Donderdag 01/10/2020

Pa-politicus met bijtende humor

Het boek dat Marcel Vanthilt over zijn vader Edgard (1909-1973) heeft geschreven, is 344 bladzijden dik. De opmerkelijkste pagina’s situeren zich echter rond bladzijde 305. Dan pas komt Marcel Vanthilt voor het eerst echt in het boek voor. Dan pas schrijft hij over het eerste contact met zijn vader. Als het boek van diens leven bijna voltooid is.Het is een treffende illustratie van de ‘witte plekken’-theorie van Jacques Lacan. Soms is het belangrijkste of het essentiële van een verhaal precies datgene wat niet expliciet gezegd wordt, datgene waarover men zwijgt. De afwezige vader: het zal niet zo bedoeld zijn, maar zelden werd het zo duidelijk, zo cru in de verf gezet als bij de zoon die vol ijver en bewondering vertelt over het leven van zijn pa-politicus.Overigens mag Marcel Vanthilt best fier zijn op de carrière van zijn vader. Die leert het socialisme in de jaren vijftig ergens op café kennen. Vader Vanthilt wekt de interesse voor Walter Thijs, de sterke man van het Limburgse socialisme, want - toen al - de secretaris van De Voorzorg, zoals de socialistische mutualiteit daar heet. Een onbekende maar belangrijke man, die Thijs. Jaren later zou hij immers ook de piepjonge Willy Claes op weg helpen naar de VUB, de ziekenkas en de grootse politieke carrière nadien.

Schild tegen nitwits

Maar als Walter Thijs in 1957 zijn nek breekt nadat hij met de wagen is beginnen te slippen op de donkere baan tussen Winterslag en Genk, is Claes nog te piep. De nieuwe nummer één van BSP-Limburg wordt Edgard Vanthilt, die in Leopoldsburg - locaal ‘Het Kamp’ genoemd - een stevige partijwerking op poten had gezet. Marcel Vanthilts vader zetelt jarenlang in de Kamer als socialistische verkozene van het arrondissement Hasselt en op latere leeftijd verkast hij naar de Senaat. Eind jaren zestig is Edgard Vanthilt zelfs even ministeriabel. Als niet Limburg maar West-Vlaanderen de laatste regeringspost krijgt, weet vader Vanthilt dat zijn kans voorbij is. Volgende keer zal Claes incontournable zijn.In 1972 krijgt BSP-Limburg wel zijn minister, nog wel die van Onderwijs. Titularis is inderdaad Willy Claes, amper 33 jaar oud en op dat moment een van de jongste ministers ‘aller tijden’. Vanthilts tante Hélène is razend als ze het nieuws verneemt: “Zo’n snotneus! En dat na alles wat onze Edgard gedaan heeft.” Als de foto van Willy Claes op de voorpagina van De Volkswil (het socialistische Limburgse blad) verschijnt, “zet ze er haar koffiepot op”, zo schrijft Marcel Vanthilt. “Ze spreekt nooit meer Claes’ naam uit, maar mort: ‘Kaffeepot was weer op de radio.’” Maar Edgard zelf ondergaat de machtswissel gelaten. Edgard is namelijk politicus, en blijkbaar niet zo’n slechte, want hij schat zijn eigen kunde juist in tegenover het talent en de ambitie van Willy Claes. Hij weet dat hij niet meer de nummer één is en schikt zich in zijn lot.Hij heeft het niet lang moeten dragen. In de lente van 1973 wordt Edgard Vanthilt plots zwaar ziek. Hij moet naar het Sint-Rafaëlziekenhuis in Leuven. Dat klonk onheilspellend, want ‘Leuven’ gold destijds in Limburg als het voorgeborchte van het hiernamaals. Wie naar Leuven moest, speelde zijn allerlaatste kaart om de Dood de baas te blijven. Op zijn alvleesklier hebben ze abcessen ontdekt. Edgard Vanthilt begint te ijlen - gruwelijke pagina’s waar de soms zo breedsprakige Marcel ineens precies en loepzuiver noteert: “Bij momenten ontwaakt Edgard en zet zich prompt overeind. Hij spreekt luid en duidelijk. Niet tegen zijn vrouw of dochter, maar tegen de muur. ‘Mijnheer de voorzitter, dames en heren’, roept hij, ‘u moet mij excuseren dat ik u liggend toespreek, maar ik kan niet anders.’ Wanneer een verpleegster hem zijn dagelijkse morfineshot geeft, zegt hij: ‘Dank u wel juffrouw, ik zal zien wat ik voor u kan doen.” Dienstbetoon, immer en altijd in het achterhoofd, zoals het een Limburgse socialist betaamde. Zelfs toen het lichaam al afgetakeld was. Het lijkt zwarte humor, maar het is macaber. Het grijpt zelfs naar de keel, als je beseft met welke ogen de jonge zoon de taferelen moet hebben gadeslaan, met welke oren hij hoorde vertellen over de laatste dagen van zijn pa.Marcel Vanthilt verneemt het nieuws over de dood van zijn vader als hij met zijn moeder en zus thuis in Leopoldsburg aan de koffietafel zit. Per telefoon worden ze verwittigd. Marcel is dan vijftien jaar. Diezelfde avond kijkt hij naar de Berend Boudewijn Show. Alleen. Soms, overweegt hij, is het maar goed dat pa Vanthilt is weggegaan, want tijdens zijn puberteit zou hij toch maar een sta-in-de-weg zijn, een progressieve politicus die eigenhandig de locale fuifzaal bouwde (De Rode Roos) in het Stationsstraatje van Leopoldsburg. Vanthilt bracht er te veel vrijdagavonden door met zijn maatje Dominique Deruddere, zoon van een vaak “rijkelijk gemarineerde” (dixit Vanthilt) beroepsmilitair die overigens ook snel zou sterven. De Rode Roos was bedoeld als feestzaal voor het socialistische jongvolk. The Beatles waren al gesplitst, Jim Morrison al jaren overleden, maar BSP-Tessenderlo was nog niet toe aan de sixties, ook al waren het al de vroege jaren zeventig. De Rode Roos, zo herinnert Marcel Vanthilt zich nog, kenmerkte zich door “een vale walm van schrale pils, Cristal uit Alken, de sierlijk geribbelde flesjes limonade van Colibri en de repen van Jacques Chocolade met wielerprentjes” met op de toog “immer klaarliggende verkiezingsaffiches met dikke paplijm”, “rood-groene keramieken tegels op de dansvloer” en daarop “de te korte rokjes van majorettes, gestikt en genaaid door mijn moeder”. Kortom: “DDR pur sang.”En terwijl Dominique Deruddere en Marcel Vanthilt - “Schweppes Indian Tonic met kinine” in de hand - hoopten op kusgrage meisjes en bamba’s, ondanks de foute belichting en fake discosfeer, stond Hij daar aan Zijn toog in Zijn zaal die Hij eigenhandig had opgebouwd. Onberispelijk in het pak keek hij minachtend naar zijn zoon en diens gabber: “Was dit nu de jeugd van tegenwoordig? Was dit nu de toekomst?” De dag nadien al lag hij in het ziekenhuis. Een maand later was hij dood. “Daar had ik, als vijftienjarige popliefhebber, niet van terug.” En toch, schrijft Marcel Vanthilt, kreeg hij door die onzinnige dood zijn belangrijkste levensles. “Het gaf me een schitterend schild tegen alle nitwits, betweters, kommaneukers, chagrijnigen, meningverkopers, zeurzakken, labbekakken, imbecielen, pseudo’s, de hele teringzooi. Je leerde me door die inderhaast genomen bocht van vadermonument naar verhakkeld lijk dat het allemaal niets voorstelt. Een grotere wijsheid had je me nooit kunnen schenken.” Zo is de zoon zijn vader toch nog dankbaar. Neemt hij in geschrifte het afscheid dat hij nooit heeft kunnen uitspreken.

Griezelig gelijkend

Marcel Vanthilt heeft het over zijn vader, en misschien ook over zichzelf. De foto op pagina 150 is griezelig gelijkend (zie portret). Kijken we hier in de ogen van wijlen Edgard Vanthilt of naar Marcel? De gelijkenis ‘sprekend’ noemen zou een understatement zijn. En het houdt niet op bij foto’s. Edgard Vanthilt kon declameren en speechen als geen ander. Edgard was goed, maar net niet zo goed als hijzelf, in zijn diepste binnenste, wellicht had willen zijn.Het is een practicum genetica: hoe vader Vanthilt zijn kwaliteiten, talenten, tics en wellicht ook beperkingen overdroeg op zijn zoon Marcel. Vader Edgard voerde in de gemeenteraad van Leopoldsburg jarenlang oppositie tegen burgemeester Oeyen, even almachtig als incompetent, want zeer populair en volkomen christendemocratisch. Vooral dat laatste was in het Limburg van de fifties de alfa en de omega voor een succesvolle politieke loopbaan. Maar Edgard Vanthilt gaat die locale potentaat met enig succes tegemoet. Zijn wapen, typisch Vanthilts: bijtende humor. Daarom heeft Marcel Vanthilt dit boek voltooid. Het is zijn monumentje over de pa die hem door zijn plotse dood zo weinig meegaf maar van wie hij, achteraf gezien, zo veel kreeg. “Ik hoop dat je er blij mee bent, pa”, is de laatste zin. Marcel mag gerust zijn. Zijn boek is een familiekroniek vol mildheid, zelfspot en woord, een schitterend tableau vivant ook van een politieke beweging, een grappig maar meedogenloos beschreven leven zoals het was in ‘de partaai’ ten tijde van de verzuiling. En vooral: een oprechte handdruk van een zoon aan zijn vader. Van man tot man.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234