Vrijdag 27/01/2023

Over de aandacht en

Prachtige monografie over Belgische architect Charles Vandenhove

de achteloosheid van architectuur

Twee jaar geleden werd in Parijs het nieuwe Théâtre des Abbesses afgewerkt. Het complex van zalen, woningen, een dansschool, een parkeergarage, winkels en kantoren rond een binnenpleintje in Montmartre is een van de sterkste ontwerpen van de Belgische architect Charles Vandenhove (°1927). Naar aanleiding van de voltooiing van het theater verscheen onlangs een prachtig boek over het werk van de man die bouwt 'zoals een boer het land bewerkt, met dezelfde gehoorzaamheid, dezelfde directheid, dezelfde noodzakelijkheid, dezelfde ervaring ook.'

Eric Min

Architectuurcriticus Geert Bekaert, die samen met filosoof Bart Verschaffel het leeuwedeel van de bijdragen van het drietalige kunstboek voor zijn rekening nam, citeert instemmend Vandenhoves metafoor van de boer. Ze illustreert perfect de stelling die als een rode draad door de enthousiaste teksten loopt: de Luikse architect gaat heel voorzichtig om met de ruimte die hij moet volbouwen; hij neemt elementen en ideeën over uit de traditie en transformeert ze behoedzaam tot gebouwen die vertrouwd aandoen.

Architectuur moet dienstbaar zijn, niet storen, zichzelf haast onzichtbaar maken. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat deze analyse klopt. Wie naar de foto's van projecten als Les Abbesses of het woongebied Hors-Château in Luik kijkt, stelt vast dat Vandenhove de stad niet als een woesteling te lijf gaat, maar de ruimte omzichtige aanwijzingen geeft - als een onzichtbare, veel te aardige regisseur die zijn acteurs vooral zichzelf wil laten zijn. Bekaert: "Het Théâtre des Abbesses gaat op in de buurt. Het vereenzelvigt zich er totaal mee. Het streeft er de vanzelfsprekendheid en natuurlijkheid van na. Het zelfbewustzijn van het nieuwe is er vreemd aan."

Ook voor Bart Verschaffel staat het gebouw erbij alsof het er altijd gestaan heeft. Wie het theater voor het eerst bekijkt, zou denken dat het om een verbouwing of een restauratie gaat. Fout. Vandenhove heeft een nieuwbouw neergezet die er bovendien uitziet zoals een theater er hoort uit te zien, met zuilen en een fronton, "terwijl er eigenlijk geen excuus is om daar een theater te bouwen" of om dat vandaag nog te doen, "net zoals het ook te laat is om burchten of paleizen of kathedralen te bouwen." We verwachten op deze plek misschien een multifunctionele zaal of een massief cultureel centrum, maar geen relict uit lang vervlogen dagen.

Andere toonaangevende gebouwen uit onze eeuw, zoals het Centre Pompidou of de nieuwe bibliotheek van Dominique Perrault, moeten opvallen en van deze tijd zijn. Als we Bekaert en Verschaffel mogen geloven willen Vandenhoves ontwerpen haast verdwijnen, oplossen als suiker in koffie. Samen met verwante geesten als Aldo Rossi of de Renzo Piano van de woningen in de rue de Meaux nestelt Vandenhove zich in de geschiedenis en gelooft hij "in de mogelijkheid om op een vriendelijke manier de stad te bewonen."

Ik kan mij voorstellen dat nogal wat critici vinden dat Bekaert en Verschaffel in hun essays al te lyrisch tekeergaan en een irritante vorm van hagiografie bedrijven, of dat Vandenhove zelf al twintig jaar lang goedkoop, ongeïnspireerd neoclassicisme aflevert. Voor wie het boek aandachtig leest, blijft van die verdachtmakingen niet veel over: op enkele bevlogen passages na ("De architect is hier veeleer de priester die het ritueel dat de dingen hem dicteren, gehoorzaam en aandachtig uitvoert...") zijn de stukken behoorlijk genuanceerd. En Vandenhoves eigen architectuurpraktijk is gewoon een zelfbewuste dialoog met de geschiedenis en de traditie die hij als restaurateur van het zestiende-eeuwse Torrentius-huis in Luik van heel dichtbij heeft ervaren.

De stijl van Vandenhoves werk na 1978, wanneer het haast geluidloos zijn definitieve vorm heeft gevonden, is de illustratie van zijn graag geciteerde uitspraak "men vindt geen nieuwe taal uit van vandaag op morgen". In de taal die de architect zich uiteindelijk eigen heeft gemaakt, vertelt hij telkens opnieuw hetzelfde verhaal. Hij neemt elementen uit het klassieke repertoire over: zuilen met kapitelen, kleine vierkante ramen, fries en fronton, de halfronde zinken daken uit het Parijs van Haussmann, het naar binnen gekeerde stedelijke wonen rond een binnenplein met een fontein.

Omdat 'nieuw' niet altijd beter is, hoeft nieuw zelfs niet nieuw te zijn. Voor de bouw van het Théâtre des Abbesses volgt Vandenhove de oude rooilijn. Nadat hij in vroege werken alle vormen van zijn tijd heeft uitgeprobeerd (rechte lijnen, blote baksteen en beton, glas, modernistische en vaak al te vanzelfsprekende volumes), worden in de jaren tachtig de traditionele stadswoning en de neo-Ionische zuiltjes zijn handelsmerk. Ook de samenwerking met hedendaagse beeldende kunstenaars is een vast onderdeel van Vandenhoves manier van doen. Werk van Daniel Buren, Sol LeWitt, Giulio Paolini, Luc Tuymans, Jeff Wall, Jacques Charlier en ontelbare anderen maakt Vandenhoves gebouwen tot galerieën. Misschien is het wel de kunst die het verschil maakt en gedragen de ontwerpen van de architect zich toch niet zo discreet als we eerst dachten.

In 1986 krijgt Vandenhove de opdracht om de vestibule en de koninklijke salon van de vernieuwde Muntschouwburg in te richten. De hall, waarvan Sol LeWitt de marmeren vloer en Sam Francis het plafond onder handen nemen, is perfect geïntegreerd in het gebouw; de decoratie maakt er een echte feestzaal van. Bekaert: "De koninklijke salon daarentegen keert zich compleet in zichzelf, als een kunstwerk, een sculptuur waarin men moet binnentreden. De kristalheldere ruimte, vormgegeven door Daniel Buren en Giulio Paolini, is te vondeling gelegd in de pluche wereld van de opera." Ook voor Chris Dercon, directeur van het Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam, is de Salon Royal een magnifieke 'nutteloze' ruimte. De twee ontwerpen voor de Muntschouwburg laten zien dat Vandenhove kunst gebruikt om te verfraaien én om te storen, de aandacht te trekken.

In het essay over Les Abbesses legt Verschaffel met chirurgische precisie uit hoe het werkt. Daniel Burens architectuursculptuur op de blinde zijmuur die boven het gebouw uitsteekt "maakt de plek opvallend zichtbaar in het stadsbeeld en signaleert haar aanspraken. Geheel samengesteld uit klassieke architectuurelementen - bijna een kerkgevel van Alberti - zegt ze: 'Architectuur'. Maar omdat alles zich boven de daken afspeelt, wordt het gewicht en de waardigheid beneden op straat, waar het leven zijn gang gaat, nauwelijks gevoeld."

De klassieke, theatrale architectuur regisseert onze blik, bepaalt hoe we moeten kijken naar wat waard is om gezien te worden. Wie door de smalle doorgang naar het binnenpleintje wandelt, laat de drukte van de stad achter zich en ervaart nog alleen architectuur: hij belandt op de intieme, symmetrische binnenplaats vóór de theatergevel met de zuilen en het fronton. "Men stapt op het plein als op het toneel, als op een plaats waar de banale dingen en domme last en moeite van het leven niet bestaan, de mens zijn bestaan waard is en niets meer hoeft te doen dan staan, kijken, stappen, praten. Het theater is daarom, eerst, niet de zaal maar het plein."

De rode voorgevel domineert niet; hij ligt lager dan het plein. Er zijn woorden overheen geschilderd, en ook de fries onder het fronton is een grapje: hij is versierd met een motief van verticale groeven die geleidelijk meer naar rechts overhellen, 'vallen' en de rust van de symmetrie verstoren. In de zaal zelf blijkt dat de matglazen panelen van de balustrades, waarop kunstenaar Robert Barry woorden liet aanbrengen, het toneellicht reflecteren en een volledige verduistering tijdens de voorstellingen onmogelijk maken. Als de kunst geen wegwijzer of uithangbord mag zijn, fungeert ze als (onbedoelde?) stoorzender. Zijn Vandenhoves beroemde neo-Ionische zuilen dus toch neo-ironische knipoogjes naar de 'lezers' van zijn werk, en is hij veel (post)moderner dan Geert Bekaert wil toegeven?

Een laatste uitspraak van Charles Vandenhove uit een zeldzaam interview: "In andere omstandigheden zou ik wellicht cineast geworden zijn." Als een filmmaker denkt hij ook nu na hoe mensen zich door een ruimte willen bewegen, een huis of een plein bewonen, sporen achterlaten. Vooral de ontwerpen die de architect na 1978 heeft gemaakt, schitteren door hun aandacht voor de gebruikers en de bewoners, en door de berekende achteloosheid waarmee Vandenhove de gebouwen in het bestaande weefsel heeft neergelaten. Hoewel ze monumentaal lijken, gaf hij ze menselijke maten en verhoudingen mee. Ze zijn van nu en mogen blijven staan - niet uit nostalgie maar omdat het goed is.

Geert Bekaert, Bart Verschaffel, Chris Dercon, Irmeline Lebeer & Jef Cornelis (teksten) en Gilbert Fastenaekens, François Hers & Kim Zwarts (foto's), Charles Vandenhove, art and architecture, La Renaissance du Livre, 1998, 320 p., 1750 frank. Het boek is drietalig (Engels, Frans, Nederlands).

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234