Zondag 25/09/2022

Overleven langs de Jordaanse Champs-Élysées

Amper anderhalf jaar oud is het vluchtelingenkamp Zaatari nog maar. Inmiddels is het al wel een van de grootste steden van Jordanië geworden, met ruim honderdduizend inwoners. Hoe gaan de Syriërs om met deze bizarre omstandigheden? Een verrassend ooggetuigenverslag.

In de woestijn vlak bij de Syrische grens richtte de UNHCR (United Nations High Commissioner for Refugees) in juli 2012 het kamp Zaatari op. De constante stroom van asielzoekers uit het noorden wordt hier opgevangen en verzorgd. De lucht is zo droog als de dageraad en hangt vol stof. De ellende die in dikke lagen op de zongebruinde huiden van de vluchtelingen kleeft, wordt alleen geëvenaard door de hartelijkheid waarmee zij ons in hun gammele barakken ontvangen. Zo verandert een kamp van tenten en barakken in het midden van een dor en schraal landschap in een oase van gastvrijheid en menselijkheid. Dat is best verbijsterend.

In het eerste halfjaar na de oprichting waren er al honderdduizend bewoners, maar de meesten vertrekken na een verblijf van ongeveer een jaar. In april barstte het kamp bijna uit zijn voegen met een piek van iets meer dan 200.000 vluchtelingen. Er is nu een grotere uitstroom dan in het begin, en eind 2013 is het piekgetal van april al gehalveerd. Sommigen gaan een beter onderkomen zoeken in een ander land of in een Jordaanse stad; anderen keren terug naar hun huis, of althans wat daarvan rest.

Vannacht hebben de bewoners te kampen gehad met noodweer. Sommige tenten zijn omgewaaid en worden opnieuw verankerd in de modderige grond. Technici repareren het elektriciteitsnet, dat het heeft laten afweten door de overstromingen. De ellende heeft zich grotendeels in de loop van de voorbije nacht afgespeeld. Wanneer wij 's ochtends in het kamp arriveren, is de vluchtelingenstad weer op haar plooien aan het komen.

Vele gezinnen zijn kroostrijk en de meeste mannen zijn gewond. Ondanks verwondingen en trauma's wringen zij zich in bochten om wat extra geld te verdienen boven op de 12 dollar aan voedselbonnen die elke volwassene per maand krijgt.

Ismael Hariri (41) heeft zelf zes kinderen maar heeft zich ook over die van zijn gesneuvelde broer ontfermd. Om ze allemaal te onderhouden moet deze beeldhouwer soms maandenlang het kamp en zijn gezin achterlaten en in Amman als dagloner aan de slag gaan. "Mijn neefje is geboren zonder sluitspier. Sinds de operatie komt zijn behoefte vanzelf uit de zijkant in een zakje terecht. Hij heeft nu een tweede operatie nodig, zodat zijn leeftijdgenootjes hun neus niet moeten dichtknijpen als hij in het klaslokaal zit. Kunnen jullie in de krant aan de Belgen vragen om ons te helpen?"

Mohamed Hariri (43) is een landbouwingenieur die hier negen maanden geleden is gearriveerd met zijn vrouw en tien kinderen. "De eerste maanden heb ik mij ontfermd over dat moskeetje ginder. In een van mijn preken bracht ik de maffiapraktijken van een paar imams aan het licht. Zij liepen doodleuk langs winkeltjes en staken wat ze nodig hadden in hun zakken zonder te betalen. De heren hebben kennisgenomen van mijn toespraak, zijn bijeengekomen en hebben mij weggestemd. Met hun dikke pensen."

Mohamed heeft nu een kraampje in elkaar geknutseld waar hij tweedehandskleren verkoopt. "Meer dan een dollar per week haal ik daar niet uit, hoor. Ik wil gewoon ergens mee bezig zijn en verder met rust gelaten worden." Hij voegt daar nog aan toe: "Zie je die barakken hier? Die zijn normaal gratis, maar ik heb 300 dollar moeten neertellen voor de mijne."

Omdat Mohamed meer klaagt dan de anderen terwijl hij het al bij al niet veel slechter heeft, vragen we of het mogelijk is om een van de andere imams te spreken. Even lijkt Mohamed - de imam non grata - het zweet uit te breken. We garanderen hem dat we het niet zullen hebben over zijn kritische bedenkingen. Enkele telefoontjes en evenveel minuten later zitten we in zijn barak thee te drinken met vier rasechte imams.

Wanneer de bebaarde geestelijken de kamer binnentreden, staat iedereen op. De begroetingsformules zijn langdradig en erg ceremonieel. De vrouw des huizes brengt deze keer niet alleen de gebruikelijke Turkse koffie die we al de hele dag aan het slurpen zijn, maar ook dadels. Minutenlang wordt er gepalaverd over wie waar gaat zitten en wie de grootste steunkussens krijgt en waar de bordjes met dadels moeten staan. Met dit hooggeplaatst bezoek, helemaal voor ons geregeld, lijken Ismael en Mohamed niet op hun gemak.

Ook wij worden licht ongemakkelijk van al dat pompeus gedoe. Met zijn fototoestel braafjes op de schoot vraagt onze fotograaf of hij een plaatje mag maken van het heerschap. "Waarom zouden wij dat toestaan?", repliceert een van de imams gespeeld streng. Zijn glimlach terwijl hij dat zegt, doet al vermoeden dat we eerst een preek zullen moeten ondergaan vooraleer er gefotografeerd en geïnterviewd mag worden. "We weten wel hoe dat gaat met westerse journalisten. Jullie gaan ons afschilderen als een groepje Bin Ladenfans."

De fotograaf laat zijn toestel nog even rusten. "Goed", begin ik. "Wat vindt u dan van Osama bin Laden?" De imams kijken eerst ons en dan elkaar verbaasd aan. Die vraag lijken ze niet te hebben verwacht, maar ze begrijpen wel dat dit de kans is om zelf te bepalen hoe ze worden geportretteerd. Na een knikje naar zijn kompanen neemt imam Abou Bakr (42) het woord: "Wij geloven niet in de gewelddadige aanpak van Osama bin Laden. Hij heeft de islam, de religie van de vrede, een slechte naam gegeven. Als goede moslims zijn wij geen voorstanders van moord en terreur." Zijn confraters knikken goedkeurend. Het perfecte antwoord voor een westerse krant, hoor ik hen denken.

"We hebben wel problemen met bloeddorstige dictators als Assad", begint imam Abou Mohamed (40) met een diepe stem. Hij is de jongste en knapste van de hoop, maar zeker niet de domste. "Assad is een ongelovige hond. Uit de grond van zijn hart haat hij het Syrische volk net zoveel als hij Allah en zijn Profeet haat. Om aan de macht te kunnen blijven wil hij alle moslims uitmoorden." De aanwezigen kijken elkaar instemmend aan. Die retoriek is hen niet vreemd. Geen haar op hun hoofd denkt eraan om daar tegenin te gaan. Op mijn vraag wie Assad kan tegenhouden, antwoorden de heren in koor: "Allah!"

"Allah en zijn Vrije Syrische Leger", vult imam Abou Ahmad (42) aan terwijl hij zijn roetzwarte baard streelt. "Het probleem is dat het VSL niet genoeg wapens heeft."

Daarnet noemde hij de islam nog de religie van de vrede, merk ik op. "Dat is ze ook", antwoordt de imam. "Allah wil vrede en welvaart voor alle mensen, ook voor niet-moslims. Maar als iemand ons aanvalt, dan hebben wij recht op zelfverdediging. Het is op dat recht dat het VSL een beroep doet."

In het hart van het desolate kamp kruist een aantal geasfalteerde wegen elkaar. De hoofdweg, een rechte lijn die meestal zo druk bewandeld wordt dat er geen voertuigen kunnen passeren, noemen de vluchtelingen schertsend - of pochend - de Champs-Élysées. De bewoners met een beetje kapitaal en ondernemingszin hebben er krakkemikkige kraampjes neergepoot met etenswaren en tweedehandsspullen. In de 'cinema' - een barak met vier afgedankte televisietoestellen - kun je voor een stuiver een dvd'tje afspelen. In de 'poolzaal' staat maar één tafel. De spelers moeten een keu delen en er ontbreken een paar biljartballen. Geen van de handelaren zal hier snel rijk worden. Het is louter bezigheidstherapie, want zowel uitbaters als klanten zijn slachtoffers van verveling.

In zijn geboortestad Deraa werkte Akram (28) als politieagent. Hij is een geschoren, rijzige jongeman met de strenge doch vriendelijke ogen van een goede vader. Op de Champs-Élysées baat hij een kruidenierskraampje uit. Hij nodigt ons uit naar binnen en biedt zonder dralen thee en de enige twee zitplaatsen in zijn kraam aan. Conserven, keukenolie en luiers sieren zijn schappen. "Vier dollar per dag levert het mij op. Veel is dat inderdaad niet, maar ik moet toch een voorbeeld zijn voor hen?" Hij wijst naar de drie peuters die ons intussen zijn komen besnuffelen. "Mijn jongste, Yasmin, is drie maanden oud en ligt in de tent bij haar mama."

We gaan naar onze lunchdate met de imams, waar alleen mannen aanwezig zijn. Vrouwenstemmen zijn hoorbaar in de naburige tent, net als het gekletter van potten en pannen en stromend water: de dames werken aan ons middageten. Telkens als een gast naar het toilet moet, leidt een zoon van gastheer Abou Bakr hem om te verzekeren dat hij niet verloren loopt en per ongeluk een vrouwmens tegenkomt.

De kleren van de kampbewoners mogen dan tweedehands of oud zijn, ze zijn geretoucheerd en zelden vuil. Overal waar we kijken in het kamp, hangen ze te drogen aan touwen rond de tent. Als we rond etenstijd tussen de tenten stappen, raken we bijna bedwelmd door de heerlijke geuren die er opstijgen. Ondanks de zichtbare arbeid blijven de vrouwen grotendeels verborgen. En wij zitten hier als echte mannen koffie te drinken en te kletsen terwijl de vrouwen in de keuken bezig zijn.

"Als insjallah het VSL in Syrië zegeviert", begin ik voorzichtig, "zullen dan ook dames het nieuws mogen lezen?" "Tuurlijk zal dat mogen", antwoordt de heer des huizes. "Zolang ze hoofddoeken dragen, is er geen enkel probleem." De opmerking dat we zijn vrouw en dochters zelfs niet met hoofddoek te zien hebben gekregen, bedenk ik, zou voor de gastheer allicht een regelrechte kaakslag zijn. Plots wordt de priester poëtisch: "Vrouwen zijn als snoepjes", mijmert de imam. "Als je het wikkeltje verwijdert, raken ze bedorven." Zijn uitspraak eindigt met een trotse glimlach.

Imam Abou Mohamed lijkt hem te willen overtreffen met beeldspraak van eigen makelij: "De islam is buigzaam. Je kunt hem nemen zoals je wilt, net als de koffie die je nu aan het drinken bent. De een neemt er suiker bij, de ander suiker en melk. Sommigen drinken hem het liefst zwart. Maar het blijft altijd koffie. Er is geen dwang in het geloof."

Mag een moslima dan ook zonder hoofddoek het nieuws lezen? "Als ze dat echt wil", knikt Abou Mohamed. Maar gastheer Abou Bakr lijkt niet volledig overtuigd. Zwijgend staat hij op en haalt de heerlijke maaltijd die de gezichtsloze vrouwen hebben bereid. Zij zullen eten wanneer de heren klaar zijn. Insjallah.

"Water, gezondheidszorg, voeding en woongelegenheid krijgen ze gratis", benadrukt Andreas Needham, woordvoerder van de UNHCR. "Het probleem is dat sommige bewoners daar geen vrede mee nemen. Sommigen houden bijvoorbeeld niet van de smaak van het water. Ze laten het tegen betaling zuiveren door een bewoner die geïnvesteerd heeft in een kleine zuiveringsinstallatie - zelf een vluchteling. Daar kiezen ze natuurlijk zelf voor, want het water dat wij hun aanbieden is hetzelfde dat uit de Jordaanse kranen stroomt. Het is gezond genoeg en perfect drinkbaar."

"Je hebt hier een diverse groep vluchtelingen uit verschillende lagen van de Syrische bevolking", vervolgt Needham. 'Sommigen komen hier toe met wat meer spaargeld dan anderen, waardoor ze zich iets meer comfort kunnen veroorloven. Er ontstaan handeltjes tussen de bewoners onderling. Wij gaan niet ingrijpen als mensen verkiezen om in een tent te leven en hun barak verkopen aan een welgestelder gezin. Die unieke omstandigheden maken van het kamp een goed oefenterrein voor gelijkaardige scenario's in de toekomst."

Of de UNHCR denkt dat het kamp ooit een volwaardige stad zal worden? "Daarvan krijgt de Jordaanse overheid rillingen. Noteer maar dat het een tijdelijke stad is. Wij zijn hier niet om voorspellingen te doen."

Na drie dagen in Zaatari zijn we helemaal murw van de schrijnende oorlogsverhalen. Benieuwd naar de woon- en werkomstandigheden van de sans-papiers, spreken we nog eens af met beeldhouwer Ismael, die eerder deze week het kamp heeft verlaten om een tijdje in de hoofdstad te komen werken. Wanneer we de werf benaderen, wijst zijn Egyptische collega naar boven. Blijkbaar had Ismael onze komst al aangekondigd.

Boven aan de trappen van de ruwbouw staat hij in bouwvakkerstenue cement te mengen. Zijn zichtbare genoegen om ons te zien wordt onmiddellijk gevolgd door een bedenkelijke blik uit het raam: "Straks belt een voorbijganger die jullie hier ziet de politie, en dan sturen ze mij terug naar Syrië. Spreken we af dat jullie mij komen oppikken wanneer ik klaar ben? Kunnen we thuis thee gaan drinken."

Om daar niet met lege handen aan te komen hebben we een doos mierzoete koekjes gekocht. Om vijf uur staan we opnieuw aan de werf en even later verschijnen Ismael en de Egyptenaar. Die laatste stapt met zichtbare tegenzin in de wagen. Na een helse rit door de meest verloederde buurten van de hoofdstad komen we aan in de migrantenwijk Al-Nasser. De Egyptenaar stapt uit, neemt vriendelijk maar kort afscheid en verdwijnt.

"Die man heeft zelf geen papieren", verontschuldigt Ismael hem. "Ik logeer bij hem, maar hij is bang om jullie binnen te laten." De vermoeide Syriër trekt nog eens goed van zijn eeuwige sigaret en kijkt ons getormenteerd aan: "Het spijt mij verschrikkelijk." Het is in zijn cultuur geen gewoonte om gasten de toegang tot je woonplaats te weigeren, hoe moeilijk je het ook hebt. "Ik hoop dat ik jullie ooit zal mogen verwelkomen in mijn eigen huis", belooft Ismael. "Zij het in Syrië of ergens anders."

Insjallah.

NIMA JEBELLI is geboren in Iran en verhuisde als kind met zijn ouders naar België. Hij vertaalt, schrijft en reist regelmatig naar het Midden-Oosten.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234