Zondag 19/01/2020

Over de democratische plicht van de bestuurders om voor de bevolking te zorgen

'De mensen met het scherpste begrip van de inhoud van het Amerikaanse burgerschapscontract zijn de armen: de verlaten, hongerige mensen die opeengepakt zaten in de stinkende duisternis van het congrescentrum in New Orleans'

Het verraad van het zorgcontract

Een burgerschapscontract omschrijft de zorgplicht die bestuurders verschuldigd zijn aan de bevolking van een democratische maatschappij. De Amerikaanse grondwet en de aanvullende wetten bepalen een deel van dit contract, maar voor het overige bestaat het uit stilzwijgende verwachtingen van de burgers tegenover het bestuur. Een basisprincipe is bescherming: de overheid moet de burgers helpen om hun gezin en hun bezittingen te beschermen tegen krachten waar zij machteloos tegenover staan.

We kunnen niet stellen dat dit contract niet controversieel zou zijn, want de Amerikaanse politiek is sterk verdeeld over de inhoud. Toch bestaat er meestal voldoende overeenstemming over de inhoud van het contract dat Amerika als politieke gemeenschap samenhoudt. Wanneer er een ramp gebeurt en burgers in nood verkeren, wordt dit contract op de proef gesteld. En toen in New Orleans de dijken het begaven, werd het contract verbroken.

Het opvallendste aan deze ramp is niet dat het contract geen stand hield. Dat is inmiddels zo evident dat het geen discussie meer behoeft. Veel benoemde of verkozen gezagsdragers op stedelijk, staats- en federaal niveau, vergaten hun zorgplicht tegenover hun medeburgers. Sommigen vluchtten terwijl ze op post hadden moeten blijven. Anderen beloofden hulp die ze niet konden geven. Nog anderen bleken niet opgewassen tegen de vreselijke noodtoestand. Dat alles is nu allemaal goed gedocumenteerd.

Wat men niet heeft opgemerkt, is dat de mensen met het scherpste begrip van de inhoud van het Amerikaanse burgerschapscontract de armen waren, de verlaten, hongerige mensen die opeengepakt zaten in de stinkende duisternis van het congrescentrum in New Orleans. "Wij zijn Amerikanen", zei een vrouw in het congrescentrum op de televisie. Ze klonk woedend maar leek ook verwonderd dat zij de Amerikanen aan een zo eenvoudig feit moest herinneren. Zij - niet de gouverneur, niet de burgemeester, niet de president - begreep dat de catastrofe een test was van de banden van het burgerschap, en dat de overheid had gefaald.

Het falen bleek misschien het duidelijkst toen op 1 september, drie dagen nadat de orkaan Katrina Louisiana had geteisterd, topambtenaren in Washington beweerden dat zij nog maar net hadden vernomen dat in het congrescentrum duizenden uitgeputte medeburgers in het donker zaten, radeloos wachtend op een evacuatie die niet kwam.

"Wij zijn Amerikanen." Dat ene zinnetje was een les in politieke plicht. Zwart of blank, rijk of arm, Amerikanen mogen geen vreemden zijn voor elkaar. De mensen in het congrescentrum waren in de steek gelaten en zagen zich gedwongen om hun medeburgers er via de televisie aan te herinneren dat zij geen vluchtelingen in een vreemd land waren.

De banden van het burgerschap zijn niet humanitair, abstract of aan willekeur gebonden. Het zijn geen banden van liefdadigheid. In Amerika heeft een burger die zichzelf niet kan helpen het recht om aanspraak te maken op de middelen van zijn regering. Hoewel het verbijsterend kan lijken dat Amerikaanse burgers hun mede-Amerikanen daaraan moesten herinneren, mogen we niet doen alsof we de reden niet kennen. Het ging hier om zwarte mensen en ondanks alles wat zwarten in dit land hebben meegemaakt en doorstaan, is het normaal dat zij schrokken toen zij niet als burgers maar als vuilnis werden behandeld.

We mogen evenmin denken dat het moment van minachting voorbij is. Een week na de ramp dreven er nog altijd lijken in het stinkende water. Ik hoop dat ze geborgen zijn tegen de tijd dat u dit leest. De meest elementaire vorm van zorgplicht, laat staan fatsoen, is de zorg voor de doden. Toch waren heel vaak de slachtoffers van de storm de enigen die de moeite deden om de lijken te bedekken, te identificeren of aan te geven waar ze zich bevonden, terwijl de politiemensen of soldaten altijd wel een dringende reden leken te hebben waarom het hun werk niet was.

We moeten niet sentimenteel zijn. De armen en de berooiden van New Orleans kunnen zich geen sentimentaliteit veroorloven. Zij weten dat zij in een onrechtvaardige en oneerlijke maatschappij leven. Zij weten dat hun scholen waardeloos zijn, dat de politie hen niet beschermt, dat ze weinig economische kansen hebben en dat hun wijken het zonder hoop en hulp moeten doen.

Ondanks die wetenschap dachten de mensen van New Orleans dat zij als Amerikanen recht hadden op sterke dijken, op een evacuatieplan dat hen echt zou evacueren en op een herstelplan dat hen zou helpen om er weer bovenop te geraken. Zij hadden dat recht omdat zij Amerikanen zijn en omdat deze elementaire zaken weliswaar duur zijn maar binnen het bereik liggen van de rijkste maatschappij ter wereld.

Het is dus niet waar, zoals sommige commentatoren hebben beweerd, dat de catastrofe de diepe ongelijkheid van de Amerikaanse maatschappij aan het licht heeft gebracht. Die ongelijkheid kan voor sommigen nieuws zijn, maar voor de vluchtelingen in het congrescentrum was ze dat niet. Voor hen was het wrange nieuws dat hun aanspraken op burgerschap zo weinig betekenden voor de instituten die hen moesten beschermen.

Sommige vormen van onrecht worden verdragen, andere doen ons in opstand komen. Wijken in Los Angeles die armoede en discriminatie gedwee ondergingen, rebelleerden toen de aanvallers van Rodney King werden vrijgesproken. Waarom? Omdat de combinatie van politiebrutaliteit op de televisie en het schandelijke onvermogen om de schuldigen ter verantwoording te roepen een verraad was van het contract dat alle Amerikanen bindt: de belofte van gelijke bescherming door de wet.

Toen de overheid in New Orleans zo jammerlijk faalde, was dat een vergelijkbaar verraad. Het werd onmogelijk om nog te geloven in het contract dat de Amerikanen verenigt.

Het verrassende van het geknoei rond Katrina is dat de liberalen en de conservatieven het over één zaak eens waren: de overheid moet de Amerikanen tegen natuurrampen beschermen. Sinds de overstromingen van de Mississippi in 1927 en de inspanningen van Herbert Hoover en het Army Corps of Engineers is dat een plicht van de overheid. Dit was het essentiële element van het contract dat als een dak werd weggerukt en in het helse water van New Orleans geslingerd.

Zulk een verraad kan niet worden goedgemaakt door liefdadigheid en vrijgevigheid. De Amerikanen tonen zich, en dat is geen verrassing, buitengewoon gul voor de grootste massa binnenlandse vluchtelingen sinds de Burgeroorlog. Maar de vrijgevigheid van de gewone man weegt niet op tegen de schade die de overheid heeft aangericht, tegen de vernedering en de uitsluiting. Het voorbeeldige werk van bepaalde diensten, zoals de kustwacht, heeft evenmin veel geholpen om de schandelijke wanprestaties van andere instanties te compenseren.

Het gaat niet alleen om fouten in de planning of de praktijk. Het gaat om het ontbreken van politieke verbeeldingskracht. De gezagsdragers en de ingenieurs die verantwoordelijk waren voor de dijken, redeneerden als verzekeringsexperts en gebruikten een norm die bedoeld was om alleen het grootste gedeelte van de mensen het grootste gedeelte van de tijd te beschermen. Als ze ook maar een beetje politieke verbeelding hadden opgebracht, zouden ze vertrokken zijn van het principe dat een regering haar mensen tegen sommige gevaren te allen prijze moet beschermen, hoe onwaarschijnlijk het gevaar ook is. Zo redeneerden de Britten toen ze de astronomisch duren stormstuw op de Thames bouwen, zo redeneerden de Nederlanders toen ze de Deltawerken uitvoerden.

In Amerika verdedigt een dijk een fundamenteel moreel besef: elk leven is bescherming waard en aangezien dit Amerika is, moet de bescherming aan de hoogste normen voldoen. Dat principe is verraden door het Army Corps of Engineers, door de overheid van de staat en door de plaatselijke ambtenaren die wisten dat de dijken moesten worden hersteld en die niets deden, en door het Congres, dat toeliet dat de president snoeide in de budgetten voor de vernieuwing van de dijken.

Het verraad speelde ook mee in de evacuatieplannen, die veronderstelden dat iedereen met de auto kon vluchten. Het bleek dat 27 procent van de gezinnen in de stad geen auto had. Raciale onwetendheid en misprijzen kunnen dat gedeeltelijk maar niet helemaal verklaren. Een betere verklaring is dat de overheid op stedelijk, staats- en federaal niveau haar eigen beroepsmoraal niet ernstig genoeg nam om de echte feiten uit te zoeken. De gezagdragers vonden het niet nodig om de sociale kloof te overbruggen die hen van de realiteit van de bevolking van New Orleans scheidde.

Iedereen kan zien dat de vreselijkste prijs van Katrina niet de verwoesting van levens en eigendommen was, hoe verschrikkelijk die ook was. Het ergste was de schade aan de banden die de Amerikanen binden. Voor de federale overheid, te beginnen met de president, is het veel te laat om deze banden te herstellen. Het is te laat voor de public-relationsnummertjes die tegenwoordig voor leiderschap doorgaan, voor de mooie toespraken uit het Witte Huis of voor andere geënsceneerde opvoeringen.

Het echte helende werk zal moeten gebeuren door burgers die veel lager in de hiërarchie staan: de leerkrachten en de directies van de openbare scholen in heel het land die kinderen opvangen en door de genezende rituelen van de schooldag leiden; de begrafenisondernemers die al het mogelijke doen om de doden te respecteren; de soldaten van de nationale garde die de lege stad bewaken; de ambtenaren en de zakenmensen die haar wedergeboorte plannen.

Het toekomstige vertrouwen in de Amerikaanse overheid zal minder afhangen van de leiders die het vertrouwen hebben beschaamd, dan van de werkers die dat niet hebben gedaan en van wie de Amerikanen nu alleen maar kunnen hopen dat zij het juiste zullen doen. Er zullen miljoenen daden van doodgewoon fatsoen en bureaucratische moed nodig zijn voor alle Amerikanen, niet alleen de slachtoffers van de storm, het gevoel hebben dat zij weer in een politieke maatschappij leven en niet in een woest en wetteloos moeras.

Michael Ignatieff

doceert mensenrechten aan de Kennedy School for Government in Harvard. Dit essay verscheen gisteren in The New York Times Magazine

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234