Zaterdag 25/09/2021

Paviljoenen voor de kringloop

Je kunt het nu al voorspellen: het Belgisch paviljoen wordt op zonnige dagen een van de trekpleisters op Expo 2000 in het Duitse Hannover. Niet vanwege de ophefmakende architectuur - Groep Planning ontwierp een eerder braaf gebouw met een gering Expo-gehalte - maar door het grote caféterras op de eerste verdieping. Want laten we ons geen illusies maken: de wereldtentoonstelling is een alternatief pretpark geworden, waarin veel landen willen uitpakken met een opvallende creatie van een vermaard architect. Helemaal mooi is het als die creatie na afloop ook nog eens mee naar huis kan worden genomen.

Om te anticiperen op kwalijke beschuldigingen over onvrije journalistiek, eerst de volgende bekentenis: het was inderdaad het architectenbureau Groep Planning dat ons aanbood om vorige week in Hannover het Expo-terrein en verschillende landenpaviljoenen te verkennen. Een buitenkansje, de pers wordt normaal nog niet toegelaten op het uitgestrekte Expo-terrein. De exposities zullen trouwens pas tegen de openingsdag van 1 juni klaar zijn. Nu zijn de meeste landen nog koortsachtig bezig om hun paviljoen tijdig afgewerkt te krijgen. Tweede bekentenis: we zijn 'smiddags ingegaan op de uitnodiging van projectleider Jacques Timmerman van Groep Planning om met hem te lunchen en van gedachten te wisselen over het ontwerp. Vanwaar die ontboezemingen? Groep Planning blijkt niet zo goed te liggen bij de toonaangevende architectuurcritici in Vlaanderen. Het is bon ton om het architectenbureau te negeren of om het genadeloos neer te sabelen. Indien je voor een andere benadering kiest, kun je maar beter op je hoede zijn.

Van professor Geert Bekaert, de paus van de architectuurkritiek in Vlaanderen, is bekend dat hij het oeuvre van Groep Planning maar ondermaats vindt. Toch heeft dit inmiddels vrij grote bureau, dat in 1966 werd opgericht door de Bruggeling Jan Tanghe, een zodanig aandeel in de recente Vlaamse bouwgeschiedenis dat Bekaert er in zijn boek Hedendaagse architectuur in België (1995) niet omheen kon. Bekaert illustreert één project van de Groep Planning, het Provinciaal Instituut voor Hoger Onderwijs in Gent. Dat gebeurt eerder node, in het foto-onderschrift lezen we: "Niet zozeer door zijn werk als door zijn persoonlijke inzet heeft Jan Tanghe een belangrijke rol in de de naoorlogse architectuur gespeeld."

Ook het ontwerp voor het Belgisch paviljoen op de Expo 2000 krijgt weinig krediet van de critici. Koen Van Synghel maakte het een paar maanden geleden in De Standaard in enkele zinnen met de grond gelijk. De architectuurcriticus had het over "een promotorenpaviljoen dat de complete negatie is van de voorgestelde krachtlijnen" en omschrijft het ontwerp voorts als "het op maat snijden van een bouwvakkersvisie op een paviljoen dat een symbool hoorde te zijn". Een argumentatie en een beschrijving van het verguisde bouwwerk krijgt de lezer niet.

Nee, de lieveling van de Vlaamse architectuurkritiek zal Groep Planning nooit worden. Maar eigenlijk is het mede door de belabberde aanpak van de Belgische overheid dat het architectenbureau nu in de klappen van de kritiek deelt. Ten eerste is men hier veel te laat begonnen. Terwijl het Nederlandse ontwerp van het jonge bureau MVRDV al begin 1998 de aandacht trok van de internationale vakpers, noteren we het eerste initiatief van onze Regie der Gebouwen pas in de zomer van 1998: op 17 juli verscheen namelijk een aankondiging in het Belgisch Bulletin der Aanbestedingen. Het blijkt geen architectuurwedstrijd te zijn maar een aanbesteding die zich richt tot projectontwikkelaars. Een inhoudelijke visie wordt daarin niet naar voren gebracht, wel wordt bijvoorbeeld strikt de tentoonstellingsruimte vastgelegd (1.800 vierkante meter) en zijn er vereisten omtrent diverse onthaal- en dienstruimten. De inrichting van de expositieruimte zelf is echter een zaak is van de gewesten en gemeenschappen en valt dus buiten de aanbesteding. De ontwikkelaars worden geacht zelf een ontwerper aan te stellen voor het paviljoen en de uitvoering ervan zelf te financieren. De Belgische overheid zal het gebouw dan huren van de ontwikkelaar voor de duur van de Expo, van 1 juni tot 31 oktober.

Gegadigde ontwikkelaars moesten zich al voor 12 augustus inschrijven, waarop de Regie der Gebouwen maximaal zes kandidaten zou selecteren voor een beperkte offerte. Het resultaat is inmiddels bekend. Promotor Kairos Interbuild TV, dat in zee ging met het architectenbureau Groep Planning, kreeg de opdracht toegewezen. Het ontwerp dat in 1999 het licht zag, kwam tot stand met de medewerking van het befaamde ingenieursbureau van René Greisch. Het is niet echt een gedurfd, experimenteel concept, veeleer een bedaagd, pragmatisch ontwerp. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de uitvoering. De overheid zal voor de huur van het gebouw 179 miljoen (4,4 miljoen euro) betalen.

Het Belgisch paviljoen is zeker niet lelijk, maar het heeft geen metaforische pretenties en vertolkt geen statement. In vergelijking met het Atomium, een overblijfsel van de Expo 58, dat de koolstofstructuur als uitgangspunt nam, alluderend op de stormachtige ontwikkelingen in de organische scheikunde, is het een erg zwijgzaam gebouw. Het vormt een rechthoekig blok met een oppervlakte van 3.000 vierkante meter. De onderste helft van de wanden is donkerbruin, in die zogenaamde black box bevinden zich de expositieruimten. De contrasterende bovenste helft is een transparante glaspartij met onder andere het café en de onthaal- en vergaderruimten. 'sAvonds zal in deze light box het licht van binnen naar buiten schijnen, zodat het gebouw een lichtbaken op het expositieterrein wordt. In het midden wordt het paviljoen doorbroken door een atrium met metalen trappen en loopbruggen en een glazen lift. Hier bevindt zich ook de ingang, waarvoor je over een loopbrug moet.

Op enige afstand van de wanden staan rondom het gebouw zestien witte steunpilaren van 13 meter hoog. Zij dragen een stalen dakconstructie met acht spanten. Aan deze constructie, die 38 meter overspant, is de stalen hoofdstructuur van het gebouw opgehangen, zodat in de tentoonstellingsruimte geen enkele dragende kolom nodig is. Het is een typisch staaltje vakmanschap van het ingenieursbureau van Greisch, dat vooral naam maakte als bouwer van stalen bruggen. Het dak zelf, "de vijfde gevel" noemt Jacques Timmerman het, vertoont een reliëf met witte buizen. Boven de terrassen en het atrium filteren ellipsvormige lamellen het zonlicht.

Volgens Timmerman past dit ontwerp wel degelijk binnen het algemene thema van Expo 2000, met name 'Mens, natuur en techniek'. Volgens hem is hier bewust gekozen voor een recycleerbaar en dus ecologisch verantwoord gebouw. Daarmee wordt niet alleen bedoeld dat de duurzame materialen herbruikbaar zijn, maar dat het gebouw zelf elders weer opgericht kan worden.

"Structuur, modulering en materiaal werden gekozen in het licht van de recycleerbaarheid, en dus van het montage- en demontagegemak," aldus Jacques Timmerman. "Het concept van de recycleerbaarheid wordt trouwens ook aangehouden in de gevelwanden: de donkere houten panelen zitten vervat in een stalen raamwerk. De gevel van de light box is opgebouwd uit glazen panelen die bevestigd zijn op ranke stalen raamkaders. In de vloeropbouw wordt het gebruik van niet-recycleerbare materialen tot een minimum beperkt, onder meer door het gebruik van houten planken als ondervloer en geprofileerde staalplaten als draagvloer."

Voor een herbestemming zijn er volgens Timmerman verschillende mogelijkheden. Het paviljoen kan een nieuw leven krijgen als industrieel-ambachtelijk gebouw maar evengoed zou het een onderkomen kunnen bieden aan een dans- of theatergezelschap. "Beneden kan een grote zaal worden ingericht, met daarnaast nog plaats voor een repetitieruimte en een decoratelier," aldus Timmerman. "Boven kun je dan een foyer met cafetaria, vergader-, ontvangst- en administratieve ruimten onderbrengen. En dan is er nog plaats over voor een kleine bibliotheek of een expositieruimte."

Eigenlijk kan dit als een antwoord worden opgevat op de problematische status van tentoonstellingspaviljoenen, die meestal een erg beperkte levensduur hebben. Dat kritische uitgangspunt zou natuurlijk aan kracht winnen als er wel degelijk al een andere bestemming voor het bouwwerk vast zou liggen, wat niet het geval is. Op die manier zou de ingetogen symboolwaarde van het gebouw sterker zijn dan onverschillig welk staaltje tijdelijke objectarchitectuur op het domein.

Landen als Portugal en Frankrijk breken hun modulair paviljoen trouwens wel af met de bedoeling om het elders weer op te bouwen. Toch geeft Frankrijk niet echt het goede voorbeeld. Het ongeïnspireerde paviljoen werd immers gebouwd door Decathlon, een Franse producent van sportartikelen. Het bedrijf zal het gebouw later gebruiken als tentoonstellingsruimte en sportcentrum.

Dat de aantrekkingskracht van het veelbesproken Nederlandse paviljoen groot zal zijn, staat nu al vast. Van de vergelijkingen die door architectuurcritici werden gelanceerd, is die met een Big Mac een van de beste. Ze maakt meteen duidelijk dat dit ontwerp van MVRDV, een jong architectenteam uit Rotterdam, het niet van zijn esthetische kwaliteiten moet hebben. Zo'n dik belegd broodje met hamburger van McDonald's oogt minstens even mooi. Het erg dure Nederlandse paviljoen is veertig meter hoog en bestaat uit verschillende contrasterende lagen waarin telkens een landschaptype wordt geëvoceerd: duinen, weiden met melkkoeien, bossen, polders met windenergiemolens en, op het dak, een meer met een eilandje. Het is vooral een conceptueel kunstwerk: MVRDV suggereert om in een dichtbevolkt land als Nederland, waar de natuur onder druk staat, het landschap gewoon in de hoogte te stapelen. Een idee dat eigenlijk zo oud als de straat is, denk maar aan de hangende tuinen van Babylon.

In architectureel opzicht is het experiment van Zwitserland interessanter. Peter Zumthor bouwde een open paviljoen. Het is een labyrintisch geheel van gangen en binnenplaatsen dat 4.000 vierkante meter beslaat. De gangen worden gevormd door losse ruwe balken. Hierbij wordt een stapeltechniek gebruikt die ervoor zorgt dat de balken niet op elkaar rusten, zoals men doet bij hout dat nog moet drogen. Tegenover de verwachte technologische hoogstandjes van de Expo, plaatst Zumthor naakte eenvoud. Na afloop van de Expo zal het timmerhout gewoon worden opgeladen en in de bouw worden gebruikt.

Zumthor wil in het paviljoen de zintuigen van de bezoekers verwennen. In het gangencomplex zullen muzikanten spelen zodat de bezoeker het gevoel heeft dat hij in de buik van een instrument rondwandelt. De klanken zullen tegen de gestapelde balken resoneren en variëren naar gelang van de vorm van de klankkamer. Bovendien wordt tegen de wanden een collage geprojecteerd van literaire en andere teksten. Ongewoon is ook het Japanse paviljoen. De 42-jarige Shigeru Ban, in Tokio een sterarchitect, gebruikte als basismateriaal buizen die gemaakt zijn van papierpap. Daarmee beantwoordt hij perfect aan het ecologische thema van de expositie. Door de lange buizen te kruisen maakte hij een gigantische koepelvormige overkapping. Aan elke kruising zijn de buizen op padvinderswijze met een riem aan elkaar gesjord. De elegantie van de lichte constructie wordt echter gedeeltelijk tenietgedaan door de superstructuur die de architect, wellicht op aandringen van de technische inspectie in Hannover, later aanbracht. Een van de mooiste van de ruim vijftig paviljoenen op Expo 2000 is dat van Portugal, gastland van de vorige Expo (Lissabon). Alvaro Siza ontwierp een op het eerste gezicht modernistisch gebouw waarin hij voor de wandbekleding teruggreep naar typische Portugese materialen zoals kurk en tegeltjes. De strenge geometrie van de bouwvolumes wordt doorbroken door onregelmatige glooiingen van het witte dak. Samen met het opgewekte kleurenspel van de gevels verleent dat aan het nochtans grote gebouw een bijzondere lichtheid. Zoals gezegd nemen de Portugezen hun gebouw na oktober weer mee naar huis.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234