Dinsdag 12/11/2019

Over de erfzonde en het vatten van water in verf

De belangrijkste, leukste want spannendste poëzieprijs in ons taalgebied is de VSB Poëzieprijs. Natuurlijk, je kunt als dichter ook de PC Hooftprijs winnen of de Staatsprijs, maar dat zijn van die enorme voortwalsende instituten die een heel levenswerk bekronen. De VSB Poëzieprijs bekroont één bundel uit alle bundels die in één jaar verschenen zijn. Overzichtelijk, competitief en markant. Wel zo prettig, want als dichter, als criticus en als lezer leef je toch per bundel. En natuurlijk, ooit, gaan al die bundels bij elkaar voor zo'n onderscheiding met vorst of vorstin erbij, maar dat is voor later.

door Koen Vergeer

Zesmaal eerder werd de prijs toegekend. De eerste, in 1994, was voor Hugo Claus voor zijn bundel De sporen. Claus was meteen de laatste Belg die de prijs won, maar dat gaat veranderen. Er waren eenenzestig inzendingen uit het afgelopen jaar, de jury, bestaande uit voorzitter Jozef Deleu (dichter en hoofdredacteur van Ons Erfdeel), Theo de Boer (filosoof), Elsbeth Etty (recensente) en de dichters Anna Enquist en Mustafa Stitou, plukte er zes nominaties uit. Genomineerd werden Nors en zonder haten van Piet Gerbrandy, Droomtijd van C.O. Jellema, Goya als hond van Stefan Hertmans, Alles valt van Frank Koenegracht, Voorbijganger van Leonard Nolens en Waterstudies van K. Michel. Zelf had ik ook Huub Beurskens genomineerd, maar goed, Beurskens is al twee keer genomineerd geweest en heeft de prijs ook al eens gewonnen.

Koffiedik kijken kan leuk zijn. Bij vorige edities wist ik meteen wie er van mij moest winnen en wie er volgens de jury zou gaan winnen, maar nu valt het niet mee. Geen van deze dichters dicht blijkbaar rechtstreeks in de schoot van mijn poëtica. Wat echter niet betekent dat ik ze niet kan waarderen. Voor een criticus is een poëtica een leidraad, geen regime. Een lijnrechte winnaar zit er voor mij niet bij, maar vanuit de losse smaak kom ik toch tot het volgende rijtje en zelfs een voorspelling.

Piet Gerbrandy eindigt bij mij op de zesde plaats. De jury spreekt van "weerbarstige en weerbare taal", en noemt de dichter "een barse vogel van stavast". Bij het lezen van Nors en zonder haten werd ik een paar gedichten lang aangenaam verrast, door de eigenzinnige vorm, de nurkse manier van formuleren. Citaat: "Hangen ballen erbij nog / of snerpten tot gort hen haar / paarden molaren vol hars?" Maar over de hele bundel genomen is dat barse mij niet genoeg. Het gaat in deze poëzie over te weinig. Op zich nog geen ramp, maar dat weinige is te veel in dezelfde procédés verpakt. Ik ben een formalist, maar de vorm moet blijkbaar ergens naar op zoek zijn, anders gaat zij rondzingen.

De manier waarop Frank Koenegracht formuleert is zowat tegengesteld aan die van Gerbrandy. Eenvoud, spreektaal die je voortdurend bekende, maar ongrijpbare troebelen instuurt. De onvatbare dood, de nog onvatbaardere tekorten van mens en kind. Balanceren op het scherp van vergeefsheid en berusting. Vermoeidheid spreekt overal uit de gedichten: "Ik heb veel gezien en begrepen wat ik heb gezien / en er is een zeker genoegen in deze moeheid namelijk / dat het hoofd achteraf nog ergens goed voor is". Een fijne soort galgenhumor. Maar poëzie kan en moet van mij toch meer. Daarom schudt Koenegracht zijn vermoeide wijze hoofd op de vijfde plaats.

Bij het lezen van het eerste gedicht uit Droomtijd van C.O. Jellema schrok ik nogal. Jellema, die zat toch vastgebakken aan sonnetten en andere formele stijfheden? Maar in 'Het onbegonnene' lees ik dit: "Aarde, hoezo, wanneer ik jou spreken spreken / wil, jouw seizoenen, jouw slaap het ontslapen / zeggen wil, aarde, verander jij steeds met ons / zelfbeeld: ontheemder en hemelloos; aarde, wie / zullen wij worden nog, beter niet, anders?" En dat dendert twee bladzijden lang zo door. Betoverende, meeslepende taal. Had Jellema een bundel vol van dit soort zangerige verzen geschreven, hij had wat mij betreft zijn mededingers van tafel geveegd. Er staan er nog een paar in, maar vaak houdt de dichter toch vast aan keurslijf en archaïsche formuleringen. Wanneer de poëzie dan ook nog eens over poëzie gaat, kan ik mijn aandacht er niet meer bij houden. Ging de prijs om het mooiste gedicht dan zou ik misschien 'Het onbegonnene' kiezen, maar de bundel als geheel eindigt net onder de streep.

Met onder en boven de streep bedoel ik: de volgende drie bundels mogen wat mij betreft de prijs winnen. Maar wie wordt het? Het is een beetje appels met peren vergelijken. Het wordt Nolens of Hertmans, denk ik. Niet eenvoudig. Het verschil tussen de twee Belgen is groot en draait om de omgang met de taaltheoretische erfzonde, waar sommige Vlaamse dichters en critici nogal mee worstelen. Die 'erfzonde' is deze: een gedicht is altijd gedoemd te mislukken, omdat het 'slechts' van taal is gemaakt. Gedichten mislukken bijvoorbeeld in het benoemen van de werkelijkheid, in het overdragen van emoties, het bieden van troost en nog zowat absolutistische zaken. De vraag is: hoe ga je daar als dichter mee om?

Leonard Nolens, de absolute absolutist, heeft ongetwijfeld weet van al dit soort talige twijfels. Sterker nog, ze zijn voor hem een kwelling, een gruwel, maar voor Nolens is de dichter verplicht zich daar met de moker van de grote gevoelens doorheen te slaan. Het gedicht kent zijn ultieme doel en zal dat met taal moeten bereiken, waarmaken. Niet dat het gedicht daarmee een simpele legpuzzel wordt waarin de dichter zijn gevoel uitdrukt, het gaat veeleer samen: het gedicht ontdekt en bevat tegelijk wat het wilde bereiken. Dit komt tot uiting in de cyclus over Herman de Coninck, waarin Nolens min of meer hardop denkend beseft dat zijn gedenk nodig is om de dode rust te geven:

En ook jij hebt iemand nodig Om de knopen los te maken Van je fuik, je los te laten In rustiger vaarwater hier. Dat kan geen mens alleen.

Ten slotte krijgt de dode dichter zelf het woord. Via Nolens natuurlijk. Een ultieme inleving, plaatsverwisseling. Een zeer gedurfde compositie. Bezitterig ook. Maar Nolens neem je zoals hij is, of niet. Met zijn pathos, zijn dikke klodders sentiment, zijn hoge inzet en volstrekte monomanie.

Het is opvallend hoe vaak Nolens het in Voorbijganger heeft over de thuisreis, ook in het titelgedicht: "Pardon meneer, / Een vuurtje graag. / En kent u ook / De weg naar huis?" Volstrekt tegengesteld, hoewel, eigenlijk ook weer helemaal niet, opent Stefan Hertmans zijn bundel Goya als hond: "Te ver verwijderd geraakt van geluk, / om nog terug te kunnen."

Hertmans wordt gedreven door eenzelfde absolutisme als Nolens, maar hij is voorzichtiger, dat is het verschil. Bij hem geen moker met grote gevoelens, maar subtiele omleidingen. Hertmans is zich te bewust van de taaltheoretische erfzonde en legt daar in zijn werk dan ook rekenschap van af. Het is opvallend hoe vaak Hertmans het heeft over schuld: "Er is schuld nodig om dit wit te zien." Omleiding, tegendeel, bezoedeling - niets is zomaar zichzelf bij deze dichter. Toch doet men Hertmans te kort wanneer men het hier bij laat. Goya als hond kenmerkt zich juist door een verandering. Wie goed leest vindt diverse momenten van onomwonden overgave, zoals in het titelgedicht:

Alleen wie nog dit oud talent voor verzuipen kent, dringt in de kolken van het linnen.

Wie het talent voor verzuipen kent: wie al zijn vooringenomen manieren van kijken durft laten varen, dringt door tot het Andere, een schilderij bijvoorbeeld. Nog directer is Hertmans in de gedichten over zijn kind of over zijn eigen kind-zijn.

Juist vanwege deze subtiele en spanningsvolle verschuiving, waarbij Hertmans balanceert op het scherp van omweg en overgave, staat Goya als hond hoger op mijn lijstje dan Voorbijganger. De jury-toelichting bij de nominaties voorspelt echter niet veel goeds voor Hertmans: "Wie de concentratie op kan brengen die deze bundel verlangt, merkt al gauw met belangrijke poëzie te doen te hebben." Een nogal loze formulering, en ik denk dan ook dat de jury zal kiezen voor de onontkoombare rechttoe rechtaan poëzie van Nolens.

Of - konijn uit de hoed - kiest men K. Michel? Ik denk het niet, al eindigt Waterstudies voor mij bovenaan. K. Michel onttrekt zich aan de hierboven genoemde taaltheoretische tobberij dankzij zijn bescheiden absolutisme. Bestaat zoiets: bescheiden absolutisme? Ik denk het wel, eigenlijk is het een omkering van 'hilarische weemoed', een typering van het werk van K. Michel door Kopland waar de dichter zelf mee in kon stemmen. Geen hoogdraverij, geen pathos, maar ook geen omwegen of taalfilosofische twijfels, die hele discussie lijkt in Nederland achter de rug. "Wees bereid au & ja te zeggen," schrijft Michel, en dat slaat op zijn poëzie maar ook op alles erbuiten.

Schijnbaar onbekommerd vindt K. Michel prachtige beelden die hemzelf en de lezer, vrolijk, verwonderd, maar met twee benen in de wereld plaatsen. Hoe prachtig het gedicht over de schilder die klaagt dat hij er maar niet in slaagt de perfecte regenboog te schilderen, maar die, wanneer de dichter uren zit te turen naar een in zijn ogen geslaagd schilderij, zegt:

Een goede dag verstrijkt al kijkend naar het drogen van de verf.

De titel Waterstudies roept iets vergelijkbaars op: de Uitvreter die kabbelende golfjes bekijkt, of een Bavink-achtige schilder die zoiets vluchtigs als water wil vatten in verf. Maar het verwijst naar een heel serieus onderzoek naar het vallen van waterdruppels, waaruit gebleken is dat druppels niet geleidelijk maar als uitschuifbare buisjes in etappes omlaag vallen. Ja, lach maar, maar de dichter weet dit gegeven aan te wenden voor een fantastische truc:

De kunst is om zo snel te vallen dat je voorbij jezelf vliegt en nog net op tijd bent om jezelf op te vangen.

Wie zo onbekommerd en eenvoudig de paradox van leven en poëzie omzeilt, is waarschijnlijk ook te ongrijpbaar voor de mazen van een grote poëzieprijs. Nolens dus.

Piet Gerbrandy, Nors en zonder haten (Meulenhoff, Amsterdam) Frank Koenegracht, Alles valt (De Bezige Bij, Amsterdam) C.O. Jellema, Droomtijd (Querido, Amsterdam) Leonard Nolens, Voorbijganger (Querido, Amsterdam) Stefan Hertmans, Goya als hond (Meulenhoff, Amsterdam) K. Michel, Waterstudies (Meulenhoff, Amsterdam)

De winnaar van VSB Poëzieprijs wordt een dezer dagen bekendgemaakt. Donderdag 8 juni wordt de prijs uitgereikt tijdens een feestelijke bijeenkomst in De Rode Hoed te Amsterdam. Inlichtingen: 003120 6385606 of www.rodehoed.nl

Hertmans wordt gedreven door eenzelfde absolutisme als Nolens, maar hij is voorzichtiger, dat is het verschil. Bij hem geen moker met grote gevoelens, maar subtiele omleidingen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234