Donderdag 01/12/2022

Patronen, en hoe ze aan flarden te schieten

Het beweegt boven de Moerdijk. In de nieuwe boeken van Tonnus Oosterhoff en Atte Jongstra wordt niet loos geëxperimenteerd. Zinnen die recht uit een doktersroman komen, neukende nonnen die vuil spuiten: ze breken door verwachtingen als door clichés. Sybren Polet duidt het contraproza.

Wie met stand-up comedians, radiomakers of andere productontwikkelaars over hun job praat, zal al snel het woord 'effect' horen vallen. Het effect van hun inleidinkjes, jingles, grappen is een van hun belangrijkste zorgen: hoe zorg ik ervoor dat het publiek mijn programma's lust? Wat werkt er? Wat gaat hopeloos de mist in? Hoe goed het concept ook is, als het ideetje in de praktijk tot buitensporige resultaten leidt, vliegt het onherroepelijk de vuilnisbak in: cut your babies, kill your darlings. Als het uiteindelijke product aan de vereisten beantwoordt, zegt men: "Het is goed gemaakt". Daarmee wordt dan bedoeld dat het werk een bepaalde vorm heeft. Het vertoont geen storende haperingen, geen onduidelijkheden die niet worden opgehelderd, geen losse eindjes. De kernwoorden zijn functie en ritme: als de clou van een grap niet duidelijk is of als de flow van een programma dreigt te stokken, dan zit er iets fout. Tegelijkertijd kan het compliment dat iets goed is gemaakt dienstdoen als een verborgen verwijt: het is goed gemaakt, maar het interesseert mij niet. Het is vlot entertainment, maar het raakt kant noch wal. Dan is het zoals wanneer men een vrouw of een man "wel lief" noemt. Men zegt dat om verder geen aandacht aan hen te moeten besteden. In een van de spanningen die creatief werk interessant maken, is de vorm de sparringpartner van de inhoud, een bepaalde 'waarheid' die men wil overbrengen. Een persoonlijke waarheid dan wel, die in meer didactische tijden ook wel 'boodschap' werd genoemd en in neutralere bewoordingen met 'betekenis' wordt aangeduid. Voor stand-up comedians, radiomakers en andere productontwikkelaars die hun werk echt serieus nemen, draait het toch veeleer om hun waarheid dan om het effect van hun werk. De effecten staan ten dienste van wat men wil zeggen, en niet omgekeerd. Hetzelfde geldt voor schrijvers, en voor hen misschien nog iets meer: de inhoud moet overgebracht worden, en het liefst zo precies mogelijk. Als die waarheid geweld moet worden aangedaan omwille van de leesbaarheid, dan zoekt men liever nog even verder. Naar andere personages, plots, vertelbewegingen, zinnen, woorden. Tot het juist zit.

De wonderlijke nieuwe verhalenbundel van de vooral als dichter bekendstaande Tonnus Oosterhoff verkent de "kwetsbaarheid van het menselijke brein op een indringende en humoristische manier", zo meldt de blurb. Blijkbaar heeft Oosterhoff bepaalde ervaringen, gedachten en ideeën omtrent de kwetsbaarheid van onze hersenen en wil hij die meedelen. Tezelfdertijd meldt de flap ons al iets over de te verwachten effecten: de verhalen zullen indringend zijn en ze zullen ons aan het lachen brengen. In het ietwat pesterige eerste verhaal begint Oosterhoff in elk geval aan een melodrama. Het gaat over liefde die stukloopt, tot driemaal toe. Maar wie Oosterhoff ook maar een beetje kent, vindt de zinnen die erin staan eerder verrassend. Een ontmoeting tussen twee oude geliefden wordt op de volgende manier omschreven: "Voor een buitenstaander leek het of we elkaar voor het eerst ontmoetten, waarbij het meteen 'klikte'!". Vooral de aanhalingstekens rond 'klikte' zijn bizar: ze tonen een soort van gêne, alsof 'klikken' niet het juiste woord is, alsof het een woord is dat even van anderen geleend wordt om iets aan te duiden dat toch niet helemaal 'klikken' is. Op de volgende bladzijde zegt de ikverteller: "We stonden op een heuveltop. Een briesje speelde met mijn haar". Volstrekte zeemzoeterigheid, pure Bouquet-reeks. Niet iets wat je verwacht bij een complexe dichter als Oosterhoff. Het is pas vier bladzijden voor het einde van het verhaal dat de verbazing van de lezer plaatsmaakt voor begrip: er komt een redacteur aan te pas, het sentiment blijkt een heel specifieke reden te hebben, en meer zeg ik niet.

Deze voor driekwart magistrale verhalenbundel heet Dans zonder vloer en dat is een waarschuwing: hier wordt stevig geswingd, maar een dansvloer is ver te bespeuren. De vaste grond van de rechtlijnige plot is nog wel een referentiepunt, maar de verhalen lopen al snel vrolijk verloren. In zijn geheel stapt de bundel van traditie naar experiment, van orde naar wanorde. Zoals gezegd start het boek met een sjabloon van een liefdesverhaal (compleet met echtscheiding, oorlog, ziekte), maar het eindigt met de chaos van een roerdomp. Dat is een denkende vogel. In de hele bundel gaat Oosterhoff op zoek naar effect, maar niet door middel van marktonderzoek. Hij zoekt naar het effect dat ten dienste staat van zijn boek, en niet zozeer ten dienste van de lezer. Dat houdt in dat het boek er blijkbaar een 'eigen', 'autonome' waarheid op na houdt die verschilt van de waarheid die het publiek al kent. Er zal dan ook vervreemding optreden, verwachtingen zullen doorbroken worden, spelletjes zullen gespeeld worden.

In het derde verhaal, bijvoorbeeld, dat omineus 'Verhaal zonder voortgang' heet, wordt onder meer Theo opgevoerd, een begaafde schaakspeler. Hij is de beste schaker van schaakcafé Passant, maar woont in een inrichting. Bovendien besteedt hij veel vrije uren aan het detecteren van foutjes in Willem Frederik Hermans' romans, waaronder De donkere kamer van Damocles en De tranen der acacia's. Beschrijvingen die niet kloppen, afstanden die niet met vroegere passages overeenkomen en vooral ook enkele 'absurde' zinnen over een schaakprobleem kunnen Theo's paranoïde aandacht urenlang vasthouden. Ondertussen wordt het verhaal onderbroken door soms zeven opeenvolgende regels met schaakbewegingen: "1. e4, g6 2. d4, Lg7 3. Pc3, c6 4. Lc4, d6". Een keer staat er zelfs een heus diagram afgedrukt. Voor wie geen schaaktalent is en er geen bord bij neemt, blijven die regels pure vormen. Vreemde indringers in een lapje proza. De effecten ervan zijn onvoorspelbaar: men kan genieten van de onderbreking, misschien krijgt de lezer zin in een spelletje, misschien vindt hij het prettig dat hij zeven regels kan overslaan. Ook komt er een moord ter sprake, zo tussen de spelletjes door, en maakt Elvira, die gebroken Nederlands spreekt, zich zorgen over de immigratiedienst. Het verhaal wordt afgesloten met een facsimile van een pagina uit De donkere kamer, met daarop een hele reeks amper leesbare aantekeningen van Theo.

Oosterhoffs verhalen zonder voortgang verzamelen uitgebalanceerde snapshots van de wereld, waarin mensen over arbeidskrachten en productiemiddelen beginnen te zeuren als ze dronken zijn, waarin rockteksten van Paul Weller staan geciteerd, waarin zoontjes die Marco heten in niet meer dan drie regels in bad verdrinken. Niets bijzonders, ware het niet dat Oosterhoff een en ander heel spaarzaam meedeelt, wat het effect intenser maakt. Als hij al van traditionele lezersverwachtingen vertrekt, dan is dat vooral om ze te kunnen ontlopen. In het laatste verhaal van de bundel, 'IJlroman/Oubaan' getiteld, gaat het wat dat betreft mis: de observaties van en over de roerdomp gaan te veel kanten tegelijk uit. In het begin wordt gemeld dat die observaties het werk zijn van een schrijver die steeds maar verder schrijft, zonder omkijken, om de depressie voor te zijn. Maar het is niet omdat de 'IJlroman' die je te lezen krijgt levensecht aandoet (het zou echt therapeutisch geratel kunnen zijn), dat het daarom interessant is. Meestal is levensechte therapeutische schrijvelarij bijzonder vervelend, en wie dat goed kan nadoen riskeert ook zijn lezers kwijt te raken. Een verhaal kan ook te véél haperingen bevatten.

Atte Jongstra is een andere Nederlandse schrijver die al eens minder betreden paden opzoekt. In zijn laatste roman, De Tegenhanger, ontspint zich een kleine vijfhonderd bladzijden lang een wild draaiend verhaal over een psychiater die zijn vrouw en met haar de liefde van zijn leven verliest. Net als bij Oosterhoff tracht Jongstra zeer precies te zijn in de woorden die hij kiest, net als in Dans zonder vloer worden werelden opgebouwd met elementen die min of meer afwijken van of variëren op de traditie. Wanneer de psychiater (die net als de auteur Atte Jongstra heet) de mysterieuze patiënt Hudiger op bezoek krijgt, blijkt die na vele bladzijden een afscheiding van de persoonlijkheid van de intrieste zielenknijper te zijn. Dat is niets anders dan het in de titel aangekondigde klassieke dubbelgangermotief, maar Jongstra speelt er een heel subtiel spel mee, dat de paranoia van het hoofdpersonage uiterst scherp stelt. Als Jongstra ten slotte in een labyrint van een psychiatrische instelling terechtkomt, richt de rector er heuse partouzes met afzichtelijke nonnen in. Behalve van grillige plotlijnen maakt de auteur ook gebruik van diverse taalregisters, van de meest verheven en wazige jezuïetenpraat tot de vulgairste en met schuttingtermen doorspekte scheldtirades. Zo zegt een van de libertijnse nonnen in kwestie: "Hoererij is de deugd der nonnen, we zijn enkel en alleen geschapen om te neuken. Ik zweer dat ik zo lang ik nog leef een hoer zal blijven. Een lul ja, godverdomme, dat is mijn God. Ik leef enkel en alleen voor een sublieme pik. Zaaier, ga uit om te zaaien! Ik voel alleen mystiek als ik klaarkom." Zo'n tirade à la De Sade is niet alleen goed gemaakt, ze werpt ook mooie schaduwen over andere, meer traditionele stukken. Een man is zijn vrouw aan een andere man kwijtgeraakt. De ontregeling is zichtbaar in elke zin.

Hudiger, de reeds genoemde tegenhanger uit de titel, leest de psychiater dan weer grote lappen voor uit een manuscript dat uiterst literair aandoet. Het bevat bijzonder ritmisch proza, waarbij het subject van de zin al eens naar achteren moet en voorspelbaarheden gewoon worden geschrapt om het geheel in cadans te houden: "En te midden van die vrolijkheid zat in een grote clubfauteuil gezakt een gladde eikel, die er helemaal niet klaar voor leek te zijn. Ik dacht: ze zal toch niet?" Jongstra's uitermate virtuoze proza staat zijn waarheid echter niet in de weg. De Tegenhanger leest als een trein, is bijwijlen verfrissend grappig. Het boek nodigt zelfs zonder meer uit om bepaalde zinnetjes vanbuiten te leren. In een hoofdstuk dat niet zomaar 'Een ontregelend spel met het verwachtingspatroon' heet, beklaagt Jongstra zich over mensen die hun vrienden in de steek laten. De auteur had iets kunnen zetten als "Vrienden bleken weer niet te vertrouwen", maar in De Tegenhanger staat er: "Op dat tijdstip had de vriendschap dus weer eens elders de horlepiep gedanst". Het is een speelsheid die een immens lijden verbergt en dat op die manier juist pijnlijk duidelijk maakt. Hier wordt een mens zot van verdriet. Hij wil niet dat je het ziet.

Er bestaat een zeer goede kans dat Sybren Polet zowel de verhalenbundel van Oosterhoff als de roman van Jongstra 'modern proza' zou noemen. Polet, de antiheld van het experimentele 'ander proza' uit de late jaren zeventig, bracht onlangs het handige essay 'Tussen de zwarte en de witte pagina' uit. Modern proza, dat is voor Polet 'contraproza', de tegenbeweging tegen het gecanoniseerde, het conventionele, het klassiek-psychologische verhaal. Zijn zeer leesbare boekje begint bij de satirisch-fabulerende verhalen van Lucianus, de groteske abracadabra van Rabelais en de windmolens van Cervantes. Onvermoeibaar wijst Polet op vreemde taalfiguren, amusante uitweidingen, mannen zonder eigenschappen. Dat hij ook veel klassieke auteurs, als Flaubert en Dostojevski in zijn overzicht opneemt, doet het vermoeden rijzen dat dit vooral ook een eerbetoon is aan zijn favoriete schrijvers. In zekere zin kun je zeggen dat Madame Bovary of Misdaad en straf nu net de boeken zijn die vandaag voor 'traditioneel' zouden kunnen doorgaan. In de voorgeschiedenis van het ander proza ontwaart Polet een 'witte' en een 'zwarte' stroming: de eerste neigt onder meer naar de blanke, in zichzelf besloten verzen van Mallarmé, de andere wil het hele blad volkliederen met zoveel mogelijk onzuiverheden (Sterne, Joyce): "uitbreiding en diversiteit tegenover concentratie en condensering".

Net als Oosterhoff en Jongstra scheppen auteurs als Diderot, Melville, Multatuli en Ezra Pound literatuur uit hun bewustzijnswerkelijkheid, hun waarheid, "een reusachtige mentale en verbale speelruimte voor wie tot spelen bereid is en zich niet bij voorbaat door heersende conventies wil laten inengen". Inengen, een woord als een Fremdkörper, een hapering in de flow.

Bert Bultinck

Atte Jongstra

De tegenhanger Querido, Amsterdam, 478 p., 22,5 euro Tonnus Oosterhoff

Dans zonder vloer De Bezige Bij, Amsterdam, 157 p., 17,5 euro Sybren Polet

Tussen de zwarte en de witte pagina. De voorgeschiedenis van het moderne proza IJzer, Utrecht, 185 p.,

17,5 euro

Het boek van Sybren Polet is vooral ook een eerbetoon aan zijn favoriete schrijvers

Waarschijnlijk zou Sybren Polet zowel de verhalenbundel van Oosterhoff als de roman van Jongstra 'modern proza' noemen

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234