Zaterdag 24/07/2021

ReportagePalestina

Palestijnse jongeren in Libanees vluchtelingenkamp: ‘De volgende oorlog zullen we zelf de wapens oppakken’

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

Veel nakomelingen van Palestijnen die in 1948 zijn verjaagd uit wat nu Israël is, wonen nog altijd in vluchtelingenkampen. Het huidige Gazaconflict doet in het Libanese kamp Shatila een klein beetje hoop oplichten: stel je voor dat de wereld nu eens de kant van de Palestijnen zou kiezen.

In de steegjes van een Palestijns vluchtelingenkamp waar nauwelijks daglicht komt, doet de nieuwe oorlog oude hoop opflakkeren. Stel je voor dat deze gevechtsronde de deur opent naar verandering. Dat zij, gevluchte Palestijnen, na meer dan 70 jaar terug naar huis kunnen.

“Als de grens opengaat, gaan we meteen”, zegt Mahmoud Mohammed Ismail. “We willen vechten voor ons huis en daarna sterven.” Het gezicht van de bejaarde man trilt. Zijn magere vuisten ballen zich strijdvaardig. Mahmoud was een tiener toen zijn geboortedorp Kafr Inan in het huidige Israël, werd ontruimd door het Israëlische leger. Vaststaat dat de wijze waarop dit gebeurde zelfs in de pioniersdagen van Israël leidde tot wenkbrauwfronsen.

Mahmoud vertelt het zo: de Arabische families van het dorp waren al meerdere keren verjaagd door Israëlische troepen, maar keerden steeds weer terug naar hun boerderijen, akkers met olijfbomen en sinaasappelbomen. Toen kwam het Israëlische leger opnieuw. Een vrouwelijke soldaat in een korte broek zei dat ze in een kamp moesten gaan wonen.

Volwassen mannen werden apart genomen. Sommigen kregen de kogel. “De vrouwen, kinderen en ouderen bleven leven. We moesten in een rij lopen. Wie eruit stapte, werd doodgeschoten.” Na twee dagen bereikten ze buurland Libanon. Nu woont Mahmoud alweer decennia in het vluchtelingenkamp Shatila, in de Libanese hoofdstad Beiroet.

Sloppenwijk

Zoals de meeste Palestijnse vluchtelingenkampen is Shatila geen kamp met tenten, maar een sloppenwijk. Mahmoud woont in twee kamers aan het einde van een nauw steegje. Het zicht naar boven wordt ontnomen door elektriciteitsdraden waarlangs water druipt. De flats, vijf verdiepingen hoog, staan zo dicht op elkaar dat het zelfs op klaarlichte dag schemerig blijft.

In zijn huis zendt een ouderwetse televisie beelden uit van de bombardementen in de Gazastrook. Het Israëlisch-Palestijnse conflict tekent het leven van de bewoners van Shatila, maar is tegelijkertijd ver weg op een manier die bijna surrealistisch aandoet. Even bellen met de familie die aan de andere kant van de grens woont, dat gaat namelijk niet. Contact met inwoners van Israël of de Palestijnse gebieden is in Libanon verboden uit angst voor Israëlische spionage. Schijnbaar onschuldige telefoongesprekken zijn goed voor jaren gevangenisstraf.

Na zijn gedwongen vertrek in 1949 is Mahmoud er nog één keer in geslaagd een neef te ontmoeten die in Israël woont. Jaren geleden alweer, in Jordanië, een land waar beiden naartoe konden reizen. De afspraak moest via via worden geregeld. Zo kan het gebeuren dat zijn 51-jarige dochter Samya het geboortedorp van haar vader niet eens meer op de kaart kan aanwijzen. “Waar ligt het? In het noorden?”

Massamoord

Het was zaterdag – tijdens het bezoek van de Volkskrant aan Shatila – toevallig Nakbadag, waarop Palestijnen herdenken dat ze zijn verjaagd uit hun huizen. Maar niemand heeft het over Nakbadag. “In het kamp wonen nog mensen die het hebben meegemaakt”, zegt Mahmoud. “Maar veel zijn ook dood.” De meeste inwoners zijn meer bezig met de ineenstorting van de Libanese munt en de elektriciteit die schaarser is dan ooit.

Het kamp kent één strookje groen, verstopt achter de winkelstraat: een dor grasveld met stoffige bomen. Geen parkje zoals je zou hopen, maar een gedenkplaats voor de massamoord in Shatila en het aangrenzende Sabra in 1982. Christelijke Libanezen schoten toen honderden Palestijnse burgers dood. Het Israëlische leger keek toe.

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

De vuilnisbelt van het kamp fungeert als scharrelplaats voor het vee. Koeien op trillende poten zoeken tussen het vuil naar eetbare resten. Kinderen plagen de koeien.

In Shatila houden ze van een feestje. De steegjes kennen meerdere bruidswinkels, die allemaal ongeveer hetzelfde model jurk verkopen van schelwit polyester. Omdat het slecht gaat in Libanon, worden meisjes jong uitgehuwelijkt. Dat is in grote gezinnen een mond minder te voeden en ook beter voor de zeden, stelt bruidsmodeverkoopster Nisreen Seyed Ali. “Vanaf 14 jaar trouwen ze, zodat jongens hen niet kunnen ontvoeren.”

Drugshandel

Jongemannen hangen rond in een koffiebarretje met Palestijnse vlaggen aan de gevel. Ze studeren aan de universiteit. Spreken een aardig mondje Engels. Toch ligt er na hun afstuderen geen mooie carrière in het verschiet. Als Palestijnen mogen ze niet in een Libanees bedrijf werken. En dus wacht deze hoogopgeleide jongeren straks waarschijnlijk een baantje in de bouw of in het overvolle kamp.

Voor de jeugd in Shatila bestaat een alternatief beroepsperspectief: drugs. “De Libanezen houden niet van ons, maar kopen wel onze drugs”, zegt de 21-jarige Hussein Khayat. “In het kamp is alles verkrijgbaar.”

“Hij maakt een grapje”, probeert de 24-jarige Hassan Ali, bijna afgestudeerd als accountant. Om zijn nek draagt hij een hanger met de contouren van Palestina in de tijd dat dit een Brits mandaatgebied was. De Libanese autoriteiten kunnen hem wat. Het contact met zijn familie in Israël en de Palestijnse gebieden dat zijn ouders en grootouders zijn verloren, heeft hij teruggevonden via Whatsapp en Facebook.

Dat Arabische demonstranten in Israël hun woede nu richten op Joodse buurten, doet de jongemannen goed. Het kan betekenen dat het gauw voorbij is. Stel je voor, fantaseren ze hardop, dat er een burgeroorlog uitbreekt in Israël en de internationale gemeenschap de kant kiest van de Arabieren. “Je kunt zeggen dat dit de een na laatste oorlog is”, zegt Ali Mohammed (24). “Want de volgende oorlog zullen we zelf de wapens oppakken.”

Yasser Arafat

Maar in Shatila blijft de bijdrage aan de strijd voorlopig beperkt tot een klein, vreedzaam protest in een steegje waar de zon nooit helemaal doordringt, onder een poster van wijlen Yasser Arafat en zijn Fatah-partij. Veel vrouwen doen mee. Jonge meiden zonder hoofddoek. Sommigen dragen traditionele Palestijnse kleding. “Ze worden betaald om te demonstreren door de politieke fracties in het kamp”, zegt de 63-jarige Majeda (‘alleen mijn voornaam is genoeg’) die vanaf de zijlijn toekijkt.

Majeda’s moeder, zegt zij, was Joods. Ze trouwde een Arabische man en bekeerde zich tot de islam. Zo bepaalde de sorteerhoed van de geschiedenis dat Majeda werd geboren in een Palestijns vluchtelingenkamp. Nee, zij put geen hoop uit de huidige oorlog. “Israëliërs en Arabieren zouden met elkaar samen moeten leven. Verschil in geloof hoeft er niet toe te doen. Maar als ik naar de jonge generatie kijk: ze haten elkaar.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234