Zaterdag 04/12/2021

Pak ze, die uit bed gevallen oester!Bretagne langs de zeevruchtenroute

Aan zeevruchten valt in Bretagne niet te ontkomen. Verrassend is dat niet, want zowat de helft van alle Franse kwekerijen is hier te vinden, met de oesterkwekerijen als absolute hoogtepunt. Het kweken van schaal- en schelpdieren is hier big business en het eten ervan een plaatselijke obsessie. Zo erg zelfs dat zelfs de beminnelijke directeur van de toeristische dienst in Morlaix graag toegeeft dat hij elke week minstens een paar dozijn oesters verorbert. 'Voor mijn gezondheid, begrijpt u', zegt hij met pretlichtjes in de ogen, die verraden dat het toch niet alleen voor de gezondheid is.

Anthony Sattin

In het kantoor van de dienst voor toerisme krijg ik een brochure toegestopt waarin oesters vergeleken worden met wijn en waarin de twaalf Bretonse centra voor 'ostréiculture' of oesterkweek in 'grands crus' worden onderverdeeld. Morlaix is er een van, en Paimpol en Cancale, onze reisbestemmingen, zijn enkele van de bekendste. De weg die we volgen, zouden we de Bretonse oesterroute kunnen noemen, de 'route des huitres'.

We komen aan in Perros-Guirec, een beetje ten oosten van Morlaix, als het al avond is en dat leidt tot de gebruikelijke chaos als je ergens laat aankomt: de haast om alles uit de auto te laden, je te wassen en te verkleden en met de kinderen een restaurant op te zoeken waar er nog een waterkansje is dat je ook nog wat te eten zult krijgen. Aan de haven, een van die typische Noord-Bretonse inhammetjes waar een bos van jachtmasten langzamerhand gewurgd wordt door steeds verder uitdijende nieuwbouw, kiezen we voor een restaurant waar de enorme schotels schaal- en schelpdieren met een zekere triomfantelijkheid uit de keuken gedragen worden.

Het volgende uur of wat maken we nader kennis met de vruchten van wat de Fransen 'conchyliculture' noemen (na een paar keer proberen wordt makkelijker), met kokkels en mosselen, krabben, langoustines, wulken en garnalen. De fascinatie van onze zoon voor alles wat de zee te bieden heeft slaat algauw om in walging: "Je gaat die dingen toch niet echt opeten, hé? bwek!" Maar één ding ontbreekt: de oesters. Het is 30 augustus, en hier geldt een regel die zegt dat je geen oesters eet in maanden waar geen 'r' in voorkomt. "Maar wat kan drie dagen verschil nu maken?", vraag ik de ober. "Als u er echt op staat, kunt u er wel krijgen", antwoordt hij met volmaakte Franse reserve. "Maar u zult zien dat ze nog 'laiteuses' zijn, melkachtig. Binnenkort zullen ze perfect zijn."

De volgende ochtend rijden we naar Morlaix, klaar om de kinderen te verblijden met verhalen over piraten, prinsessen en stoere zeemannen. Maar we merken algauw dat de weg afgezet is door de piraten van tegenwoordig: boze boeren en vissers die protesteren tegen de hoge benzineprijzen. "Kom na lunchtijd maar terug", zegt een van de tractorbestuurders, en daarom volgen we kronkelende weg maar langs de rivier de Morlaix naar de zee.

Daar ligt het dorpje Carantec, een gezapig badplaatsje dat enige faam verwierf met zijn rustige strand, het fenomenale uitzicht over de baai van Morlaix en een zeiltraditie die leidde tot de ontwikkeling van de 'optimist', tegenwoordig zowat overal ter wereld het soort boot waar beginnelingen in leren zeilen.

Grote delen van de Franse westkust hebben zee-inwaarts diepe ravijnen, waardoor op die plaatsen soms enorme golven ontstaan, maar de noordelijke kust van Bretagne is voor het grootste deel erg ondiep. Hoe ondiep precies wordt ons al snel duidelijk, want tegen de tijd dat we ons op het zandstrand van Carantec geïnstalleerd hebben, heeft het water zich al ver in zee teruggetrokken. De achtergebleven boten komen hoog en droog te liggen en ook de zeebodem zelf wordt genadeloos blootgelegd.

Op dat ogenblik ontvouwt zich voor onze ogen een merkwaardig spektakel: een hele groep mensen gaat langzaam het terugtrekkende water achterna: zware mannen in lieslaarzen, oudere koppels met harkjes, schoffeltjes en mandjes, en een heleboel kinderen met netten en emmertjes. Het heeft eigenlijk iets lachwekkends, de aanblik van al dat toebehoren (de houwelen, de lieslaarzen, de drijvende emmers) en vooral de blik in die mensen hun ogen, alsof ze gedreven worden door een kracht die sterker is dan zijzelf.

Omdat we nieuwsgierig zijn naar wat ze zoal gevonden hebben, gaan we later hun emmers inspecteren: garnalen, alikruiken, slakken, strandgapers en iets wat men hier 'zeemessen' noemt. Dan verschijnt er een man met een emmer oesters. "De andere zeevruchten zijn lekker, maar dit," zegt hij, en hij wuift met een oester naar ons alsof het een stapel bankbiljetten was, "dit is hier de echte schat."

's Nachts regent het en een plotselinge windopstoot blaast een hevige Atlantische storm landinwaarts, maar tegen de ochtend is de hemel stralend blauw en schijnt de zon. We zoeken een picknick bij elkaar op de markt van Perros-Guirec en rijden daarna naar Paimpol langs een ruig schiereilandje vol appelboomgaarden, artisjokvelden en kleine dorpjes in natuur- en leisteen.

Honderdvijftig jaar geleden was Paimpol een belangrijke vissershaven, met een vloot die tot IJsland voer om op kabeljauw en walvis te vissen. Veel van de oude opslagplaatsen zijn nu meubelzaken en grootwarenhuizen, en de stoere zeebonken van weleer hebben plaats gemaakt voor een ietwat verfijndere soort die in de stad vooral de snit van hun stagfok laten bewonderen. Ze vertellen geen verhalen meer over Moby Dick, maar des te meer over de leuke inhammetjes die ze langs de kust weer ontdekt hebben. Het enige teken van nijverheid te midden van al die ontspanning zijn de enkele overgeblevenvissersbootjes en een oude oesterkor, plomp en zwaar tussen al die gestroomlijnde jachten.

Op zoek naar een geschikt plekje om te picknicken rijden we het stadje uit en langs de brede baai van Paimpol naar Port Lazo, een klein dorpje dat rond de centrale aanlegplaats ineengedoken zit. Op een overhangende rotspartij langs de kust spreiden we onze maaltijd voor ons uit en genieten we van het heldere uitzicht over de baai en het terugtrekkende water. Boven onze hoofden snellen dikke witte wolken voorbij, er cirkelen zeemeeuwen langs de kustlijn en de zon kleurt de zee blauw, aquamarijn, groen, grijs, en talloze tinten ertussenin.

Kort nadat we gegeten hebben, als de jongens al op jacht zijn naar sporen van leven in de getijdepoeltjes die overal op het strand opduiken, komt er een tractor langs de aanlegplaats het strand opgereden. Een half uur later zijn er al vijf tractors, een grote vrachtwagen en een heleboel mannen op het strand, en duikt het eerste oesterbed uit de zee op. Bij de traditionele oestervangst werd de zeebodem afgezocht met harken aan de boten zoals we die in Paimpol zagen. De moderne oesterkweek is een veel zekerder onderneming: zakken vol baby-oesters (oesterbroed) worden aan oestertafels vastgemaakt en op de zeebodem bevestigd, waar ze in het getijdewater kunnen opgroeien. Wat de oesterkwekers vooral moeten doen, is ervoor zorgen dat de oesters genoeg ruimte hebben om te groeien in de drie tot vier jaar die ze nodig hebben om volwassen te worden.

Tegen de tijd dat ik op het strand ben, is het tij zo laag dat bijna de hele baai droogstaat, waardoor duizenden vierkante meters oesterbedden bloot zijn komen te liggen. Philippe, een plaatselijke gepensioneerde met korte broek en laarzen, komt zijn dagelijkse wandeling tussen de bedden maken. Hij wordt vergezeld door een Parijse vriend, die hij plagerig een 'verwend stadsjong' noemt, en diens schoothondje, dat hij over de plassen heen moet dragen. Ze zijn gewapend met stokken en emmers. "Eigenlijk mogen we niet zo dicht bij de bedden komen, maar ik ken een van de oesterkwekers", legt Philippe uit, "en hij laat me de oesters verzamelen die uit het bed vallen."

Af en toe houdt hij halt om wat tussen de algen en de zeeplanten en de slijmerige zeebodem te porren, en dan verdwijnt er alweer een creuse (gebogen, onregelmatig van vorm) of, zeldzamer, een platte oester in zijn emmer. "Het is een manier om in beweging te blijven en om goed te eten", zegt hij, en hij tikt voldaan op zijn omvangrijke buik. Ik kan niet uitmaken of hij nu wil laten zien hoe fit hij is of hoe goed hij wel eet.

Terwijl hij nog een oester in zijn emmertje gooit, vraagt hij lachend aan zijn vriend: "Hoeveel betaal je hier niet voor in die Parijse restaurants van je, hé? Hier zijn ze goedkoop, zoals ze moeten zijn, omdat ze een deel zijn van ons erfgoed, van onze identiteit." En waarom dan wel? "Dit is de ware smaak van mijn streek. Meer nog dan de cider, de pannenkoeken en dergelijke, zijn het de oesters van Paimpol. Ze worden al zo lang gegeten als hier mensen wonen."

Ik zeg iets over de brochure die ik gelezen heb over de verschillende 'grands crus' langs de kust. "Precies", antwoordt Philippe. "Ik kan zelfs zeggen of een oester uit Paimpol komt of uit Morlaix, zelfs of hij hier vandaan komt of van de andere kant van de baai, bij Arcouest." Zijn Parijse vriend probeert een lach te onderdrukken en steekt een Gauloise op. "De dag dat ik geen oesters meer kan eten", gaat Philippe door, de grens van de overdrijving nu ver voorbij, "is de dag dat ik me van kant maak."

De hele middag rijden we onder afwisselend zon en wolken langs de wilde Bretonse piratenkust naar het oosten. In de late middag komen we aan in Saint Malo, destijds een van de belangrijkste plaatselijke zeeroversnesten en Bretagnes meest bezochte attractie, al huisvesten de imposante stadswallen, de torens met de schietgaten en de enorme poorten nu enkel nog een doolhof van winkeltjes en restaurants. Ook de natuur zorgt hier voor spektakel, en aan het einde van de dag eten we pannenkoeken en drinken we cider terwijl we de zon zien zakken in de wassende zee.

Cancale, even verderop langs de kust, heeft geen piratenverleden maar wel andere redenen om de loftrompet te steken. Cancale is het mekka van de oestercultuur, het is voor oesters wat Wall Street is voor geld en Milaan voor de mode. Julius Caesar at al oesters uit Cancale, ze werden dagelijks geserveerd aan de tafel van Lodewijk XIV en hoewel hij zijn vrouwen zonder meer in de steek liet, zorgde Napoleon er wel voor dat hij oesters uit Cancale mee had op weg naar Moskou.

Het stadje ligt in de baai van Mont-Saint-Michael, en zo'n 25 kilometer verderop kun je in het water inderdaad de contouren van die heilige plaats zien liggen. Tussen beide plaatsen snelt het tij elke dag met grote snelheid in en uit. Het zijn de kracht van het tij en de rijkdom van het water die van Cancale de perfecte plaats maken om oesters te kweken.

Maar het is niet een en al oesterbusiness hier. Cancale is ook gewoon een aangenaam stadje, met een lange waterpartij en een smalle haven. En door het succes van de plaatselijke oesters is het ook uitgegroeid tot een gastronomisch centrum waar de Parijzenaars graag het weekend mogen doorbrengen. Het resultaat is dat er langs de zee nu meer eetgelegenheden zijn dan je zou verwachten in een stadje met amper vijfduizend inwoners: van kleine bars waar je voor een paar honderd frank een dozijn creuses met een glas wijn achterover kunt slaan tot het chique restaurant in Château Richeux, een van de meest trendy restaurants van Bretagne. We blijven, we eten.

Ik weet niet of het het cumulatieve effect is van de paar dagen die we langs de kust hebben doorgebracht of de inspiratie die we putten uit onze laatste lunch, een paar dozijn succulente, geurige, zoute oesters die we in de kleine haven aan een kraampje kopen. Maar als het volledig laagtij is, voelen ook wij de kracht, de lokroep van de zee. We trekken onze laarzen aan, stoppen de kinderen een net in handen, zoeken een stok, een mes en een paar zakken bij elkaar, en voegen ons bij de groeiende menigte die het geleidelijk aan droogvallende land begint af te schuimen.

Vertaling: Wim Coessens

Praktisch

Oesters zijn het best vanaf september/oktober. De oesterbedden langs de kust zijn officieel verboden terrein, maar het strand is van iedereen en wellicht zal niemand bezwaar maken als je alleen maar rondkijkt. Als je het hele proces van de oesterkweek wil zien, kun je La Ferme Marine in Cancale proberen

(Tel: 033/2/99.89.69.99, www.sdn-diff.fr/mont-saint-michel).

In Cancale kun je het hele jaar door oesters eten. De plaatselijke creuses kosten aan de stalletjes langs de haven ongeveer 150 frank per dozijn. De verkoper zal ze met plezier voor je openen zodat je ze ter plaatse kunt verorberen.

Meer inlichtingen krijg je bij de toeristische dienst in Cancale, tel: 0033/2/99.89.63.72, www.Ville-Cancale.fr. Voor meer algemene informatie over reizen in Bretagne is www.brittanytourism.com een goede website.

Een man stapt naar ons toe met een volle emmer. 'De andere zeevruchten zijn lekker, maar dit,' zegt hij, en hij wuift met een oester als was het een stapel bankbiljetten, 'dit is hier de echte schat'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234