Dinsdag 12/11/2019

Overkomelijk zijn de logaritmen

Er was een tijd dat ik mij heel te gans niéts bij een logaritme kon voorstellen, en toen hing er een diploma van af

Lezend in een naslagwerk over de demystificatie van het universum stootte ik plots op een verhelderende zin die, ondanks z'n lelijkheid, verspreiding op grote schaal verdient: "Dat is wat logaritmen in wezen zijn: aantallen, geometrisch bekeken, worden omgezet in verhoudingen waardoor vermenigvuldigen een kwestie van eenvoudig optellen of aftrekken wordt, en dat maakt het rekenen een stuk makkelijker."

Daar kan ik mij tenminste iéts bij voorstellen. Er was een tijd dat ik mij heel te gans niéts bij een logaritme kon voorstellen, en toen hing er een diploma van af. Een diploma waarvan menigeen mij op het hart drukte dat het een levensnoodzakelijk karton was en ik zonder zo'n getuigschrift zou mogen staan aanschuiven in de smakkende rijen der charitatieve voedselbedelingsposten. Om met rechte rug de toekomst tegemoet te kunnen treden moest een achttienjarige dus kunnen goochelen met logaritmen, integralen, differentialen en wat nog allemaal. Tenzij die achttienjarige natuurlijk verstand had van elektrische draden, metselwerken of ander nuttigs. Maar voor een technische vorming stonden mijn poten te scheef.

Pech. Want in tegenstelling tot wat mogelijks gesuggereerd wordt met de mededeling dat ik heden een naslagwerk over de demystificatie van het universum lees, schuilt er geen groot licht onder mijn hersenpan. Valse bescheidenheid noch aanstellerij horen vermoed te worden achter mijn bewering dat ik op aard ben gesmeten met een niet meer dan middelmatige intelligentie. Ter overtuiging: pas op de leeftijd van negen kon ik zelfstandig mijn schoenveters strikken; kop noch staart kreeg ik aan dat complexe geheel van lussen en knopen. Dat ik het zesde leerjaar van het lager onderwijs afsloot als slimste van de klas is uitsluitend te wijten aan het handige en inventieve gebruik van spiekbriefjes, een daad die mij één jaar later onder auspiciën van Onze Lieve Heer zwaar werd aangerekend, zodat ik het eerste jaartje middelbaar onderwijs mocht herdoen, maar dan op een internaat geleid door verzuurde godsdienaren.

De overtuiging dat men óf een aanleg heeft voor talen, óf één voor algebra, heeft nog niet zo heel lang geleden opgehouden met heersen, en misschien zwaait deze overtuiging hier en daar nog steeds de plak. Aangezien ik opstellen van ongeziene dikte schreef en een zinsontleding opvatte als een dissectie, werd ik nogal snel in het kamp van de talenknobbels gepropt. Toch zou het oneerlijk zijn om te stellen dat ik vies was van een rondje geometrie. Meneer Coppens (die na zijn uren amateurtoneel speelde en zelfs ooit de hoofdrol in 'Het gezin van Paemel' voor zijn rekening nam) kon mij begeesteren voor de wondere wereld waarin tangensen en sinussen het voor het zeggen hadden. Ondanks mijn beperkingen. Oprecht vrolijk kon ik worden van de zoektocht naar een x alhier en een y aldaar.

Maar in het laatste jaar van de humaniora verdween Meneer Coppens van het toneel en liet hij zich vervangen door een op een zitbal lijkende leraar wiens naam ik ben vergeten, wiens naam ik heb wíllen vergeten. Een volkomen humorloos geval dat sigarenrokend plaatsnam achter zijn pupiter, zeer goed beseffende dat niemand het erop zou wagen zijn rookgedrag aan te klagen. Op het eind van de les hield hij de askegel van zijn sigaar even onder de waterkraan, en wandelde met wat hem nog restte aan rookbuis, hoestend naar het volgende te terroriseren klaslokaal. Soms schreef hij een schoolbord vol logaritmen en differentiaalberekeningen, waarna hij zomaar verdween richting geheim kamertje alwaar hij volgens sommige bronnen een koffiezetapparaat had staan. Of hij blafte: 'Begin er maar aan!' en sloeg vervolgens tam zijn krant open. Bedoeling was dat wij elk wiskundig struikelblok hadden verwijderd tegen het eind van dat eindeloze lesuur. Heel af en toe, en eerder pro forma dan uit het hart, vroeg hij of er vragen of moeilijkheden waren. Zo vol als het bord stond met opgaven, zo leeg bleef mijn blad met oplossingen.

"Meneer, ik versta het niet."

"Wát precies versta je niet?"

"Euh, álles, meneer. Ik weet niet wat dat is, een logaritme. U heeft dat bij mijn weten nooit uitgelegd. Ik weet gewoon niet waar deze oefening voor staat."

Dan keek hij je aan alsof je uit het riool gekropen kwam en verborg hij zijn massieve kop ogenblikkelijk weer achter zijn krant. Je hoorde hem het woord 'sukkelaar' zwijgen. En daar deed je het dan mee. Wie rijkere ouders had nam bijlessen.

Had het systeem van deliberatie niet bestaan, ik zat nog steeds in dat zesde jaar van het humaniora.

Nergens in mijn leven heb ik nadien de logaritmen gemist. Bizar misschien. Maar ik vind het best lollig om opeens uit onverwachte hoek eindelijk uitgelegd te krijgen dat het om tot verhoudingen omgevormde aantallen gaat, die mits enige algebraïsche abracadabra kunnen worden vermenigvuldigd door ze op te tellen. Kijk eens aan. Of het universum daarmee wordt gedemystificeerd is weer een ander paar mouwen. En het universum zelf ligt er wellicht niet wakker van, of het moest zijn dan van de lach.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234