Maandag 26/07/2021

ReportageKameroen

‘Palmolie duurzaam? We zijn terug in de koloniale tijd’

Een dorpeling draagt een loodzware lading vruchten van de olie­palm. Beeld Sven Torfinn
Een dorpeling draagt een loodzware lading vruchten van de olie­palm.Beeld Sven Torfinn

Palmolie zit in vrijwel alles wat in de supermarkt ligt. Grote plantages wapperen met een certificaat van duurzaamheid, maar in Kameroen zag journaliste Carlijne Vos een bevolking die gebukt gaat onder landroof en uitbuiting.

Vanaf de rode zandweg die dwars door de palmolie­plantage loopt, wijst Emmanuel Elong naar een vervallen houten huisje. Het is ingesloten door meters­hoge palmen die kaarsrecht in lange rijen staan. “Kijk”, zegt de 52-jarige Elong. “In mijn jeugd stond dit nog aan de rand van het oerwoud.”

Elong loopt de plantage in, waar de donkergroene palmkruinen schaduw brengen. Richting het huisje gaat hij, als er een barse stem klinkt: “Wat doen jullie in mijn plantage?” Een bewaker stapt van zijn motorfiets en loopt dreigend op Elong en zijn bezoekers af. Felle stemmen klinken over en weer. “Jouw plantage?”, roept Elong strijdvaardig. “Dit is mijn land, het land van mijn voor­ouders. Wat stond hier nu eerder: dit huis of jouw palmbomen?”

Welkom in ‘Socapalm-land’: 58.000 hectare palmoliebomen verspreid over zes plantages in het zuidwesten van Kameroen. De plantage in Dibombari omvat enkele dorpen, waaronder Mbonjo, het lommerrijke dorpje van Elong. De huizen tussen de bananenbomen en tropische bloemen zijn er volledig omsingeld door oliepalmen.

Het dorp is alleen nog bereikbaar via de zandwegen die door de genummerde percelen van de plantage lopen en met slagbomen worden gecontroleerd door het bedrijf Socapalm.

Grootste producenten van palmolie (in miljoen ton per jaar): 1. Indonesië 115,3. 2. Maleisië 98,4. 3. Thailand 15,4. 4. Nigeria 7,9. 5. Colombia 5,9. 6. Ecuador 2,8. 7. Kameroen 2,6. (Cijfers 2018)

De bewaker blijft Elong en zijn witte bezoekers de rest van deze tropisch hete aprildag op zijn motorfiets volgen, om hen eraan te herinneren dat niemand zonder toestemming van het bedrijf de plantage in of uit mag. “Schandalig”, briest Elong als hij later stoom afblaast onder het rieten afdakje dat als dorps­café dienstdoet. Met enkele glaasjes zelfgestookte drank bedenkt hij met dorpsgenoten steeds wildere strategieën om zijn opvallende bezoekers veilig door de slagboom de plantage uit te loodsen. “Dit is mijn dorp. Ik bepaal zelf wel wat ik doe en welke bezoekers ik ontvang.”

Plantage op geboortegrond

Elongs eigen familie­landje, waar hij zijn groenten als maniok en cassave verbouwt, ligt verborgen achter een muur van 14 meter hoge plantage­palmen tegen een rivierbedding aan. Toen de Kameroense regering hier op zijn geboortegrond in 1968 een palmolieplantage begon, behield zijn familie deze strook landbouwgrond van 60 meter breed. Met grote passen beent de tengere Elong over zijn overgroeide landje en wijst naar een paaltje in de grond. Nadat het staatsbedrijf in 2000 was verkocht aan de in Luxemburg gevestigde palmolie­gigant Socfin, plaatsten de nieuwe eigenaren dat paaltje in de grond om de gewenste uitbreiding van de plantage te markeren.

Een van de zes palmolieplantages van Socapalm/Socfin in het zuidwesten van Kameroen, goed voor 58.000 hectare palmoliebomen. Beeld Sven Torfinn
Een van de zes palmolieplantages van Socapalm/Socfin in het zuidwesten van Kameroen, goed voor 58.000 hectare palmoliebomen.Beeld Sven Torfinn

Wat Socfin betreft zou Elong nog slechts een strookje land van zes meter breed zijn gegund om zijn voedsel te verbouwen. Dat was twintig jaar geleden voor Elong de druppel en het begin van een jarenlange juridische strijd tegen Socapalm en zijn Europese eigenaar.

De strijd van Elong en zijn stichting Synaparcam is niet onopgemerkt gebleven en wordt gesteund door internationale milieu- en mensen­rechten­organisaties waaronder Greenpeace, Fern en Milieu­defensie. Socapalm en zijn eigenaar Socfin, met 187.000 hectare palmolie- en rubber­plantages in Azië en Afrika een van ’s werelds grootste spelers, worden beschuldigd van neokoloniale misstanden waaronder intimidatie, gedwongen contract­arbeid, ontbossing, milieu­vervuiling en bovenal land­roof.

Volk zonder land

“We zijn een volk zonder land, dus we bestaan niet meer”, verzucht Daniel Sappa Misse met gevoel voor drama. Sappa Misse is het traditioneel dorps­hoofd van Souza, een van de andere dorpen die door de Socapalm-plantages worden opgeslokt. Hij houdt kantoor in een eenvoudig, rommelig houten huisje met rieten dak. Voor de gelegenheid heeft hij zich in een traditioneel gewaad gehuld en draagt hij de ketting met een imposante sleutel die van vader op zoon is overgedragen. Om “de problemen van de gemeenschap te ontsluiten”, legt hij uit, terwijl hij onder het gekwetter van kinderstemmen en af- en aan­rijdende bromfietsen onder een palmboom poseert.

“Toen Socapalm hier in de jaren zeventig als staatsbedrijf begon, waren we met vijfduizend inwoners, nu met veertigduizend”, zegt Sappa Misse. “Ze gaven ons toen nog een strookje land voor onze eigen voedselvoorziening, maar ook dat probeert de nieuwe eigenaar nu in te pikken. Waar moeten wij dan nog van leven?”

Hoewel de bewoners van de plantage­dorpen steeds verder in de verdrukking raken, kreeg Socfin eerder dit jaar voor de eerste van zijn zes plantages een RSPO-certificaat. Dat is een internationaal erkend bewijs voor de duurzame winning van palm­olie volgens de in 2004 opgerichte Round Table on Sustainable Palmoil. Sindsdien rinkelen alle alarm­bellen, want ook de inspecties voor de certificering voor de volgende twee plantages van Socapalm zijn dit voorjaar begonnen.

Greenwashing

Gecertificeerde – of duurzame – palmolie is het toverwoord waarmee bedrijven het geweten van de consument, hun investeerders, afnemers en zichzelf proberen te sussen. Wat klinkt als een abstracte ver-van-mijn-bed­show is dat bepaald niet. Palmolie zit in vrijwel alles: het is het bindmiddel in muesli­repen, cake­beslag, pindakaas en talloze andere voorbewerkte voedingsmiddelen in de schappen van de supermarkt, maar ook een onmisbaar bestanddeel in cosmetica als shampoo, zeep en douchecrème. Unilever werd groot met de import van palmolie uit Maleisië en Indonesië, multinationals als Nestlé en L’Oréal kunnen niet zonder.

Een man oogst palmvruchten waar olie uit geperst wordt. Beeld Sven Torfinn
Een man oogst palmvruchten waar olie uit geperst wordt.Beeld Sven Torfinn

De wereldwijde vraag naar deze olie met de unieke bindende eigenschap stijgt alleen maar, en dus jagen bedrijven op meer landbouwgrond. Nadat eerst de oerbossen in vooral Indonesië en Maleisië zijn geofferd voor palmolie en rubber, wordt die grond sinds begin deze eeuw in West- en Centraal-Afrika gevonden, waar multinationals doorgaans welwillende – corrupte of berooide – overheden aantreffen. Liberia gaf begin deze eeuw een kwart van zijn ongerepte natuurgebieden uit in concessie om te herstellen van de burgeroorlog, maar ook in Kameroen wordt bedrijven geen strobreed in de weg gelegd om het aloude koloniale plantagemodel voort te zetten.

Hoe wordt palmolie gemaakt?

Palmolie wordt gewonnen uit de vruchten van de olie­palm. In grote trossen, die wel 25 kilo kunnen wegen, groeien de oranje-zwarte vruchten in de top van de tropische bomen. Ze zijn een centimeter of vijf groot, en zowel uit het vruchtvlees als de pitten wordt palm­olie gewonnen.

De vruchten worden binnen een dag na de oogst gestoomd en daarna uitgeperst. De ruwe olie wordt vervolgens in raffinaderijen gezuiverd en afgewerkt. Belangrijk daarbij is het ontkleuren en ontgeuren. Daarna is de olie gereed om als grond­stof te dienen in de levensmiddelen- en cosmetica-industrie.

De opbrengst van olie uit palmen is groter dan bij andere plant­aardige oliën, zoals zonnebloem­olie of koolzaad­olie, en is meestal goedkoper. Drie jaar nadat ze zijn geplant, brengen de palmen hun eerste vruchten voort. Oogsten kan het hele jaar door. Na 25 jaar zijn de palmen over het algemeen uitgeput.

De RSPO-certificering is volgens de inwoners een ‘nep­proces’, waarbij zij en hun klachten amper worden gehoord. Een geluid dat weerklank vindt bij de ngo’s, die eveneens vrezen dat grote agro­multinationals hun dubieuze activiteiten in verre buitenlanden slechts willen ‘groen­wassen’ met certificering. Of het nu gaat om palm­olie, hardhout, soja of rubber, de ‘vernietigende’ praktijk van ontbossing en land­onteigening gaat ook met een keurmerk als RSPO of FSC (hout) gewoon door, concludeerde Greenpeace in maart nog in het rapport Destruction: Certified.

Verboden natuurgebied

Bij de rivier­oever laat Elong zien wat de certificering in de praktijk betekent. Socapalm heeft er zonder aankondiging een bord geplaatst met de mededeling dat het voortaan verboden is om daar te komen. De dorpelingen kunnen er niet meer vissen, jagen of voedsel verbouwen op hun akkertjes, zoals ze sinds mensenheugenis gewend zijn om te doen. De tropisch begroeide rivierbeddingen – of ­draslanden – zijn tot verboden natuurgebied gebombardeerd, omdat deze volgens de RSPO-richtlijnen als bufferzone moeten dienen voor vrije toegang tot schoon water.

Het is een typisch geval van greenwashing, zegt Danielle van Oijen, die zich bij de Nederlandse ngo Milieu­defensie al jaren inzet voor de strijd van Elong. “Die bufferzones zijn inderdaad een criterium voor RSPO-certificering, maar als gemeenschappen er hun voedsel verbouwen, had er natuurlijk gezamenlijk een oplossing moeten worden gezocht.” Nu zijn de dorpelingen voor een voldongen feit gesteld.

“Socapalm gebruikt natuurbehoud als excuus om een keurmerk te krijgen zodat ze kunnen aankloppen bij financiers”, zegt Elong als hij wijst naar de groene velden met cassave, yam en wuivende bananenbomen langs de rivier. “Maar wat levert zo’n certificaat ons op? Waar moeten wij nu van leven?”

Kort na de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1960 werd het koloniale plantage­model weer ingevoerd in Kameroen. Het was volgens de Wereldbank en het IMF de meest efficiënte weg naar ontwikkeling, zegt Samuel Nguiffo, directeur van de Kameroense milieu­organisatie Centrum voor Milieu en Ontwikkeling (CED) in de hoofdstad Yaoundé. “Waarschuwingen dat het zou leiden tot de vernieling van lokale economieën, dat het geen werk zou opleveren voor de gemeenschappen zelf en dat er een constante strijd om vruchtbare grond zou ontstaan, werden in de wind geslagen.

Nu de bevolking explosief groeit en de druk op land toeneemt, zie je het aantal conflicten tussen dorpelingen en bedrijven stijgen. Kameroen is een tikkende tijdbom.”

Op een terras in Yaoundé legt Nguiffo uit hoe de regering van de 88-jarige president Paul Biya – al 38 jaar aan de macht – zich keer op keer laat inpalmen door buitenlandse investeerders. Met zijn organisatie CED verzet Nguiffo zich tegen de razend­snelle ontbossing die hiervan het gevolg is. Kameroen verloor vorig jaar 100.000 hectare aan tropisch regenwoud en steeg daarmee op de wereldranglijst van landen waar ontbossing het hardst gaat – van de 11de naar de 7de plaats (Brazilië, Congo en Bolivia voeren die lijst aan).

In het dorpje Mbonjo maakt een jongeman palmolie uit pitten geoogst uit zijn kleine palmboomgaard. Beeld Sven Torfinn
In het dorpje Mbonjo maakt een jongeman palmolie uit pitten geoogst uit zijn kleine palmboomgaard.Beeld Sven Torfinn

Het verzet is niet zonder resultaat. Na hevige druk van Nguiffo’s organisatie en internationale ngo’s kwam de Kameroense overheid in 2020 terug op haar beslissing om een houtkapvergunning uit te breiden in het Ebo-regenwoud, een leefgebied van onder meer gorilla’s, bos­olifanten en chimpansees. Het Noorse pensioenfonds – het grootste ter wereld – trok onder druk zijn investering terug uit een Kameroense rubberplantage van het Singaporese Halcyon Agri, na de vernietiging van 10.000 hectare tropisch regenwoud.

“Niet alle investeerders houden er dezelfde duurzaamheidscriteria op na”, zegt Nguiffo. “Banken en beleggers hebben simpelweg te veel geld dat ze moeten wegzetten om rendement te creëren. Als je als particulier of ondernemer een lening wilt bij een bank, moet je je hele hebben en houden blootgeven, maar als het gaat om investeringen in verre buitenlanden, nemen ze niet eens de moeite om zelf even te kijken wat er plaatsvindt en is een papiertje met een nep duurzaamheidskeurmerk voldoende.”

Toch ligt de sleutel voor verbetering bij het beïnvloeden van investeerders, zegt Nguiffo. “Druk uitoefenen op de consument is niet voldoende. Zonder kapitaal zijn deze bedrijven machteloos.”

Wat Socapalm en zijn eigenaar Socfin betreft, hebben de ngo’s een harde noot te kraken. Socfin is grotendeels in handen van Bolloré Group, een oude bekende in Afrika. Groot­aandeelhouders zijn de Franse miljardair Vincent Bolloré en de Belg Hubert Fabri, wiens familie al plantages exploiteerde in Congo ten tijde van het wrede beleid onder koning Leopold II.

Bolloré, een bekende in de Franse elite, staat in Frankrijk met regelmaat in de schijnwerpers vanwege corruptie of misstanden bij zijn talrijke investeringen in landbouw en transport in Afrika. Wie kritiek levert, kan niet zelden rekenen op een rechtszaak wegens smaad.

Het weerhoudt Milieu­defensie er niet van om druk te blijven uitoefenen op de Nederlandse investeerders in Socfin, of op Bolloré, om hun beleggingen en leningen te herzien. Ze tikten ING in 2019 op de vingers, omdat het de zogeheten OESO-richtlijn voor verantwoord ondernemen zou overtreden met zijn leningen aan Socfin. Ook een aantal pensioenfondsen ligt onder vuur om hun beleggingen in deze bedrijven.

De inwoners zelf gaan er niet op vooruit. ‘We zijn gevangenen van de multinationals.’ Beeld Sven Torfinn
De inwoners zelf gaan er niet op vooruit. ‘We zijn gevangenen van de multinationals.’Beeld Sven Torfinn

“De financiers zijn onze beste kans om een eind te maken aan de misstanden in Kameroen”, zegt Van Oijen van Milieudefensie. “We mogen niet toestaan dat ze hun geweten sussen met een RSPO-certificaat, want die beoordeling rammelt aan alle kanten.” ING en ook Pensioenfonds Zorg en Welzijn zeggen zich bewust te zijn van de problemen in de palmolie­sector, maar vertrouwen op het duurzaamheidskeurmerk “omdat het praktisch onhaalbaar is zelf alle plantages van onze klanten te inspecteren”, aldus een woordvoerder van ING. De financiers zeggen in gesprek te zijn met Socfin en “een vinger aan de pols te houden”.

Inspecteur in Socapalm-auto

In het dorpje Mbongo – in de gelijknamige plantage – stond de RSPO-inspecteur in april plotseling op de stoep voor de audit, een bezoek om te kijken of aan alle keurmerkvoorwaarden is voldaan. “We hadden nauwelijks tijd om de dorps­oudsten te consulteren en ons op het bezoek voor te bereiden”, zegt Michel Linge, coördinator van de plaatselijke afdeling van Synaparcam, de actie­groep van Emmanuel Elong. De inspecteur kwam, nam een proef van het vervuilde water waar het dorp sinds de nieuwe palmolie­fabriek mee kampt, en hoorde geduldig alle klachten aan.

Maar of hij ook heeft geluisterd? Linge gelooft er niets van. “Ze staan volledig aan de kant van Socapalm. Als wij zeggen dat iets rood is, zeggen zij dat het wit is. Het was bovendien dezelfde inspecteur die de eerste plantage heeft gecertificeerd. En dat certificaat had er nooit mogen komen. Ze kwamen zelfs in auto’s van Socapalm, hoe onafhankelijk ben je dan nog? Die RSPO-certificering is volkomen ongeloofwaardig.”

Socapalm ontkent desgevraagd dat de RSPO-inspectie niet objectief is geweest. Volgens het bedrijf worden alle betrokkenen geconsulteerd. Socapalm ontkent eveneens dat er mensenrechten- schendingen plaatsvinden en zegt een strikt beleid te voeren om intimidatie en pesterijen tegen te gaan. Het wijst erop dat dorpelingen juist profiteren van de nabijheid van het bedrijf, omdat ze tegen lage prijzen zaden en pesticiden kunnen kopen en hun noten tegen een goede prijs aan Socapalm kunnen verkopen.

Wat betreft de beschuldiging van land­roof wijst Socapalm naar de overheid, die het land in concessie heeft uitgegeven. “We merken allemaal dat we te maken hebben met een sterke demografische groei, maar we willen eraan herinneren dat de rechtmatige eigenaar van het land, de staat Kameroen, de enige is die daarover kan beslissen.”

Kilometers omlopen

De opvliegende Linge, in strakke jeans­broek en zonnebril, staat bij een van de diepe greppels die Socapalm om zijn plantages heeft gegraven om te verhinderen dat dorpelingen door de plantages lopen en hun palmolie­noten stelen. Nu moeten de vrouwen kilometers omlopen om op hun landjes te werken, waarbij ze tot voor kort bovendien vaak werden lastig­gevallen en zelfs verkracht tot het bedrijf na aanhoudende klachten van de dorpelingen ingreep. “We zijn hun gevangenen”, verzucht Linge als hij naar het donkere woud van palmbomen om zich heen wijst. Bij de slagboom verderop over de greppel zitten bewakers op de grond te eten. “Daar zijn heel wat vrouwen aangerand”, weten de dorpelingen.

null Beeld Sven Torfinn
Beeld Sven Torfinn

Chief Jean Bosco Ngobe, het fragiele oude dorps­hoofd van Mbambou, verderop in de plantage, is milder gestemd over Socapalm. Hij is omgekocht, denken de activistischere dorpelingen. Vanuit zijn plastic stoeltje op de veranda vol traditionele Afrikaanse speren, schilden, kalebassen en een enkele opgezette struisvogel wijst hij naar de elektriciteitsdraden buiten langs de zandweg. “Ze hebben een school geopend, een kliniek en ik hoor dat ze zelfs leraren betalen.”

Alleen werkgelegenheid is een probleem, erkent hij. “In het begin hebben we niet goed opgelet. Jongeren hier wilden een baan met een stropdas in de stad. Nu hebben we daar spijt van, want van heinde en ver worden contract­arbeiders aangenomen die zich in ons dorp vestigen en van ons land leven.”

“We zijn terug in de koloniale tijd”, verzucht Emmanuel Elong, na de lange dag van achtervolgingen door de plantages. “Wij zouden beter af zijn zonder de internationale bedrijven. Maar zij kunnen niet zonder onze natuurlijke rijkdommen, daarom zullen ze ons nooit op eigen benen laten staan. Het Westen zal altijd zorgen dat hier presidenten zitten die hun belangen vertegenwoordigen, desnoods met een staatsgreep.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234