946 is hij opnieuw begraven in Evere. Ik vind het nog steeds een grote eer dat ik toen zijn kist van de lijkwagen naar het graf heb helpen dragen. Hellemans en de andere anciens van de Brigade Piron waren er toen ook bij.

Na de oorlog heb ik nooit aan plechtigheden deelgenomen, noch over mijn trauma’s verteld. Ik dacht soms dat ze mij een blagueur zouden vinden. Of dat mijn luisteraars het gewoon niet zouden begrijpen. Ook vond ik dat ik vooruit moest met mijn eigen leven en dat het weinig zin had om in het verleden te blijven hangen.

Eén keer heb ik het toch geriskeerd om het oude strijdtoneel te bezoeken. Eén keer ben ik met de fiets naar Thorn gereden – een reis georganiseerd door de wielertoeristen. Maar bij het monument voor de Belgische gesneuvelden ben ik volledig ingestort. De tranen bleven maar komen.

Stilaan lucht het op om er toch over te praten, dat kan ik wel zeggen. Dat er erkenning is voor wat mijn makkers hebben doorgemaakt, vind ik ook belangrijk. Na de oorlog heb ik een gelukkig leven gehad. Na de dood van mijn echtgenote heb ik lang alleen in een woning gewoond, hier vlak bij het rusthuis waar ik nu verblijf.

Als ik alleen ben, komen de tranen nog vaak naar boven. Dan denk ik hier, tussen de foto’s van mijn vader en mijn moeder, aan mijn jeugd op de Heidehuizen. Als dit boek verschijnt, ben ik achtennegentig geworden, maar sommigen van mijn makkers bleven voor altijd negentien of twintig.

Vooral denk ik aan onze luitenant Gérard Rogge.

Nog elke dag zie ik hem hier voor mij.

Dit is een voorpublicatie uit het boek van Victor Hannes, opgetekend door Yannick Verberckmoes. De laatste getuige, hoe ik met de Brigade Piron België bevrijdde verschijnt vandaag bij Horizon.

Cover De laatste getuige. Beeld RV
Cover De laatste getuige.Beeld RV

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234