Dinsdag 20/08/2019

Parijs als paradijs voor de kunst

expo

'paris: capital of the arts 1900-1968' in londen: te veel is nog niet genoeg

Met ongeveer 280 werken is de tentoonstelling Paris: Capital of the Arts 1900-1968 behoorlijk duizelingwekkend, het aantal Grote Namen overdonderend. Toch is het tegelijk te veel en te weinig: er wordt in de Londense expositie veel getoond maar weinig verteld. En er rijzen veel vragen. Waarom is 1968 het eindpunt? En is Parijs na de jaren vijftig nog wel de hoofdstad van de kunst? Wat niet wegneemt dat Paris een waar feest voor het oog is, een schitterende caleidoscoop en een heerlijke ontdekkingstocht door de kunstgeschiedenis.

Londen / Van onze verslaggever ter plaatse

Eric Rinckhout

Dat Parijs in de eerste helft van de twintigste eeuw de hoofdstad van de kunst was, wordt in de zeer uitvoerige expositie in de Londense Royal Academy ontegensprekelijk bewezen. De lichtstad was de generator van de nieuwste stromingen en heeft de loop van de kunstgeschiedenis ingrijpend bepaald. Als een magneet trok Parijs toentertijd de meest innovatieve kunstenaars van over de hele wereld aan. Het is een très grande parade van Grote Namen. Picasso, Mondriaan, Dalí, Chagall, Giacometti, Van Dongen, Max Ernst, Modigliani, Diego Rivera, Magritte en Man Ray - om er slechts een handvol te noemen - verbleven kortere of langere tijd in de stad.

Aan het eind van de negentiende eeuw had Parijs natuurlijk al zijn reputatie als kunstencentrum gevestigd - denk alleen maar aan de impressionisten en de doortocht van Van Gogh. Maar jonge kunstenaars werden vanaf 1900 evenzeer aangetrokken door de charme van de stad, het vrije, bohémien-achtige bestaan en het feit dat het leven er goedkoop was.

Parijs zoog artiesten aan en veranderde hen, maar zij veranderden ook Parijs, ze gaven de stad nog meer renommee. Zonder Parijs was Picasso nooit geworden wat hij was. Stel dat hij in Spanje was gebleven, dan zou hij Georges Braque nooit hebben ontmoet en evenmin de Afrikaanse maskers in het Trocadéro hebben gezien. Misschien zou het kubisme niet zijn ontstaan of er heel anders hebben uitgezien. In 1907 schilderde Picasso in zijn Parijse atelier, ergens in een vervallen pianofabriek, zijn revolutionaire Demoiselles d'Avignon. Dat schilderij heeft evenwel de reis vanuit het MOMA, New York, naar Londen niet gemaakt. Er zijn wel enkele boeiende voorstudies te zien.

Toch is het vreemd dat de tentoonstelling zo weinig aandacht besteedt aan Parijs zelf. Wel duiken cabarets, een typische boulevard, de Eiffeltoren en de Sacré-Coeur hier en daar in een schilderij op. Maar het zou bijvoorbeeld aantrekkelijk zijn geweest om aan de hand van foto's en andere documenten het sociale en politieke klimaat te schetsen, de interactie tussen kunstenaars onderling, en de veranderingen in de stad en in het culturele en uitgaansleven. De Royal Academy heeft wel een prachtig documentair fotoboek, Paris Pictured: 1900-1968, op de markt gebracht. Maar daar zijn we in de tentoonstelling niet veel mee. 'Arts' wordt bovendien minimaal en louter plastisch geïnterpreteerd: schilderijen, beeldhouwwerk en installaties. De verwijzingen naar fotografie, architectuur, literatuur en filosofie zijn schaars.

Zoals gebruikelijk zijn de zaalteksten degelijk en informatief maar ze ontstijgen toch te zelden een soortement steriel bloemlezingenproza. En heel even, bij het betreden van de eerste zaal, bekruipt je dan ook de vrees dat je niets anders dan de platgetreden paden gaat bewandelen en een saaie kunstgeschiedenisles zult krijgen - een nette chronologie met beelden erbij. Maar de Royal Academy heeft gelukkig voor een avontuurlijker aanpak gekozen, voor een spel van homogeniteit en contrast, van bekend en minder bekend werk. De keuze van die werken is meestal voortreffelijk, er valt veel te ontdekken.

Dieprood overheerst de eerste zaal, de zaal der fauvisten. Derain, Van Dongen en De Vlaminck laten felle kleuren tegen elkaar opbotsen. Hun schilderijen zijn krachtig, de verf ligt er dik op. Direct wordt ons een ontdekking gepresenteerd: naast het rood opgloeiende Théâtre de Montmartre van de Engelsman Walter Sickert hangt een eveneens in het dieprood badende gang van een pension - de deuren van de kamers zijn dicht, er is geen gast te bekennen, de sfeer is van een Hopperiaanse verstilling en verstikking. De schilder is de nagenoeg onbekende Auguste Chabaud. In dezelfde zaal zijn er ook enkele prille Picasso's: een cabaretscène, nog in de stijl van Toulouse-Lautrec, maar ook al de eerste kubistische experimenten, een aan diggelen vallende Sacré-Coeur en enkele hoekige portretten. Picasso is trouwens de rode draad in de expositie, de alomtegenwoordige duivelskunstenaar.

In de volgende zaal worden kubisme, futurisme en abstractie met elkaar geconfronteerd en om de hoek hangt een zaal vol naakt. Het is een boeiende, gediversifieerde aanpak. Vooral het thema van het naakt laat zien hoeveel stijlen, hoeveel stemmen er gelijktijdig in de jaren twintig en dertig in Parijs opklonken: een langgerekt, langoureus naakt van Modigliani, een etherische courtisane van Foujita, een kubistische vrouw van Gromaire en enkele bijna klassieke naakten van Picabia, Derain en Braque, die het experiment even lieten voor wat het was.

Veel kunstenaars zijn maar met één werk vertegenwoordigd, maar in het kleinste zaaltje wordt daarop een uitzondering gemaakt - het is een van de hoogtepunten. Vier werken van Jean Fautrier worden er geconfronteerd met evenveel schilderijen van Chaïm Soutine, een Litouwer. Verschillend en toch gelijkend, ergens tussen figuratief en abstract, er woelt en krioelt van alles in de jaren twintig. Soutine schildert furieus, zijn opengesperde bloederige beestenkarkassen - ultramarijn vloekt met druipend scharlaken - doen aan Rembrandt denken en kondigen Francis Bacon al aan. Fautriers werk baadt in grijs- en zwarttonen, het is dreigend en duivels en onbehaaglijk. Het zijn twee grootse schilders.

De centrale zaal bevat hoogten en laagten. Aan één wand wordt de high society van Montparnasse uitgebeeld: een verbluffend, puur figuratief Portret van Olga door Picasso en een art-deco-achtige amazone van de te vaak vergeten Tamara de Lempicka. Voor de rest hangt de zaal vol met saaie geometrische invuloefeningen, 'purisme' waaruit het leven gebannen is: zoveel Mondriaan, Van Doesburg, Van Tongerloo en Le Corbusier bij elkaar is vermoeiend en vervelend. Een nagebouwd pissoir is een speels contrapunt: het is een kabinet voor het strijkijzer met spijkers en de ingepakte naaimachine van Man Ray, de besnorde Mona Lisa (LHOOQ, 'Elle a chaud au cul') en een glazen hangertje gevuld met Parijse lucht van Marcel Duchamp.

De zaal geeft wel een helder beeld van gelijktijdige verscheidenheid: we worden heen en weer geslingerd tussen kubisme en dada, purisme en figuratie, surrealisme en geometrische abstractie, anarchie en art deco. Maar te midden van de over elkaar heen buitelende kunststromingen blijft de toeschouwer enigszins verbluft staan: elke duiding ontbreekt, het is een ernstig gebrek.

En de geschiedenis is nog lang niet gedaan. Dalí (de Venus van Milo met ingebouwde laatjes en opgekleefde pomponnetjes, maar ook het erg poëtische Slaap uit 1937), Man Ray (een onheilspellende Marquis de Sade met een brandende Bastille op de achtergrond), Magritte en Tanguy passeren de revue.

Het na de Tweede Wereldoorlog plots opduikend sociaal geëngageerd hyperrealisme is een ontdekking. Het hangt tegenover de rauwe, bekraste, existentialistische schilderijen van Jean Dubuffet en de uitdrukkingsloze, verminkte lichamen en gezichten van Jean Fautrier - pijnlijke getuigenissen van kunstenaars die zwaar door de oorlog getekend zijn. Een verrassing zijn de van tragiek en gekte doordrongen tekeningen van Antonin Artaud: de papieren ogen zijn met spelden doorprikt, een wang met een sigaret ingebrand.

Dan is het feest voorbij. In de loop van de jaren vijftig gaat het bergafwaarts met de kunst in Parijs. Via Bram van Velde, Appel, Alechinsky en De Staël en wat beschamend slechte pseudo-religieuze kunst belanden we bij een soort altaarstuk van Yves Klein, een etherisch mensenlandschap. Maar het ergste moet nog komen: op-art, met nietszeggende kitsch van Vasarely, en ronduit lachwekkend kinetische kunst.

Tussen 1900 en 1950 was Parijs het centrum van een artistieke diaspora, alsof de hele wereld van de kunst gehuisvest was in die ene stad

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden