Dinsdag 19/10/2021

Overdonderende retrospectieve Floris Jespers in Oostende toont bekend en onbekend werk

Na de Tweede Wereldoorlog werd Jespers' belang voor de prille Vlaamse avant-garde sterk geminimaliseerd of zelfs gewoon vergeten. Ten onrechte, zo blijkt in Oostende

Onder talloos veel invloeden

Een tentoonstelling die te groot is. Een schilder die zes of zeven schilders was. Toch laat de retrospectieve over Floris Jespers (1889-1965) in Oostende je niet meteen los. De tentoonstelling roept veel vragen op. Jespers schilderde met benijdenswaardig gemak en kon alles aan. Maar wat voor iemand was die Jespers? Wie was de échte Jespers? Wat wou hij ons vertellen? In Oostende hangt bekend en nogal wat minder bekend werk. Zijn Kongolese periode is een revelatie. Maar toch slaagt men er maar gedeeltelijk in Jespers te rehabiliteren. De overheersende indruk blijft: Jespers was virtuoos, maar helaas enigszins ruggengraatloos.

Oostende

Van onze verslaggever

Eric Rinckhout

Is Floris Jespers een groot kunstenaar? Het is een vraag die al decennia lang in de coulissen van de Vlaamse kunstgeschiedenis sluimert. Na de Tweede Wereldoorlog werd zijn belang voor de prille Vlaamse avant-garde van het begin van de twintigste eeuw sterk geminimaliseerd of, in het slechtste geval, gewoonweg vergeten. Ten onrechte, zo blijkt in Oostende. De Vlaamse avant-garde begint niet met de Latemse school maar met de Antwerpse modernisten, de kring rond Paul van Ostaijen.

Al vanaf het begin van zijn artistieke carrière zorgde Jespers voor controverse tussen heftige voorstanders van zijn werk en even heftige verguizers ervan. De enen vonden hem een virtuoos zonder diepgang, de anderen zagen in hem een begenadigd kunstenaar die zichzelf steeds weer vernieuwde en in België zijn gelijke niet kende. Na verloop van tijd werd de opvatting gemeengoed dat hij een naloper was, een Nachempfinder zoals zijn vriend Paul van Ostaijen hem typeerde, een epigoon van vele internationale coryfeeën. Een soort Pessoa van de schilderkunst, hoewel hij met die omschrijving iets te veel eer krijgt. Jespers had trouwens geen reeksje pseudoniemen zoals de Portugese schrijver, maar toch huisde ook in hem meer dan één kunstenaar.

In Oostende hangt nogal wat werk dat sterk, zeer sterk doet denken aan - achtereenvolgens - Permeke, Rik Wouters, Cézanne, Chagall, le douannier Rousseau, Picasso, Braque, Klee, Dalí en Leger. Een schilder kan inderdaad slechtere voorbeelden kiezen. Toch maken deze schilderijen - en helaas vormen ze het leeuwendeel ervan - de tentoonstelling soms pijnlijk irritant, te meer omdat ze stilistisch en chronologisch geordend zijn en daardoor soort bij soort hangen. Zo denk je bij de aanvang van de tentoonstelling heel even dat je toevallig op een Rik Wouters-retrospectieve bent aanbeland.

Tegelijk confronteert de Jespers-retrospectieve ons met de niet onbelangrijke kwestie wat iemand tot een groot kunstenaar maakt. Moet hij/zij virtuoos zijn? Is virtuositeit voldoende? Moet hij/zij origineel zijn? Wat betekent 'originaliteit'? Mag hij/zij niet of vaak of liefst niet te vaak van stijl veranderen? Geniet de monotonie géniale de voorkeur? Moet een kunstenaar iets te vertellen hebben? Alleen in verf, of moet er ook een verhaal zijn, of een discours - om die term nog eens van stal te halen?

Het is duidelijk dat men in Oostende Floris Jespers als groot en belangrijk kunstenaar wil inhalen en liefst rehabiliteren, maar daar slaagt de tentoonstelling toch maar gedeeltelijk in. Gelukkig biedt ze, zelfs met tekortkomingen allerhande, voldoende fraais om van te genieten.

Jespers werd in 1889 in een Antwerps kunstenaarsgezin geboren. Zijn vader was beeldhouwer. Ook Floris' broer Oscar zou later beeldhouwer worden. Floris kreeg, net als zijn broer, een opleiding aan de Antwerpse academie. In 1912 debuteerde hij vrij 'klassiek' op impressionistische wijze met een fris en levendig Zicht op de rede van Antwerpen. Vijf jaar later schilderde hij nog een sterk aan Permeke verwant Rivierzicht, hoewel hij toen al in contact was gekomen met Paul van Ostaijen, de Antwerpse avant-gardistische dichter, een ontmoeting die van cruciaal belang was voor de verdere ontwikkeling van Jespers.

Van Ostaijen bracht hem in contact met de internationale modernistische kunststromingen. De Antwerpse dichter vormde trouwens, samen met Jespers, diens broer Oscar en Paul Joostens de 'Bond zonder verzegeld papier', een kleine stoottroep binnen het lokale Antwerpse modernisme die aansluiting zocht bij de internationale avant-garde. Van Ostaijen was de criticus-mentor wiens inzichten door Floris ijverig geabsorbeerd werden. In 1920 gaf Floris de 'Map met zes lino's' uit. De inleiding daarop, van de hand van Paul van Ostaijen, is een warm pleidooi voor het kubisme.

Ook toen Van Ostaijen in Berlijn woonde, bleef hij zijn Antwerpse leerlingen instrueren. Hij leerde hen onder meer de Duitse expressionistische schilder Heinrich Campendonk kennen. Die was onderlegd in achterglasschilderen, een techniek waarin Jespers later zou uitblinken. Zijn achterglasschilderijen, zoals Joodse verloving (1927), Vrouw aan de haven (1927) en de vele clowns en harlekijnsfiguren (zwaar beïnvloed door Picasso) hebben een geraffineerde kleurenrijkdom. Na al die jaren zijn ze nog niets van hun rijke, diepe, warme tinten en schitterende luminositeit verloren. Ze zijn een hoogtepunt van de tentoonstelling. Daarom is het onverklaarbaar waarom nergens de techniek van het achterglasschilderen wordt uitgelegd. Waarom wordt hij zo weinig gebruikt? Wat zijn de moeilijkheden ervan? Waarom werd Jespers ertoe aangetrokken? Afgezien van een ruim biografisch overzicht-in-data over Floris Jespers moet de toeschouwer het in Oostende trouwens zonder informatie stellen. Een pijnlijke tekortkoming.

In dezelfde periode (1926-27) maakte Jespers een reeks 'persoonlijker' schilderijen, die een tweede, zij het bescheidener hoogtepunt van de expo zijn. Jespers was lid van de Brusselse Centaure-groep en leek soms de mondaine wereld van het chique Brusselse galeriemilieu te willen ironiseren, hoewel die kritiek globaal nogal bedekt bleef. Het is wel een feit dat in die periode een reeks schilderijen ontstond die naïvistisch zijn en waarin hij de invloed van Chagall op een wat persoonlijker manier verwerkt. Marc groet 's morgens de dingen is een aardig werkje dat het zoontje van Floris voorstelt. Van Ostaijen had voor hem zijn gelijknamige gedicht geschreven. Uitschieter is zeker het wat geheimzinnige, monumentale werk Het schaakspel, waar voor de goede verstaander de man-vrouwrelatie als 'spel' geanalyseerd wordt. Ook Haven 1928 is een spectaculair werk vol kleur- en vormuitbarstingen.

Op dat punt in de tentoonstelling is het duidelijk dat Jespers vooral een kleurenkunstenaar is, schijnbaar moeiteloos schildert, elke stijl en techniek de zijne maakt, en een opmerkelijk oog voor details heeft. De illusionist, een schilderij uit 1931, zou dan ook wel eens een zelfportret kunnen zijn: net als de goochelaar tovert de schilder vogels, speelkaarten en bloemen uit zijn hoge hoed.

Na een klassiekere periode met nogal wat portretten en Ardense landschappen, waar toch weer de invloed van Dalí en Magritte uit blijkt, leverde de oorlogsperiode werken op die verre echo's aan De Chirico bevatten. Een indrukwekkend schilderij - en niet alleen wegens het formaat - is Vestingen uit 1941, waar in een zonovergoten en toch dreigend landschap enkele spookachtige, schimmige bommenwerpers in de lucht hangen. Het is een realistische en tegelijk surreële scène waarin de oorlogsdreiging meer dan tastbaar is. Een van de toppers op de tentoonstelling.

In de jaren vijftig wil Jespers zich als een moderne Gauguin herbronnen. Hij doet dat in Kongo, waar zijn zoon op dat moment als arts werkzaam is. Floris trekt zich lang terug in een klein dorpje in Katanga en probeert er op te gaan in de plaatselijke bevolking. Hij schildert een aanzienlijk aantal grote formaten en achterglaswerken - in totaal hangen er een twintigtal in Oostende. Het is een boeiende periode in het leven van Jespers, die op dat moment al begin zestig is en nog steeds blijk geeft van een jeugdige nieuwsgierigheid en vernieuwingsdrang. De schilderijen zijn zelden te zien geweest. Helaas zijn ze niet allemaal even geslaagd.

Naar eigen zeggen wil Jespers het "grenzeloze mysterie" van de zwarten vatten, hij wil de "medelijdende, erotieke ogen" schilderen en "die bewegingen, die hen allen zoo schoon maken". Jespers streeft naar een gestileerde, minimalistische vorm: naar eigen zeggen wil hij het essentiële vinden en zoveel mogelijk details weren. Maar het resultaat is vaak een geforceerd, fries-achtig schilderij, waarop de zwarte figuren gestold in de tijd lijken. Er zit weinig diepte en diepgang in. Vaak lijken de werken op Egyptische hiërogliefen. De warmte, de beweging en de kleurenrijkdom ontbreken. Het is een merkwaardige reeks monotone schilderijen die vaak het slachtoffer zijn van één enkele, gereduceerde en reducerende techniek. Een vreemd einde voor een duivelskunstenaar.

Ergens om een hoekje staat in de schaduw een tafel met wat foto's uit de Kongolese periode. De toeschouwer moet er maar 'zijn plan mee trekken'.

lees verder op pagina 19

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234