Zaterdag 11/07/2020

PASSAGE

Schrijvers duiken in hun boekenkast om een fragment uit de Nederlandstalige literatuur te selecteren dat een bijzondere waarde voor hen heeft. Deze week leest Hans Bogaert een fragment uit Titaantjes van Nescio.

Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in't Westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven zal in eeuwigheid?




Tijd en ruimte hadden het weer op mij voorzien, toen ik, een aantal jaren geleden, met de bus onderweg naar Wageningen opeens 'den toren van Rhenen' zag opduiken, terwijl ik het werk van Nescio nog maar net had gelezen. Ik trachtte me de passage uit Titaantjes voor de geest te halen die ik zopas nog in mijn rapiarium had genoteerd. De bus was verder gevuld met alleen maar schrijvers, dat slag dat geen bazen heeft die zeggen wat ze moeten doen.

Flarden kwamen aangewaaid van Koekebakkers gedachte, de verteller en tevens een van de titaantjes, die in een buitenburgerlijk leven van gebeurtenisarmoe een nieuwe tijd anticipeerden. Door God zelf waren zij aangewezen om iets te verwezenlijken, 'iéts' ja, want wat precies, dat konden ze - zoals bekend - niet zeggen. Misschien had ik me wel een van hen gewaand, toen ik het boekje uit had, reikend naar het onbestaande, de volmaaktheid, die als bij een ware tantaluskwelling soms in de buurt leek maar onmogelijk vast te grijpen viel.

Terwijl ik door het trillerige busvenster naar buiten keek en wat heen en weer schuifelde over de inmiddels statisch geladen stoelbekleding, kauwde ik op de vraag of dat verlangen naar het andere een abstractie was. Want wat lag daar in 'de verten' dat Koekebakker vanaf de toren van Rhenen dacht te kunnen zien?

Als je niet gek werd van zo'n contourloos verlangen, of voor dat gebeurde de berusting niet had ontdekt, dan ging je wel schrijven, zoals die lui die per convoi exceptionnel in Wageningen dienden te worden afgeleverd. En inmiddels ook ikzelf.

Want wat deden al die schrijvers anders dan het gebeurtenisloze te lijf te gaan met hun verbeelding en de volmaaktheid na te streven door een wereld in te richten naar hun eigen model? Een ijdel verlangen was het, zo wisten de titaantjes zelf ook, dat eens te nabij, vervangen zou worden door iets nieuws waar het hart naartoe kon trekken. Godzijdank had Bekker het meisje dat hij na schooltijd opwachtte uiteindelijk niet leren kennen, zodat hij toch nog over haar kon schrijven.

In de bus plakten ze bijna tegen het venster, dat zootje schrijvers, gapend naar de voorbijtrekkende toren, en met een ondraaglijk verlangen naar het onbekende, alsof ze zo naar het schilderijtje van Bavink leken te kijken, het 'gezicht op Rhenen', dat de maker krankzinnig in stukken had gesneden.

Hans Bogaert

► 1987 ► Belgische schrijver ► studeerde moderne literatuur en theater- wetenschappen in Antwerpen en Berlijn ► werkte een tijd bij Behoud de Begeerte ► publiceert literaire kritieken in Ons Erfdeel en DW B ► romandebuut Echo is nu uit

Nescio

► 1882-1961 ► Nederlandse schrijver ► echte naam Jan Hendrik Frederik Grönloh ► vooral bekend van novellen De uitvreter (1911), Titaantjes (1915) en Dichtertje (1918)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234