Donderdag 22/04/2021

Paul Demets en Margot Vanderstraeten staan stil bij de dood van Christine D’haen(1923-2009)Ode aan een buitengewone dichteres

undefined

Stijl in een stijlloze tijd

Een vrouw, de eerste trouwens die in 1992 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving, een echtgenote en moeder, een docente aan de ‘normaalschool’, onderzoekster in het Gezellearchief, maar op de eerste plaats een schrijfster. Ze geraakte gefascineerd door de taal in Sint-Bavo in Gent, waar ze van 1936 tot 1942 middelbare school liep. Daar werd geen dialect gesproken. D’haen besefte dat taal niet alleen een middel om te communiceren, maar ook iets esthetisch kan zijn. Het Nederlands met al zijn onwelluidendheid moest gekneed worden. De criticasters die D’haen verweten dat de woorden en de zinnen die ze in haar poëzie hanteerde zo gekunsteld aandoen, vergeten uit welke tijd zij komt. Zij heeft de poëzie op haar moedertaal moeten veroveren, haar versregels geknecht volgens de wetten van de kunst. Haar werk stuitte trouwens vanaf het begin op weerstand. Toen D’haen rond 1950 voor het eerst haar neus aan het venster van de literatuur kwam steken, zei Hugo Claus dat ze handelde “in vals marmer”. Louis Paul Boon had het dan weer moeilijk met de vormvastheid. In Kalkmarkt 6, een deel van haar onderschatte, autobiografisch getinte prozaproject dat vijf jaar geleden verscheen onder de titel Uitgespaard zelfportret (2004), noteert ze: “Een stijl zoek ik mij, in een stijlloze tijd.” En in hetzelfde deel, waarin ze haar studiejaar in Amsterdam in 1948 beschrijft, lezen we over een beslissend moment in haar dichterschap: “Ik kreeg een vooruitzicht op mijn toekomst. Ik zou macht hebben over de besteding van mijn leven, en zo over de schepping van mijn gedichten. Daarnaast en daarmee in tegenstelling, was de wereld van het stoffelijke, het versletene, het aftakelende, neergang, neerslachtigheid en dood. En in het midden was het onnaspeurbare, dreigend-geheime hart, dat alles beheerste en onberekenbaar was. Wil, verstand, onderbewuste - is dat de betekenis?” Christine D’haen exploreert hier niet alleen haar jonge leven en haar dromen, maar ze biedt ook op een bijna visionaire manier een inkijk in haar dichterschap, zoals het zich in de decennia nadien ontplooide. De verzamelde gedichten Miroirs (2002) tonen ons de rijk geschakeerde variaties op enkele thema’s: het schrijven tegenover het stoffelijke, leven in het licht van de vergankelijkheid. Christine D’haen lijkt in figuurlijke zin trouwens onophoudelijk een soort grafschriften geschreven te hebben: haar werk is een zinnelijk verweer tegen de dood, tegen de onwetendheid die ons even sterk bedreigt, omdat we de dingen te weinig in een cultuurhistorisch referentiekader kunnen plaatsen. En tegen de teloorgang van de taal, ook in de literatuur, door het dictaat van veel snel geschreven, risicoloos proza.

Hevige gloed

D’haen vraagt dat de lezer moeite doet om de referenties aan historische figuren, mythes en symbolen te achterhalen. Dat maakt haar werk volgens mij helemaal niet bloedeloos. Het mag dan marmer lijken, maar je ziet werkelijke aders en vanbinnen voel je een hevige gloed. Die bereik je pas nadat je je echt in haar werk verdiept hebt. Haar poëzie en proza mogen dan vol verwijzingen zitten, haar poëzie komt toch voort uit het onbewuste. Ze is een moment van genade van de Muze: ‘Wil, wereld, mij ontzien mijn Musa, blind./ Zij droomt voorwoordelijk in gedachtekrocht/ waar woord om woord mijn oordeel haar bevocht/ die onbetwijfelbaar is maar ontzind.// Hoe luid en onwelluidend uw geluid!/ Onhoorbaar, ongezien haar spraak van puur/ cerebrum in formules van azuur,/ die het metrum van het bloed der mieren duldt.’ Daarnaast komt het luisteren naar de innerlijke stem, die bepaald is door de cultuur. D’haen was zich er meer dan wie ook van bewust dat je niet in een vacuüm schrijft. Zo plaatste ze haar invallen en associaties in een breder referentiekader, goochelde met de morfologie en de syntaxis, tot er poëzie in een volstrekt eigen idioom ontstond, in de tijd en tijdloos tegelijk. Tevreden was ze niet snel, want ze mat haar gedichten af aan die van Horatius, Dante, Mallarmé en Rimbaud. En dus moest ze tot op hoge leeftijd telkens weer beginnen. De bundels Mirabilia (2004) en Innisfree (2007) behoren tot haar sterkste werk. D’haens idioom is erg specifiek, maar toch is er een aanwijsbare evolutie. In de eerste verzamelbundel Gedichten (1958) valt het al op dat D’haen, in volle experimentele tijd, put uit de klassieke mythologie en middeleeuwse teksten, zoals Abelard en Héloise. De eigen existentie speelt een aanwijsbare rol, maar ze wordt in een bredere context gesitueerd. Dat is een constante in haar werk.

Minder klassiek

Geleidelijk aan doet er zich wel een kentering voor. De lectuur van Roland Barthes sterkte D’haen wellicht in de overtuiging om haar eigen tekst nog nadrukkelijker in relatie tot andere teksten te plaatsen. Haar gedichten zijn ook gedurende een periode minder klassiek in vormelijke zin. Het is alsof ze in de jaren tachtig de zinnelijkheid meer ruimte geeft in de taal en twijfelt aan de mogelijkheid om met de ratio de werkelijkheid te beheersen. Dat levert de markante bundel Mirages (1989) op, waarin ze de klassieke vorm even loslaat, zoals hier: ‘Sur un lit semé de cailloux/ (mon amour et moi couchés)/ een akker vol grindsteen/ ons leger een egge, daarop/ strekten wij onze leden/ wentelden ons en wilden dat niet/ trapten de randen en kreten, maar niet van genot;/ omdat er geen was, geen randen,/ geen leden door steenslag gereten,/ zelfs zo’n leger niet, stekend,/ kreten wij niet.’ In haar laatste bundel Innisfree lezen we in het gedicht ‘Ab ovo’: ‘Nog zijn uw blijde stemmen, uw nachtegalen hier,/ Want Dood, hij rooft ons alles, hen roven kan hij niet.’ Christine D’haen is niet meer, maar de unieke nachtegaal die haar werk is, kan ons niet ontnomen worden.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234