Zaterdag 15/08/2020

Parijs, de doortrapte verleidster

Met veel gevoel voor smoezelige anekdotiek sleurt Andrew Hussey ons mee in de gevaarlijke oceaan van een verdorven Parijs. Dit vibrerende boek gluurt achter de coulissen van de Lichtstad en leidt ons met meesterhand door het weerspannige Parijs van de onderbuik, een carnaval van 'licht en gruwelen'.

Door Dirk Leyman

Je kunt er ettelijke Parijse straten mee plaveien maar toch blijven ze er bij de gemiddelde bezoeker nog steeds ingaan als zoete koek: de glossy boeken waarin het roemruchte verleden van het galante Parijs op een piëdestal wordt gezet én de Eiffeltoren, Montmartre, Pigalle of het Louvre nog maar eens vanuit datzelfde glimmende perspectief worden bekeken. Ook de argeloze beelden van fotografen als Robert Doisneau, Henri Cartier-Bresson of Willy Ronis, de gedichten van Jacques Prévert, de schilderijen van Renoir en Toulouse-Lautrec en de ooit 'authentieke' chansons van Juliette Gréco en Edith Piaf: stuk voor stuk zijn ze genadeloos vermalen en ingepast in een gebruiksklare Parijsmythe, die in ons collectief geheugen zit gebeiteld. Het is een behaaglijk Parijs, waarvan de sfeer van oh-la-la, les années folles én instantromantiek op de bruggen van de Seine ons telkens weet in te pakken, maar een Parijs dat evenzeer afgelikt en "gesteriliseerd" is, zoals de Spaanse schrijver Juan Goytisolo het ooit omschreef. En ook literaire Parijsgangers hebben hun op maat gesneden iconen met attractiestatus: denk maar aan Saint-Germain-des-Prés en het existentialistenkoppel Sartre en de Beauvoir én het Montparnasse van Hemingway en Scott Fitzgerald. Weinigen durven het aan om achter de coulissen en in de spelonken van dit afgeborstelde 'Parisiana' te gaan spieden, dat in hoog tempo ten prooi dreigt te vallen aan 'museumificatie' en façadisme.

Niet het toeristisch exporteerbare Parijs van het plaatjesboek, maar een subversief en opwindende stad die revoluties stookt én waar losbandigheid hoogtij viert: dat is wat de onconventionele Britse academicus en journalist Andrew Hussey aantrekt. De zwerflustige Londenaar met een punkverleden ging eind jaren zeventig op zoek naar het graf van Jim Morrison op Père Lachaise en raakte voorgoed verstrikt in de tentakels van Parijs. In zijn ogen is de stad vooral een kolkende smeltkroes vol sluimerend geweld en ongetemperde emoties. Hij veracht de 'disneyficatie' van Parijs en kickt op de Franse hoofdstad als een ongeregeld zootje.

Want Hussey vindt de "fatale en verleidelijke bekoorlijkheid" van Parijs niet op de geijkte plekken maar in de achterafsteegjes, in de kroegen, in de buitenwijken, in de ondergrondse, op de barricaden én in de bordelen. Hussey sympathiseert met de weerspannige Parisien, het spotzieke "gros maroufle" dat door de eeuwen heen een onvergelijkbaar talent voor straatrumoer en tegendraadsheid aan de dag heeft gelegd. Hussey, die intussen lesgeeft aan de University of London in Parijs, begon zich steeds hardnekkiger te ergeren aan de eenzijdige manier waarop de geschiedenis van de stad was weergegeven, alsof uitsluitend koningen en prinsessen, monumenten en gecoiffeerde kunstuitingen (hij gruwt bijvoorbeeld van Marcel Proust) het beeld van Parijs kleurden.

Zo rijpte het idee om een alternatieve en ongepolijste biografie van Parijs te schrijven. Daarin zou hij de zo vaak weggemoffelde "gevaarlijke klassen" recht doen, enigszins naar het voorbeeld van Peter Ackroyds London: A Biography (2001) en vooral van Louis Chevaliers L' Assassinat de Paris (1977). Wat Hussey voor ogen stond, was een dissectie op het "lijk van een oude hoer", zoals de stad weleens door de Britse kunstenaar Ralph Rumsey is genoemd. Hussey moest toegeven dat er van "de oude hoer nog steeds een betoverende werking uitgaat", maar ook een fatale én ironische: is het toeval, zo argumenteert hij, dat de Britse prinses Diana net in Parijs om het leven kwam? Van de opulentie van het Ritz naar een dodelijk grauwe tunnel onder de Pont d'Alma: de stad voedt zich met extremen.

Toen Parijs, de verborgen geschiedenis in Groot-Brittannië verscheen, werd het boek meteen omarmd en gezien als een flamboyante correctie op de traditionele, soms te meegaande Parijshistorieken en een noodzakelijke aanvulling op het niet minder monumentale Paris. The Biography of a City (2004) van Colin Jones. De Parijse opiniemakers konden er evenwel niet mee lachen, wellicht omdat het een te schonkig en belasterend beeld schetste van hun hoofdstad en de schrijver ze wel heel viriel, vurig en vooral vuil afschilderde.

Het motto van het boek, geplukt uit Le Tableau de Paris (1782-1788) van Louis-Sébastien Mercier, liegt er niet om: "Ik heb zoveel gelopen om dit portret van Parijs te maken dat ik waarachtig kan zeggen dat ik het heb gemaakt met mijn benen." De corpulente Hussey schreef Parijs, een verborgen geschiedenis evengoed met gespierde kuiten als met zijn hoofd. Hij benadrukt meermaals dat je een stad maar kunt leren kennen door je er de sloffen voor uit het vuur te lopen, door haar straten kriskras en zonder vastomlijnd plan te bewandelen en vooral je zintuigen de volle lading te geven. Balzac wist het al: "Flaneren is een wetenschap, het is de gastronomie van het oog." Merkwaardig is wel dat Hussey de grote arpenteur van de Parijse arrondissementen, Patrick Modiano, totaal over het hoofd ziet.

Dat het boek wemelt van de straatnamen en enige vertrouwdheid met de Parijse plattegrond vereist, moet je er bijnemen. Eigenlijk bedrijft Hussey - naar het voorbeeld van Walter Benjamins mentale Parijse kaarten en vooral Guy Debord - een eigengereide vorm van psychogeografie. Hij dwingt je naar de straten te kijken op een ietwat ontwrichtende manier, die schatplichtig is aan de richtlijnen van de situationistische internationale van Debord: "een atmosfeer te creëren waardoor de routinematige gang van zaken in het dagelijks leven in de war werd gestuurd". De situationisten betoogden trouwens ooit dat de Parijse metrolijnen opengesteld moesten worden voor voetgangers en de straatverlichting met schakelaars diende te werken. Zover drijft Hussey - die te allen tijde down to earth blijft - het niet.

Op een verbluffend soepele manier verbindt hij zijn observaties uit de Parijse asfaltjungle met wat literaire chroniqueurs als François Villon, Restif de la Bretonne, François Rabelais, André Breton, Emile Zola of Honoré de Balzac hem influisteren. Filosofen als Debord, Sartre en Benjamin zorgen voor munitie, net als de erotomanen de Sade en Bataille. Maar vooral wemelt het van de pikante anekdoten over de gewone man, geplukt uit de crème de la crème van opgedolven verslagen, zonder dat hij evenwel de hoofdstroom van zijn betoog uit het oog verliest. Af en toe laat hij in zijn onstuimigheid een steekje vallen (zo heette de fotograaf Brassaï niet George met zijn voornaam en was Adrienne Monnier niet de uitbaatster van de boekhandel Shakespeare en co, maar wel haar vriendin Sylvia Beach) en zijn een aantal onontbeerlijke Parijsbronnen (zoals de boeken van Robert Darnton en Alain Corbin) onaangeroerd, net als Jean Rolin, die de Parijse banlieues bewandelde, of zijn broer Oliver Rolin geheel ongenoemd blijven. En ook de fotografie komt er wat stiefmoederlijk af.

Parijs, de verborgen geschiedenis opent met een aantal vrij traditionele hoofdstukken waarin Hussey de oorsprong van de stad aan de verraderlijke rivier de Seine in kaart brengt en de stichting van nederzettingen door de Keltische Parisiistammen (een naam die nu nog gebruikt wordt door een segment van de spionkop van voetbalclub Paris Saint-Germain). Al spoedig wordt de vrij vruchtbare plek door de Romeinen omgesmeed tot Lutetia, wat stond voor "smerig moeras". Het is keizer Julianus die omstreeks 360 na Christus de stad haar definitieve naam geeft en ze tot Parijs omdoopt. Wanneer Rome in elkaar tuimelt, krijgen de wreedaardige Franken het voor het zeggen. Ternauwernood ontsnapt de stad aan algehele verwoesting door de Noormannen. Geleidelijk aan ontstond zoiets als een Parijse identiteit: "een kwestie van stijl en gedrag, niet van landstreek". Hussey noteert dat de Parijzenaars al snel iets hadden van een besloten kliek: "angst voor de wereld achter de stadsmuren is van oudsher het eerste kenmerk van de Parijse identiteit". Het is een van de rode draden door het boek: dat gevoel van bedreiging dat Parijs telkens weer koestert, iets dat al vroeg aanleiding gaf tot hoge muren, omwallingen en verschansingen. Hussey merkt schamper op dat de buitenwereld tegenwoordig de banlieues zijn en de periférique de omwalling, een scheidslijn waarachter de gegoede Parisien zich nog amper durft te vertonen. Nochtans beseft Hussey als geen ander dat het multiculturele karakter van Parijs sinds zijn ontstaan een godsgeschenk is.

Omstreeks de eerste millenniumwissel was Parijs nog "een smerige en weinig ordelijke plaats", ja, zelfs "een aftandse bouwval". De straten buiten het centrum waren "een stinkend labyrint, een zompig terrein vol vee, drek en omheiningen". Stank en hygiëne: het zal een van de dominante problemen blijven van Parijs, waar tot diep in de twintigste eeuw veel bewoners verstoken bleven van basisvoorzieningen als toilet en een douche. Geen wonder dat Rimbaud de stad ooit 'Parmerde' noemde.

De komst van de weliswaar meedogenloze Filips Augustus, die de Engelse belagers voorgoed verjoeg, bracht Parijs voor het eerst een politieke en militaire schittering, "die maakte dat de stad zijn machtigste en eminentste rivalen in zelfs de verste landen al gauw overvleugelde". In de toenmalige christelijke pikorde kreeg de stad hoge status met de bouw van de Notre Dame in 1163, een kathedraal die een "heilige geometrie" binnenbracht en "als een majestueus schip op de wateren dreef". Hussey reveleert hoezeer het gebouw niet enkel de katholieken inspireerde, maar ook een fetisj werd in het denken van alchemisten en later ook de surrealisten. Hussey noteert dat Parijs omstreeks 1223 de onbetwiste culturele hoofdstad van Europa was, met twintig kerken en een universiteit. Ze werd ook steeds kosmopolitischer, onder meer door de toestroom van studenten (wat trouwens in 1229 al tot een eerste studentenoproer leidde, over de wijnprijs). Maar hoezeer de stad nog altijd de spagaat maakte tussen zijn status als intellectueel voortrekker en soms barbaarse vormen van geweld, illustreert Hussey aan het verhaal van Abélard en Héloise. Het beroemde koppel doorbrak een taboe door openlijk toe te geven dat ze seks met elkaar hadden gehad, wat Abélard op een wraakneming kwam te staan waarbij hij van zijn testikels werd ontdaan.

Hoezeer het centrale gezag ook in diverse vormen zijn wil probeerde op te leggen, Parijs was door de eeuwen heen een broeinest van complotten, executies en verbanningen. De wreedheid van de Parijzenaar blijft een constante, door Hussey soms uitentreuren benadrukt. Het is merkwaardig te lezen hoe de stad onder de talloze mokerslagen van geweld - vanaf de Franse revolutie werd de stad tot 1945 bijna om de zoveel jaren geteisterd door oorlog, straatterreur en dies meer - haar levenslust en vooral hedonisme bleef uitleven. Tegelijk was het Parijse blazoen als intellectueel walhalla ongeschonden. Nieuwe filosofische stromingen schoten als paddestoelen uit de grond. Hussey noteert dat de stad ook zeer vatbaar was voor occultisme, vrijmetselarij en tal van geheime genootschappen herbergde.

Het prettigste aan de overvloedige geschiedenislessen van Hussey is dat hij gedurig en ongedwongen switcht tussen heden en verleden. Wanneer hij het bijvoorbeeld over de erotomane schrijftraditie van de stad heeft - die al vanaf de twaalfde eeuw ontbolsterde - schakelt hij ongegeneerd door naar de twintigste eeuw om een gesprek met pornokoningin Ovidie in te lassen. Dan mijmert hij over de teloorgang van de hoerenbuurt rond Saint-Denis en het verval van de pornobioscoop. Terloops doet hij ons plekken aan de hand waar we tegenwoordig nog met enig fatsoen aan onze seksuele trekken kunnen komen. Hij maakt zich dik over het feit dat zogenaamd onzedige straatnamen - die verwijzen naar de activiteiten van de destijds alomtegenwoordige prostituees - als de rue Tire-Boudin (Lullentrekkersstraat), rue de la Puty-Muse (Luie snolstraat) en de rue du Petit- et Gros Cul met heel wat onschadelijker namen als bijvoorbeeld Rue Marie-Stuart of Rue Petit-Muse werden bedacht.

In geen moeite komt hij zo uit bij het droevige seksuele universum van Michel Houellebecq, in wiens visie peepshows en betaalde rukseks onderhevig zijn aan "dezelfde sleur als werken op kantoor in het stadscentrum". En ook Catherine Millet, als oppergodin van het échangisme ofte partnerruil, komt om het hoekje kijken, als toonbeeld dat lichamelijke vrijpostigheid Parijs ook nu nog kenmerkt.

Hussey kickt op het scabreuze detail, zoveel is zeker, maar weet er zeer smakelijk over te schrijven. Er zijn erotische weetjes die je niet gauw meer vergeet zoals het feit dat de Place Dauphine vanwege zijn vorm bekend staat als 'de clitoris van Parijs'. En wist u dat de hoeren op de dag van de begrafenis van Victor Hugo bij wijze van eerbetoon hun gunsten gratis verleenden, wat leidde tot "een compleet Parijse en volstrekt unieke orgie"?

Hussey trekt in Parijs, de verborgen geschiedenis voortdurend verse laatjes open, tot genoegdoening van de lezer. Drankzucht en gastronomie komen in geuren en kleuren aan bod en wanneer hij bijvoorbeeld François Villon ter sprake brengt, doet hij dat niet zomaar. De dichter die Parijs "een groot carnaval" noemde en over schurken, maagden en dronkaards schreef, ziet hij als de aanstichter van een traditie die tenslotte culmineert bij Serge Gainsbourg als le bon follastre.

Veel aandacht schenkt het boek aan de gedaanteverwisselingen die de stad bouwkundig onderging, bijvoorbeeld door het publieke vervoer, de bouw van de metro en zeker door de harde ingrepen van prefect Haussmann, de "sloopkunstenaar" die Parijs in 1860 van grote boulevards en avenues voorzag en het spontane, kronkelige straatleven naar de vernieling hielp. Zoals bij Baudelaire ("Het oude Parijs verdwijnt. Het silhouet van een stad, ach, het is eerder dan een mensenhart bezweken") sluipt er bij Hussey toch enige treurnis over de rücksichtsloze aanpak van Haussmann binnen.

Nochtans zul je Hussey in dit boek zelden op nostalgie betrappen. Hij gaat er nu eenmaal vanuit dat een stad een levend organisme is, dat zichzelf om de zoveel decennia vernieuwt, meer zelfs: dat een stad leeft bij de gratie van gewoel en verandering. Dat komt sterk tot uiting in de laatste, erg geslaagde hoofdstukken van het boek, waarin Hussey voorzichtig de balans opmaakt en naar de toekomst peilt. Hij vertelt over de Parijse omgang met de joden, neemt poolshoogte bij rappers en bij nieuwe denkers als Tariq Ramadan en vertelt de gewelddadige dekolonisatiestrijd van Algerije, waarbij ook Parijs als slagveld diende. Hij ziet mei 1968 als een laatste grote uitspatting. Hussey bedenkt dat na de dood van Jean-Paul Sartre in 1980 Parijs langzaam in een intellectuele slaap is gedommeld en internationaal is verbleekt. Toch is hij niet pessimistisch want de Parijse intelligentsia heeft gewoon een subtiele gedaanteverwisseling ondergaan. Het stemt hem hoopvol dat ze zich voluit bezint over de belangrijkste kwestie: hoe zal Parijs omgaan met gastvrijheid, zijn melting pot en de tikkende tijdbom in de periferie?

Hoe dan ook, wanneer u dit boek dichtklapt, hebt u een vibrerend en bijzonder leerzaam relaas gelezen van een stad die in de visie van Hussey tegelijk paradijs en een visioen van de hel is. Je kunt het oneens zijn met die soms weleens drammerige klemtoon op het subversieve Parijs, prikkelend is zijn visie wel. Parijs mag dan een sukkelachtige hoer of een stervende zwaan zijn, hij laat haar gargantuesk opflakkeren als nooit tevoren. Want na dit boek heb je maar één aandrift: zo snel mogelijk dat Thalysticket aanschaffen en afreizen naar Panama, Panmerde, Parisiana, je in de armen gooien van dat "heerlijke monster" van Balzac, die "dikke koningin met onweerstaanbaar heftige verlangens", de "machtige courtisane".

Parijs mag dan een sukkelachtige hoer of een stervende zwaan zijn, Hussey laat haar gargantuesk opflakkeren als nooit tevoren

Andrew Hussey

Parijs, de verborgen geschiedenis

Oorspronkelijke titel: Parijs, The Secret History

Vertaald door Jan Braks

De Arbeiderspers, Amsterdam, 547 p., 34,95 euro.

Hussey kickt op het scabreuze detail, zoveel is zeker, maar weet er zeer smakelijk over te schrijven

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234