Woensdag 23/06/2021

Geschiedenis

Out of India: zes ooggetuigen over de bloedige opdeling van Brits-Indië in 1947

Een karavaan moslims trekt naar Pakistan (1947). Langs de weg liggen de lichamen van vermoorde voorgangers tussen beenderen van lastdieren.
 Beeld The LIFE Picture Collection/Getty Images
Een karavaan moslims trekt naar Pakistan (1947). Langs de weg liggen de lichamen van vermoorde voorgangers tussen beenderen van lastdieren.Beeld The LIFE Picture Collection/Getty Images

India viert dezer dagen de 70ste verjaardag van zijn onafhankelijkheid. Maar wat miljoenen moslims, sikhs en hindoes in de zomer van 1947 meemaakten, tart elke verbeelding. Zes ooggetuigen van de moordpartijen ten tijde van de ‘partition’, de opdeling van Brits-Indië in de landen India en Pakistan, doen hun onvoorstelbare verhaal.

De Britten hoorden dan wel bij de winnaars van de Tweede Wereldoorlog, ze kwamen gehavend uit de strijd en het handhaven van het steeds woeliger Brits-Indië – een immens gebied tussen Afghanistan in het westen en Thailand in het oosten – bleek niet langer haalbaar. Besloten werd het grootste deel van Brits-Indië op te splitsen in twee onafhankelijke landen: islamitisch Pakistan (bestaande uit het huidige Pakistan en het 2.000 kilometer oostelijker gelegen Bangladesh) en een hindoeïstisch India er­tussen.

null Beeld DM
Beeld DM

Gouverneur-generaal Lord Mountbatten diende op 3 juni 1947 zijn plan in en het Britse parlement ging op 18 juli akkoord, amper een maand voor de voorgestelde datum (14 augustus) van de onafhankelijkheid. Van het ene op het andere moment bevonden miljoenen mensen zich in de ‘verkeerde’ staat. Het leidde tot een van de grootste volksverhuizingen ter wereld. Moslims die leefden in wat onafhankelijk India zou ­worden, werden ertoe aangezet naar Pakistan te trekken. Hindoes en sikhs die woonden in wat Pakistan zou worden, maakten de tegenovergestelde beweging.

De migratie van die 10 miljoen mensen liep uit op een ongekend drama. In juni, juli en augustus 1947 gingen hindoes, sikhs en moslims, die generaties lang vreedzaam naast elkaar geleefd hadden, elkaar te lijf in een waanzinnig opbod van moord, ontvoering en seksueel geweld. Minstens 1 miljoen mensen vonden de dood, naar schatting 75.000 vrouwen werden verkracht.

Er zijn geen simpele verklaringen voor het extreme geweld. Eén theorie is dat elke religieuze groep begon te moorden uit vrees dat ze zelf gedood zouden worden in een overlevingsstrijd. Ook de Britten droegen schuld. Als koloniale macht hadden ze eeuwenlang een tactiek van verdeel en heers toegepast. De snelheid van hun vertrek creëerde een machtsvacuüm dat de chaos in de hand werkte.

Getuigenis 1: Bashir Ahmed

Bashir Ahmed, die in Londen woont, werd in 1939 geboren in een moslimgezin, in een dorp 35 kilometer van Jammu, dat toen deel uitmaakte van de prinselijke staat Jammu en Kasjmir. Hij arriveerde in 1962 in Groot-Brittannië en werkte 30 jaar voor de spoorwegen. Hij heeft twee zonen en een dochter. Zijn schoondochter, Sadiya Ahmed, richtte Everyday Muslim op, een archief dat ervaringen en verwezenlijkingen van moslims in Groot-Brittannië documenteert.

Bashir Ahmed:
Bashir Ahmed: "Mijn moeder lag naast het lijk van mijn jongere broer. Hij was amper vijf jaar."Beeld Sunday Times Magazine

“We waren allemaal aan het slapen in ons huis toen ik geweerschoten hoorde. Er was veel rook, dus deden we de deur open. Mijn moeder probeerde me tegen te houden, maar ik rende naar buiten. Op straat was er een slachtpartij aan de gang. Ik liep terug naar het huis, maar dat stond in brand. Ik zag een ander huis waar de deur openstond. Ik rende er binnen. De hindoes kwamen achter me aan. Toen ze binnenkwamen, liep een enorme hond naar hen toe, en ze vluchtten weg. Die hond heeft mijn leven gered.

“Toen hoorde ik een meisje huilen. Ze was zeven, zoals ik. Samen wachtten we een paar minuutjes. Toen renden we naar buiten, naar een huis boven op de heuvel. Hindoes kwamen ons achterna. We klommen op het dak van een aanpalend huis en sprongen in een hooi­stapel. De hindoes kwamen het huis binnen en keken rond. Ze vonden ons niet en gingen weg. In de hooi­stapel hoorde ik een stem. Het was de moeder van het meisje met wie ik weggelopen was. Ze lag in het hooi met haar twee andere kinderen. Terwijl we verborgen lagen in het hooi, hoorde ik een oude man de bende smeken hem te sparen. Hij zei dat hij oud was en niets verkeerds had gedaan, maar ze vermoordden hem toch.

“We bleven tot de volgende avond in de hooistapel. Pas toen het donker was, ging ik weer de straat op. Het was toen dat ik het lichaam van mijn moeder vond. Ze lag naast het lijk van mijn jongere broer. Hij was amper vijf jaar. Ik begon te wenen, maar de vrouw die bij me was, zei: ‘Jongen, ze zijn dood. We moeten voort.’

“We bleven lopen, voorbij zo veel doden. Toen hoorde ik een man mijn naam roepen. Het was onze buurman, hij zei dat hij me zou helpen. Het meisje zei dat ze goed zat bij haar moeder en dat ik maar moest meegaan. Ik heb haar nooit meer weergezien. Mijn buurman en ik liepen de hele nacht, tot we de Pakistaanse grens gepasseerd waren. Pas toen begon ik de honger te voelen.”

Getuigenis 2: Abdul Hafeez Dawood

Abdul Hafeez Dawood, 82, is moslim en woont in Luton. Hij groeide op in de stad Jalandhar in het oosten van Punjab. Hij kwam in 1965 naar Groot-Brittannië en werkte gedurende het grootste deel van zijn carrière als manager voor Thomson Holidays. Na zijn pensioen werd hij actief in het buurtwerk. Momenteel leidt hij een liefdadigheidsorganisatie die zich ontfermt over oudere Aziaten in Luton.

Abdul Hafeez Dawood:
Abdul Hafeez Dawood: "De treinreis naar Lahore duurde negen uur, en de hele weg lang zag ik lijken in de velden liggen. Mijn grootmoeder heeft me de hele reis geknuffeld."Beeld Sunday Times Magazine

“In onze stad woonden vooral hindoes en sikhs, en tot 1946 kon iedereen het goed met elkaar vinden. In dat jaar doken de eerste problemen op. Moslims hoopten dat Jalandhar deel zou uitmaken van Pakistan, maar toen doken geruchten op dat de stad naar India zou gaan. Daarna waren er veel gevechten op straat.

“In ons deel van de stad leefden ongeveer 5.000 moslims, de meeste huizen hadden maar één verdieping. Ons huis had drie verdiepingen, en we hadden een radio. De mensen zaten daar een hele dag te wachten, sommigen wilden zelfs ’s nachts blijven. Iedereen wilde weten wat er gebeurde.

“Mijn ouders besloten dat we ons huis moesten verlaten omdat we bang waren dat de hindoes ons zouden aanvallen. De avond van de onafhankelijkheid zat ik in een vluchtelingenkamp dat we na acht kilometer stappen bereikt hadden. De opdeling werd niet gevierd, omdat Jalandhar deel van India was geworden en we allemaal bang waren. We bleven een paar nachten in het kamp, toen slaagde een familielid erin ons naar Lahore te krijgen.

“Mijn moeder reisde samen met mijn twee zussen met een vracht­wagen. Ik ging met de trein, samen met mijn grootmoeder en twee broers. De reis naar het oosten duurde negen uur, en de hele weg lang zag ik lijken in de velden liggen. Sikhs bleven de trein maar aanvallen. Mijn jongere broers sliepen het grootste deel van de tijd. Mijn grootmoeder heeft me de hele reis geknuffeld. Het was heel beangstigend.

“Nadat we in Lahore aangekomen waren, ging ik nog vele dagen naar het station om te zien of andere familieleden het gehaald hadden. De treinen kwamen altijd leeg aan. Ze vertelden me dat niemand het overleefd had: ze waren allemaal op de trein vermoord door sikhs. Op een dag stopte iemand me een waterslang in de handen, en ik weet nog dat ik weende toen ik het bloed van de trein waste. In Rawalpindi gebeurde hetzelfde maar dan omgekeerd: moslims slachtten sikhs af die naar India trokken.

“We kenden niemand in Lahore. Er waren zo veel lege huizen (van sikhs en hindoes die naar India vertrokken waren, red.), we hadden er wel tien kunnen inpalmen. Mijn grootmoeder vond een huis en dat werd onze eerste thuis in Pakistan.

“Daarna ben ik 55 jaar niet meer naar India gegaan. In 2002 keerde ik met mijn vrouw terug naar Jalandhar en ik herkende ons huis meteen. Ik klopte aan en een oude vrouw deed open. Ik vertelde haar dat het huis vroeger van mijn ouders was, en ze nodigde ons binnen uit. Haar familie waren sikhs die tijdens de opdeling uit Pakistan waren gekomen. Samen gingen we rond in wat vroeger mijn huis was. Ik toonde mijn vrouw mijn oude kamer en toen ging ik op het dak staan om rond te kijken. De oude vrouw en haar familie wilden mijn vrouw en mij niet laten vertrekken. Meer dan een halve eeuw geleden moordden sikhs en moslims elkaar uit. Nu waren we samen aan het eten. Het was heerlijk.”

Getuigenis 3: Mohinder Kaur Matharoo

Mohinder Kaur Matharoo is sikh en woont in Essex. Ze werd in 1936 geboren in een dorp nabij Lyallpur, nu Faisalabad, in Pakistan. Ze arriveerde in 1965 in Groot-Brittannië. Ze is moeder van zes kinderen, heeft achttien kleinkinderen en zes achterkleinkinderen.

Mohinder Kaur Matharoo:
Mohinder Kaur Matharoo: "We bleven een paar weken in een vluchtelingenkamp. We hadden geen voedsel en aten bladeren van aubergine­­planten."Beeld Sunday Times Magazine

“We leefden allemaal samen, hindoes, moslims en sikhs. Er waren geen spanningen, zelfs geen besef van het idee van Pakistan. We vierden alle religieuze festivals, gingen naar elkaars trouwfeesten. Ik was ongeveer zeven toen de problemen begonnen. We hoorden dat India opgedeeld zou worden en de mensen waren bezorgd en verward. Ze begonnen als voorzorg graan en maïs te hamsteren, bewaarden het in koffers voor als ze zouden moeten reizen.

“Toen mijn moeder me vertelde dat we weggingen uit het dorp, was ik blij. Ik dacht dat we een picknick zouden houden met het eten dat we bereid hadden. Mijn moeder zei: ‘Je moet niet blij zijn. We gaan weg uit het dorp en komen misschien nooit meer terug.’

“Het duurde vier weken om een kar met houten wielen te maken, die we laadden met een paar potten en pannen en onze kleren. Er waren drie families, en twee karren, voortgetrokken door twee ossen. Wij wandelden ernaast. We gingen naar een vluchtelingenkamp in Lyallpur, maar onderweg brak een wiel van onze kar. Een moslimman stopte en zei dat hij metaalwerker was. Hij bood aan het wiel te repareren. Hij nam de kar mee naar een atelier in een dorp in de buurt, maar toen we daar aankwamen, zag ik moslimmannen zwaarden en hakmessen slijpen.

“Toen ik dichterbij kwam, hoorde ik ze zeggen dat ze ons wilden vermoorden. We hadden geen andere keuze dan onze kar met onze hele voorraad achter te laten en het op een lopen te zetten. We sprongen in de rivier en zwommen terug naar het kamp.

“Daarna hadden we geen voedsel en aten we bladeren van aubergine­planten en andere bomen. We bleven een paar weken in het kamp, en in die periode werd het heel erg. Er waren gevechten, mensen verborgen zich onder lijken om zichzelf te redden. Cholera verspreidde zich en ik kreeg een inenting. Er kwam een militaire truck, en de soldaten zeiden ons dat we teruggebracht werden naar de grens. Ik had slecht gereageerd op de inenting en was amper bij bewustzijn.

“Een arts vertelde mijn familie dat ik ging sterven en dat ze me beter niet meenamen. Hij gaf mijn moeder een pilletje dat me stilletjes zou doen inslapen. Mijn moeder weigerde me het pilletje te geven, maar tijdens de reis maakte ik veel lawaai. Ik kermde van de pijn en de soldaat die ons begeleidde, begon te klagen. Hij zei dat ik de aandacht trok en dat ze van mij af moesten raken. Maar mijn broer wilde me niet achterlaten.

“We bereikten de grens, en van daar ging de reis verder op het dak van een goederentrein. Pas toen de trein de heilige sikh­stad Amritsar bereikte, kwam ik weer bij bewustzijn.”

Getuigenis 4: Sarwari Begum

Sarwari Begum is moslim en werd in 1930 ge­boren in Sunam, in wat de Indiase provincie Pun­jab zou blijven (er bestaat ook een Paki­staans Punjab). Ze arriveerde in ’64 in Groot-Brittan­nië en werkte in een kledingfabriek. Haar zoon werk­te bij Ford in Dagen­ham, haar dochters verdienden hun brood in de sociale sector en een bank. Sarwari heeft 12 kleinkinderen en 26 achterkleinkinderen.

Sarwari Begum:
Sarwari Begum: "‘Ik ben nog altijd boos op de sikhs. Ze hebben mijn vader vermoord, en ik kan de aanblik van een sikh nog altijd niet verdragen."Beeld Sunday Times Magazine

“Mijn vader was een hoge officier bij de politie. We woonden in een groot huis met veel land. Hindoes, sikhs en moslims leefden in vrede naast elkaar. Toen geruchten over een opdeling zich begonnen te verspreiden, zei een hindoevriend van de familie dat we moesten verhuizen omdat er moslims zouden worden vermoord. Mijn vader weigerde, maar mijn man (ik trouwde op mijn zestiende) zei dat hij zijn vriend geloofde, en dus vertrokken we in juli 1947 naar Karachi.

“Mijn broer Alam was al vertrokken met mijn oudere zus, maar mijn vader bleef, samen met mijn jongere broer Sultan. Omdat vader een hoge positie bij de politie had, kwamen er mensen naar ons huis op zoek naar bescherming. Maar sikhs omsingelden het huis en vielen aan. Mijn vader had een geweer, maar de sikhs beschikten over machinegeweren. Hij ging het dak op en riep op voor het gebed. Terwijl hij dat aan het doen was, werd hij gedood door een kogelregen.

“De sikhs begonnen de vrouwen buiten te dragen. De moslims maakten een opening achteraan in het huis. Ze zeiden tegen de vrouwen dat ze moesten wegvluchten via de opening en zich in de waterput bij de moskee moesten werpen. Ze zeiden dat het beter was te verdrinken dan verkracht te worden. De meisjes wierpen zich in de put. Mijn moeder vertelde me dat toen ze er aankwam, de put vol lichamen lag.

“De vrouw van mijn broer, die zwanger was, had zich met haar drie zonen verstopt in een huis dicht bij de moskee. Een sikh greep haar hand en wilde haar meenemen. Ze schudde hem af en zei: ‘Ik ga niet met je mee.’ De man onthoofdde haar drie zonen voor haar ogen, haalde uit naar haar hoofd, en ze viel flauw. Ze overleefde en trouwde later met de jongere broer van haar overleden man. Ze baarde een meisje, dat nog leeft en in Pakistan woont.

“Pas laat in de herfst werden de overlevende familieleden herenigd in Pakistan. Mijn moeder vertelde me wat er gebeurd was met mijn vader. Ze vertelde me ook dat mijn jongere broer Sultan, die zich in het huis bevond toen mijn vader vermoord werd, verdwenen was. Iemand beweerde dat hij achteraf een jongen die beantwoordde aan zijn beschrijving, zag kermen van de pijn, maar niemand kon zeggen wat er met hem gebeurd was.

“Alam woont in Chesham en is mijn enige nog levende broer. Ik weet niet wat er met Sultan gebeurd is. Vele jaren hebben we gehoopt dat hij nog leefde. Ik was in Lahore in 2002 en hoorde vertellen over een man in het ziekenhuis die dezelfde leeftijd had als hij en die ook Sultan heette. Maar hij was het niet. Als Sultan het overleefd had, dan zou hij geprobeerd hebben om Pakistan te bereiken. Maar we zullen nooit weten wat er met hem gebeurd is.

“Ik ben nog altijd boos op de sikhs. Ze hebben mijn vader vermoord, en ik kan de aanblik van een sikh nog altijd niet verdragen. Toen ik erachter kwam dat mijn kleinkinderen hindoe- en sikh­vrienden hebben, heb ik hen daarover aangesproken: ‘Weten jullie wel wat ze ons aangedaan hebben?’ Na de opdeling zagen we geen sikhs in Pakistan. Maar toen ik ooit in Londen was en mijn dochter nog een klein meisje was, zag ik een sikh­man. Ik wees hem aan en zei: ‘Dat is een sikh.’ Mijn dochter keek naar hem en zei: ‘Maar mama, hij ziet er precies zoals ons uit'.”

Getuigenis 5: Surjit Singh Sandhu

Surjit Singh Sandhu, 77, is een sikh die in Wolverhampton woont. Hij werd geboren in een dorp in Punjab en had drie broers en vier zussen. Hij arriveerde in 1965 in Groot-Brittannië en werkte als ingenieur. Later werd hij docent wiskunde en elektriciteit. Hij kon naar Groot-Brittannië komen dankzij een oom die een plaatselijk parlementslid vroeg een brief te sturen om zijn aanvraag te steunen. Dat parlementslid was voormalig minister Enoch Powell.

Surjit Singh Sandhu:
Surjit Singh Sandhu: "‘Er was een waterput in de buurt van het dorp. Ze vertelden ons ervan weg te blijven omdat hij vol lag met onthoofde sikhs."Beeld Sunday Times Magazine

“Toen ik op school zat, had ik een moslimleraar. Op een dag daagde hij niet op. We vroegen ons allemaal af wat er gebeurd was. Er waren geruchten dat hij gedood was, anderen zeiden dat hij was gevlucht. Zo kwamen we erachter dat India werd opgedeeld.

“Er kwamen Britse soldaten naar ons dorp om te zeggen dat de moslims naar Pakistan moesten. Ze zochten naar wapens in onze huizen, naar zwaarden en speren. Ik was nog maar een kleine jongen en weende vaak. Ik was bang dat iemand mijn moeder en vader ging vermoorden. Mijn moeder nam alle kinderen mee naar het dak van het huis en zei dat we ons moesten verbergen onder de dakplaten. Daarna wierp ze de ladders weg zodat de moslims niet bij ons geraakten om de kinderen te doden.

“Het was het regenseizoen in juli 1947, en ik trok er vaak met de geiten op uit om ze te laten grazen. Op een dag zag ik een rij mensen een kleine kilometer verderop. Iemand zei me dat het moslims waren die net ons hele dorp hadden uitgemoord. Ze waren op weg naar het volgende dorp. Ik rende weg door de velden, kniediep in het water terwijl de moslims met speren gooiden. Een van de speren raakte me in de rug.

“De moslims die van India naar Pakistan gingen, werden verondersteld hun geiten en koeien achter te laten. Maar om de sikhs en hindoes te verhinderen er gebruik van te maken, sneden ze hun uiers af. De sikhs in ons dorp hadden gehoord dat er treinen kwamen uit Pakistan en dat bijna niemand het had overleefd – ze waren allemaal afgeslacht door moslims. Sommige sikhs wilden wraak.

“Sikhs uit ons dorp gingen naar andere dorpen om huizen van moslims in brand te steken. Mijn eigen oom kwam terug en zei: ‘We namen jerrycans met kerosine mee en staken een huis in brand.’

“Mijn oudste broer vertelde me dat hij een moslimmeisje ten huwelijk had gevraagd, en toen ze weigerde, vermoordden ze haar. Er was een waterput in de buurt van het dorp. Ze vertelden ons ervan weg te blijven omdat hij vol lag met onthoofde sikhs.

“Het was zo’n gruwelijke tijd, ik heb er nog altijd nachtmerries over. Ik zie nog altijd het bloed en de dood. Als ik alleen ben, vraag ik me vaak af: ‘Waarom konden we niet gewoon vreedzaam samenleven?’

“Het sikhisme leert ons dat we allemaal gelijk zijn en dat we niemand mogen haten. Maar 70 jaar later voel ik nog altijd haat tegenover de moslims. Dat vind ik jammer.”

Getuigenis 6: Raj Kumari Bowry

Raj Kumari Bowry is hindoe en woont in Leicester. Ze groeide op in Ludhiana in het oosten van Punjab. Haar ouders hadden een zuivelhandel. Ten tijde van de opdeling was ze in de 20 en woonde ze met haar man in Delhi. In 1956 verhuisde ze naar Kenia, waar ze woonde tot haar man in 1993 overleed. Haar dochter Manjula bleef in India en werd opgevoed door haar grootouders. In 1970 verhuisde Manjula naar Groot-Brittannië. In 2008 werd ze burgemeester van Leicester. Manjula Sood was de eerste vrouwelijke Aziatische burgemeester in Groot-Brittannië.

Raj Kumari Bowry:
Raj Kumari Bowry: "‘In Delhi zag ik Lord Mountbatten zijn speech geven. Toen zag ik de Britse vlag naar beneden en de Indiase vlag naar boven gaan."Beeld Sunday Times Magazine

“Er was geen televisie, dus kregen we alle informatie via de radio. Zo hoorden we dat India werd opgedeeld. Na die aankondiging gingen we niet meer naar huizen van sikhs en moslims, omdat we bang waren dat ze ons zouden vermoorden.

“Een van mijn buren was een moslim en hij was weg voor zijn werk. Toen hij thuiskwam, was zijn familie naar Pakistan vertrokken. Hij was alleen en kwam naar mijn vader, die hem onderdak gaf. Na een paar dagen hoorden we dat er een caravan naar Pakistan zou gaan. Mijn vader gaf de man wat van zijn kleren, zodat hij niet herkend zou worden, en bracht hem midden in de nacht naar de caravan. De man schreef later dat mijn vader zijn leven had gered.

“De avond van de onafhankelijkheid stapten we naar het Rode Fort in Delhi. Mijn man zei dat het belangrijk was dat we erbij waren. Er waren veel mensen op straat. Ik zag Lord Mountbatten (gouverneur-generaal van Brits-Indië, red.) een speech geven, toen zag ik de Britse vlag naar beneden en de Indiase vlag naar boven gaan. Het was toen dat Jawaharlal Nehru (de eerste premier van India, red.) zijn speech gaf. Hij klonk als een intelligent en invloedrijk persoon. Beiden waren grote leiders, en dus respecteerden we hen. Er was applaus, maar het was niet uitbundig.

“Het is goed om in een onafhankelijk land te leven, maar we mogen de offers die gebracht zijn, niet vergeten. Er zijn zoveel mensen gestorven tijdens de opdeling. De geschiedenis geeft ons de namen van de groten, maar niemand kent de namen van de gewone mensen die stierven. We weten zelfs niet hoeveel er gestorven zijn.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234