Zaterdag 24/07/2021

'Organiseren is een virus'

Betty Mellaerts praat met Louis de Vries

Foto's Stephan Vanfleteren

Louis de Vries: "Voetbal is mijn hele leven. Altijd geweest. Ik geloof niet dat er van mij één jeugdfoto bestaat zonder bal. Het was obsessioneel. Het ging niet alleen om het spel, ook om alles wat er mee te maken had. Ik kon aan iedere quiz meedoen, ik wist het allemaal. Op school voetbalden we met mijn zelfgemaakte ballen van papier en elastiekjes omdat een echte bal niet mocht. En zodra we thuis waren, gingen we weer de straat op. In de voetbalclub leerden ze ons de verfijning van de techniek, hoe je in een groep moet spelen en fysiek sterker kunt worden, maar we konden allemaal al voetballen. Nu is een club op woensdag- en zaterdagmiddag een kinderopvang. Alles moeten ze nog leren, zelfs hoe ze tegen een bal moeten trappen. Dat is onwezenlijk. Daarom komen de grote, fantastische spelers uit een arm milieu, waar men nog steeds niets anders heeft dan een bal om zich te vermaken en waar er nog straten of pleinen zijn om te spelen.

"Ik weet uiteindelijk niet of ik hem daar zo dankbaar moet voor zijn, maar van klein af werd ik door mijn vader meegetroond naar voetbalwedstrijden. Hij ging overal naartoe, hij was zelf een fanaat. Iedere België-Holland, destijds evenementen, smokkelde hij mij het stadion binnen, want de plaatsen waren duur. Onder zijn jas, ongemerkt tussen het volk door en dan op zijn schoot naar de wedstrijd kijken. Om het voetbal kwam er televisie in huis. In 1954, ik was acht jaar, speelden ze het wereldkampioenschap voetbal in Zwitserland. Wij hadden nog geen toestel, maar bij familie keken we met zijn allen naar de finale Duitsland-Hongarije. Daarna moest er thuis ook een komen. Voordien beleefde ik de matchen in mijn fantasie, nu kon ik mijn helden zien spelen. Televisie heeft de interesse voor het voetbal nog meer aangewakkerd, maar het was een verschrikkelijke concurrentie voor het livespel. Dat voelen we nog altijd."

'net Als iedere jongen wilde ik voetballer worden. Dat is me bijna gelukt. Toen ik achttien werd, pakte men het voetbal wat professioneler aan. Ik speelde bij Antwerp in de jeugdclub en de besten zouden een piepklein contract krijgen. Maar tijdens een vriendenmatch brak ik mijn enkel. Het was een gecompliceerde breuk en ik heb nooit nog gevoetbald. Door het lange stilzitten ben ik noodgedwongen aan het organiseren geslagen. Muziek was naast het voetbal mijn tweede liefde. Ik speelde trompet. Dat was in mijn jeugdjaren niet 'in', er waren al beatgroepen met gitaren. Ik was niet goed genoeg en op mijn achttiende ben ik ook daar mee gestopt.

"Ik had misschien een leuke drummer kunnen worden, ik had veel gevoel voor ritme, maar de trompet was een familie-instrument. Mijn grootvader, die ik nooit heb gekend, was in Nederland een rondreizende muziekleraar. Hij leerde overal in het land harmonies en fanfares nieuwe stukken aan. Mijn vader was de oudste zoon. Hij is beroepsmuzikant geworden. In 1926 was hij de medestichter van The Ramblers, een beroemd radio-orkest. Later werd hij bandleider van zijn eigen orkest, 'Jack De Vries and His Internationals'. In muziekencyclopedieën staat zijn naam als een van de pioniers van de Nederlandse jazz. Zijn broer Louis noemden ze voor de oorlog de Europese Louis Armstrong. Hij was echt wereldberoemd en had een Amerikaans platencontract op zak toen hij zich in 1936 in Zwolle tegen een boom te pletter reed. Hij was maar dertig. Dan was er nog een zus, Clara, die haar eigen damesorkest had. Zij is zoals het overgrote deel van de familie gedeporteerd naar Auschwitz en is er vergast. Onlangs zag ik op de Nederlandse televisie een herdenkingsprogramma over haar. Daar hoorde ik voor het eerst over haar orkest, want mijn vader vertelde daar niet veel over, zij was maar een meisje! Zijn gestorven broer, dat was zijn grote voorbeeld. Dus toen ik geboren werd, moest ik Louis heten en vond mijn vader het leuk dat ik trompet zou leren spelen. Ik wilde hem dat plezier wel doen. Dat ik ermee ophield en ging organiseren en managen vond hij maar niets, want hij hield niet van impresario's. Hij vond hen dieven. Maar hij liet me begaan.

"Ik ben door mijn ouders heel erg verwend en dat besefte ik wel. Ik werd geboren uit het tweede huwelijk van zowel mijn vader als mijn moeder. Beiden hadden hun eerste partner in de kampen verloren; mijn vader ook nog zijn twee kindjes. Mijn moeder had zich kunnen verbergen, grotendeels onder de grond. Ik was voor hen een mirakel. Mijn moeder sprak nooit over de oorlog. Mijn vader verwerkte het zoals velen met grappen. Dat ze in de rij stonden in het kamp en al dagen niet gegeten hadden en zeiden: weer geen kreeft vandaag. Overlevingshumor.

"De muziek heeft zijn leven gered. Dankzij de grondige administratie van de Duitsers wist men dat mijn vader op het transport zat. Andere gevangenen hadden de kampleiding wijsgemaakt dat de meest ongelooflijke trompettist onderweg was. Toen hij aankwam, werd zijn naam afgeroepen en werd hij ingelijfd bij het kamporkest. Dat vertelde hij wel, maar meestal verdrong ook hij het verleden. Hij is opnieuw van nul begonnen, had zelfs nog even een orkest, maar dat vond hij niet meer leuk. Hij wilde de mensen niet meer amuseren, terwijl hij toch een vrolijke man was, met veel gevoel voor humor. Hij is iets helemaal anders gaan doen, in bouwmaterialen. Met mijn moeder ging hij wel nog naar optredens van mensen die hij kende en ik mocht mee achter het podium.

"Nu denk ik daar veel meer over na dan vroeger. Ik kan maar niet begrijpen hoe die man na de kampen weer een normaal leven heeft kunnen opbouwen, lachen, werken, ambities hebben, omgaan met mensen. Eén beeld zal ik nooit vergeten. In 1954 speelde België op de Heizel een voetbalwedstrijd tegen Duitsland, dat net wereldkampioen was geworden. De oorlog was nog maar negen jaar afgelopen. Ze speelden de volksliederen. Uit protest bleef mijn vader tijdens de Duitse hymne zitten, met zijn hoed op, tussen de mensen, maar ik moest rechtstaan. Ik moest respect betonen.

"Mijn ouders waren wereldburgers, moderne mensen. Zij reisden en keken verder dan de grenzen van hun stad. Ik ben heel liberaal opgevoed. We waren een van de vele, typisch Amsterdamse, joodse families die al honderden jaren geassimileerd en geïntegreerd waren, in de socialistische beweging stapten en allang niet meer gelovig waren. Door de woningnood in Nederland kwamen mijn ouders in 1952 naar Antwerpen. Bovendien werkte mijn vader voor een Belgische firma.

"Ik heb een schitterende jeugd gehad. Muziek was altijd in huis aanwezig. Ik kreeg allerlei kleine instrumenten en nog in Amsterdam, ik zal een jaar of vier zijn geweest, mocht ik het grote orkest dirigeren. Muzikanten kenden mijn vader en ik leerde de muziekwereld kennen van binnenuit. Op die manier wordt er een richting gegeven aan je leven, daar valt niet aan te ontkomen. Mijn twee kinderen heb ik laten zien dat je moet genieten van het leven. Het is niet omdat je veel werkt dat je dat niet kunt doen. Je kunt veel tijd maken. Gelukkig kon ik mijn gezin betrekken bij de wereld waarin ik werkte. Ik nam ze mee naar het voetbal of naar concerten. Mijn zoon is helemaal niet geïnteresseerd in voetbal. Hij komt wel eens kijken, maar het spel gaat totaal aan hem voorbij en hij begrijpt nog altijd niet wat mijn dochter daar zo mooi aan vindt. Zij is scheidsrechter en als het even kan, ga ik kijken hoe ze fluit."

'In 1965 was de sfeer in Antwerpen buitengewoon, het was een levende, bruisende stad met veel livemuziek, zowel voor jongeren als voor ouderen. Als tiener zag ik Catharina Valente optreden en Louis Armstrong, Marika Röck, Gilbert Bécaud, Aznavour, Edith Piaf. Antwerpen profiteerde aardig mee van de Amsterdamse provo- en hippiebeweging, het verlaten van de betreden paden. Ik was geen van beide, ik was te burgerlijk, en daarenboven een voetballer. Ik rookte niet, want dat was slecht voor een sportman. Ik had ook een heel andere vriendenkring, maar het stoorde me niet dat anderen zo leefden. Een figuur als Ferre Grignard, voor wie ik manager was, had net iemand nodig die wél op tijd kwam en zijn afspraken naleefde. Het klikte tussen ons. Na een jaar of drie, zijn glorieperiode met concerten in het buitenland, kwam er door gestook en geruzie uit zijn omgeving een breuk, maar later wilde hij weer terugkomen. Alleen was er te veel gebeurd, het kon niet meer.

"Ik begon met Het Pannenhuis, dat midden in de hippe buurt lag. Uit Amsterdam en Parijs kwamen ze naar de optredens die ik er organiseerde. Eerst kleine jazzavondjes, waar ik misschien 500 frank aan overhield. Intussen begon ik wat Antwerpse groepen te managen zoals The Pebbles, maar om echt een kantoor te kunnen runnen moest ik met meerdere groepen werken en voor ik er erg in had, leidde ik een impresariaat. De kleine concerten werden groter en ik ben heel snel naar Londen gegaan om te proberen Engelse groepen naar hier te krijgen. Mijn grote geluk is geweest dat er niemand anders was met hetzelfde idee en dat de grote impresario's in Londen zich omringden met jonge mensen omdat de oudere bazen niet zo veel voeling hadden met rockmuzikanten. Ik was zelf amper twintig en kon meteen onderhandelen met de bovenlaag. De muziekgroepen zelf begonnen ook nog maar net, dat waren nog geen big stars. The Beatles wel, natuurlijk, die kon ik niet krijgen, maar wel Gerry & The Pacemakers, Manfred Mann, Spencer Davies, The Kinks, Pink Floyd, Jimi Hendrix. Ik liet ze allemaal naar België komen voor een weekend of voor enkele dagen, waarop ze dan vijf optredens deden, dat kun je je nu niet meer voorstellen. In een bestelwagen reed ik ze van Mechelen naar Hasselt voor nog een concert op dezelfde dag. In de auto praatte je over voetbal en muziek. Het waren ook jongens uit arme buurten die beroemd wilden worden met voetbal of muziek. Als het even kon, nam ik ze mee naar het voetbal of gingen we shotten en zo kweek je een persoonlijke relatie.

"Het was pionieren. Jazz Bilzen bestond al, maar op vrijdagavond was er niets. Ik zei: laten we daar een rockavond van maken. Dat vonden ze goed en ik kreeg 100.000 frank budget. Vier maanden voor 'A whiter shade of pale' een monsterhit werd voor Procol Harum, had ik de groep al vastgelegd. In plaats van de voorziene tweeduizend man publiek stonden er tienduizend. En de andere groepen op de affiche waren de mijne, dus je moet al eens wat geluk hebben. Ik heb ook flops gehad, hoor. In 1986 liet ik Lionel Ritchie komen. De leadzanger van The Commodores, voor het eerst in Europa: iedereen was het erover eens dat het een gigantisch succes zou worden, dus nam ik twee avonden in het Antwerpse Sportpaleis. Ik had amper genoeg publiek voor één avond. Dat is een zware piqûre, dat verlies moet een figuur als Tina Turner later weer goedmaken."

"Als anderen wat je doet goed vinden, dat zijn de mooiste momenten. The Pebbles speelden in de Arena tijdens een groot indoorfestival met Wallace Collection, Jesse & James, Fleetwood Mac, Colosseum, grote namen op dat moment. Het grootste succes die avond had 'Seven Horses in the Sky'. Toen liepen mij backstage de tranen over de wangen. Of dit jaar, na de 3-0-overwinning van GBA tegen Anderlecht. Toen heb ik ook staan wenen. Dat is de bonus die je krijgt, niet het geld dat je eraan overhoudt.

"Als ik echt een zakenman was geweest in de stijl van a million dollar guy, dan had ik nu veel meer geld gehad. Ik ben geregeld geld kwijtgespeeld, zoals het eerste jaar hier bij Beerschot, omdat ik in mijn enthousiasme snel geneigd ben de initiatieven wat te overschatten of te denken dat iedereen ze zo leuk vindt als ik. Dan ben ik wel eens kwaad op mezelf, maar de volgende dag sta ik alweer te werken om het verlies in te halen. Ik werk nu zesendertig jaar en ben een workaholic geweest omdat ik het graag deed, dan moet je op de duur wel genoeg verdienen om er eens tegen te kunnen als het verkeerd gaat. Maar het is nooit mijn ambitie geweest om 'binnen' te zijn en niets meer te hoeven doen. Organiseren is een virus. Het is nog altijd zoals op school vroeger: mijn vinger opsteken. Ik was altijd al een leiderstype: 'Dat is nog niet eerder gedaan? Ik zal het eens proberen'. De uitdaging. En ik ben daar niet slecht mee gevaren. Misschien is het geldingsdrang of misplaatste zelfoverschatting, ik weet het niet."

'Muziek en voetbal hebben elkaar in mijn beroepsleven telkens afgelost. In 1984 ging ik bij FC Antwerp weg nadat ik er acht jaar manager-secretaris was geweest. Het voetbal was toen helemaal anders dan nu: eenvoudiger, amateuristischer ook en ik kon er mijn ei niet meer kwijt, het was te kleinschalig. Ik deed weer een organisatiebureau open en voor ik goed en wel gestart was, vroeg Alex Czerniatynski me om hem te helpen. Hij speelde bij Anderlecht, maar hij had wat problemen met Van Himst en wilde er weg. Terwijl hij met vakantie was, hielp ik hem aan een contract bij Standard Luik. "Toen dacht ik: als die clubs met mij rond de tafel willen gaan zitten om te onderhandelen over een transfer, moeten er ook nog andere zijn. Bemiddelen lag me ook. Het was een manier om na al die jaren in het voetbal de relaties die ik er had te benutten en het leek veel op het managen van muzikanten. De grootste transfers in die tijd gingen in België om 50 tot 60 miljoen. Nu gaan ze vier keer zoveel en in het buitenland nog veel meer. In verhouding met andere mensen verdienen die jongens enorm veel geld. Een degelijke speler, geen topper maar een vaste waarde, heeft toch altijd tussen de 4 en de 6 miljoen per jaar. Dat zijn serieuze salarissen. Maar in het buitenland gaat het door het plafond, daar is the sky the limit. Ik vind dat waanzin. Ik heb meer dan eens met een speler rond de tafel gezeten tijdens de onderhandelingen terwijl hij fijntjes zei dat hij nog eens zou nadenken over het bedrag dat hem werd voorgesteld en waarvan ik al geschrokken was. Dan dacht ik: hij is dat niet waard! Maar hij is waard wat de gek ervoor geeft, natuurlijk. En de grote clubs, zeker in het buitenland, hebben zoveel geld. De televisierechten worden ongelooflijk zwaar betaald en sponsors willen zulke hoge bedragen betalen om toch maar op de trui en dus op tv te komen. Al dat geld gaat naar de spelers, want het kapitaal moet op het veld staan. Daar komt voorlopig geen eind aan, die clubs zijn miljardenbedrijven.

"Neen, ik heb nooit iemand gehoord die daar ook maar het minste morele probleem mee had. Terwijl het systeem gemakkelijk te doorbreken is: als clubs collectief beslissen niet langer zoveel geld te betalen, gebeurt het niet meer. Maar altijd is er iemand die niet solidair is.

"Een makelaar krijgt een percentage. Ik werkte met een commissie die betaald werd door de club. Dat is tegenstrijdig, want ik verdedigde de belangen van de speler. Nu probeert men dat internationaal te veranderen en mag een erkende makelaar, eenmalig, 7 procent vragen van het jaarloon van de voetballer voor wie hij onderhandelt. Maar dat wordt alweer ontweken. Er gaan al geruchten op dat de makelaar ieder jaar zijn procentje wil opstrijken. En de clubs willen de makelaar tevredenstellen, of hij gaat elders met de speler die ze zo graag willen. Je kunt die makelaars een vergunning weigeren, maar dan doen ze het wel via via. Hoe meer geld er in omloop is, hoe meer malafide personages er tevoorschijn komen.

"De voetbalwereld verandert zienderogen. Ik wil geen moralist zijn en ik zeg ook niet dat ik de goede ben, maar er circuleren veel slechte mensen. Ik weet niet waar het eindigt. Ik maak me er ook geen zorgen over, het zijn tenslotte volwassenen onder elkaar. Voetbal is puur kapitalisme: de rijkste heeft de beste spelers. Vorig jaar zijn we een speler in Burkina Faso gaan halen. Hij had nog nooit voetbalschoenen aangehad. Niemand vond hem echt goed, maar hij heeft snel zoveel talent ontwikkeld dat hij nu weggekocht wordt door een andere club. Al zouden we hem het liefst houden, we kunnen hem niet het loon betalen dat hem daar voorgesteld wordt.

"De speler wordt ook steeds machtiger omdat zijn arbeidsvoorwaarden wettelijk aangepast werden. Maar hoe kun je een voetbalclub vergelijken met een ander bedrijf met dezelfde omzet, zoals men nu doet? De speler pakt het geld en beslist waar hij gaat spelen of wanneer hij zijn contract opzegt. Dat is funest. In voetbal is het team belangrijk. De trainer moet werken aan een groep die toch minstens een seizoen samenspeelt. Als het voor een speler mogelijk is om à la minute weg te gaan, heb je geen continuïteit meer. Dat is niet hetzelfde als bij Agfa Gevaert een ingenieur weghalen. Maar met het transfergeld van 80 of 100 miljoen kunnen wij, kleine ploeg, weer andere spelers kopen. Zo blijft het systeem draaien."

'Het was niet mijn bedoeling om directeur van GBA te worden, maar er gebeurde van alles tegelijkertijd. Germinal Ekeren was sportief een ongelooflijk succesvolle club, maar er kwam geen volk naar de wedstrijden en er mocht in hun stadion niet meer gevoetbald worden. Dus moest de ploeg uitwijken naar Beerschot. Dat was failliet, maar had nog een achterban. De samenwerking leek dus logisch, al blijven het verschillende voetbalculturen. Maar dit stadion was oud en vervallen, echt een ruïne. De stad zou het renoveren en beloofde 100 miljoen te betalen, maar wij zouden voor hetzelfde bedrag nog sponsoring zoeken bij Antwerpse captains of industry en ik deed ook mee, waarschijnlijk nog het meest enthousiast van allemaal. Ik stelde voor om in het buitenland een club te zoeken die wilde investeren. Ik ben eerst in Arsenal gaan vertellen hoe goed het ging met het Antwerpse voetbal en daarna in Tottenham, maar het was Ajax Amsterdam dat toehapte. Het werd voor 30 procent aandeelhouder. Ik wilde Wouter Vandenhaute van Woestijnvis als directeur. We hebben vijf dagen gebrainstormd over hoe we het zouden aanpakken, maar de voorzitter van GBA zag Wouter helemaal niet zitten, dat klikte absoluut niet. Daarom ben ik zelf algemeen directeur geworden, maar ik moest mijn activiteiten als makelaar stopzetten. Je mag immers geen Fifa-vergunning hebben als je in een club actief bent. Ik heb daar niet lang over nagedacht, terwijl ik toch een goed draaiend kantoor had waarvan ik comfortabel en op topniveau kon leven, want na zoveel jaar deed ik transfers met de grote jongens. "Ik heb me samen met een aantal mensen in de heropbouw van de club gestort. Hier is dag en nacht gewerkt. Er was niks, geen potlood of papier. We zaten tussen de zwermen muggen, ook in de winter, want die kregen ze niet weg, er was de stank, de ratten liepen door de tribunes en tussendoor moest er gevoetbald worden, moesten er processen gevoerd worden tegen de groene jongens, tegen nieuwe politici die de beloften van hun voorgangers niet na wilden komen, tegen de captains of industry die maar kleine luitenantjes bleken te zijn en eerst wilden zien of het allemaal wel zou lukken voor ze er hun geld in investeerden. Maar wij hadden het wel nodig. Dus heeft Ajax de meerderheid van de aandelen genomen. Zij zijn nu de baas en gelukkig maar, want zij hebben GBA gered."

'Die onwil, die tegenwerking vreet aan een mens, vooral aan mij. Ik trek mij dat veel te hard aan. Bij een aantal mensen kom ik waarschijnlijk verkeerd over. Hautain noemen ze me dan. Met sommigen heb ik ruzie omdat ik ongelooflijk veel scrupules heb en me deontologisch opstel, maar het spreekt vanzelf dat ik vind dat ik gelijk heb. Ik weet vooral dat ik ongelooflijk veel geld had kunnen bezitten als ik wat minder eerlijk was geweest. Ik zat in de milieus waarin dat kon.

"Ik heb me zo diep in deze voetbalclub geëngageerd, ik weet wat er door sommigen financieel beloofd is en nooit is uitgevoerd en dan word ik gepakt op normale verliezen die men mij persoonlijk aanwrijft terwijl ze eigen zijn aan het opstarten van een nieuw bedrijf. Dit is een naamloze vennootschap. Zo zijn er heel weinig clubs in België, de meeste zijn nog vzw's, verenigingen zonder winstoogmerk! Ajax is een beursgenoteerd bedrijf. De consultants Deloitte & Touche zitten hier continu in huis. Ze hebben de boekhouding doorgelicht en geven nu advies, waardoor we zo transparant en officieel werken als maar zijn kan, tot in het absurde toe. Bij Ekeren wist niemand wat het budget was en hoe het gespendeerd werd. Waarschijnlijk werd het ieder jaar aangevuld met het persoonlijke geld van de beheerders, maar zo creëer je de mythe dat men zuinig beheert. Bij Germinal Beerschot schrijven we onze transfers af over vijf jaar. Niet één club doet dat. Dat zijn reële kosten, maar de journalist die over voetbal schrijft, denkt daar niet over na en roept dat De Vries alles verspilt. Voor je het weet, begint dat imago een eigen leven te leiden.

"In een persartikel werd ik onlangs vergeleken met koning Midas, die eerst alles wat hij aanraakt in goud verandert maar daarna ezelsoren krijgt en verstoten wordt. Het was laaghartig, daar ben ik compleet van de kaart van geweest. Het is alles wat ik niet ben en hoe ik niet werk. Het kwetst me omdat zoveel mensen dat lezen en geloven wat er staat. Ook wie me goed kent, belde me op, en aan hun toon hoorde ik dat ze twijfelden of het nu waar was dat ik 600 miljoen zou hebben opgemaakt. Ik ga nu weg, mij moeten ze niet meer neerhalen, maar ze raken op die manier ook de club. Dat is zo jammer.

"Ik was aan de opdracht bij GBA begonnen voor vijf jaar omdat ik wist dat het zo lang zou duren eer de club goed zou lopen, maar ik haal het niet. Precies omdat ik het me allemaal te veel aantrek of omdat het moeilijker is dan ik dacht, dat geef ik toe. Niet eens, maar alle dagen zijn er conflicten. Het is een jonge fusieclub, waar verschillende culturen en meningen door elkaar lopen, visies die niet altijd de mijne zijn. Dat heeft invloed op mijn gestel en ik kan het niet meer aan. Mijn gezin heeft nooit beter geweten dan dat ik het druk had, maar ik vind dat ik de afgelopen twee jaar mijn vrouw heb verwaarloosd. Dat besef heeft mijn beslissing om ontslag te geven zeker ook beïnvloed. Dat ga ik nu eerst weer goedmaken. Daarnaast wil ik mijn gezondheid, die zienderogen achteruitgaat, weer wat op peil brengen. Ik heb diabetes. Twaalf jaar geleden, toen ik plotseling ziek werd, heeft men mij al gezegd: nu moet je heel anders gaan leven. Intussen zeggen mijn artsen: je moet niet meer op consultatie komen, je doet toch niet wat we zeggen, je blijft jezelf maar kapotmaken.

"Ik verdiep me niet eens in de ziekte. Ik weet dat ze na een aantal jaren sowieso verergert en dat ze een aantal organen in je lichaam kan aantasten. Je ogen, je nieren, je bloedvaten, je ledematen, kleine wondjes genezen slecht, je bloed stolt minder goed, je krijgt een gevoelige huid, je wordt emotioneler. Mijn schouder is geopereerd. Nu denkt men dat de diabetes de zenuwen misschien had aangetast. Maar zo leven duizenden mensen. Met een dieet, geen alcohol, geen zoetigheden, op gepaste tijden eten en drinken wat toegelaten is. Dat heb ik geprobeerd, maar niet echt zoals het moet. Je kunt tijdens vergaderingen niet zeggen: jongens, het is twaalf uur, we houden ermee op want ik moet een boterham met plattekaas eten. Je gaat door met praten en je eet met de anderen een broodje krabsla mee om halfdrie. Ik zou het beter kunnen regelen dan ik het nu doe, maar in deze drukke wereld is het heel moeilijk.

"Diabetes is een heel confronterende ziekte. Ik moet iedere dag twee keer insuline spuiten. Daardoor kan ik functioneren, maar daardoor weet ik ook dat de suikerwaarden in mijn lichaam slecht evolueren. Ik moet ervoor oppassen dat ik niet gehandicapt word. Daar ben ik erg bang voor. Een patiënt zijn voor mijn vrouw, dat wil ik zo lang mogelijk uitstellen. Ik heb alles met veel enthousiasme gedaan, maar er zijn grenzen. En die heb ik nu bereikt."

'Bij een aantal mensen kom ik waarschijnlijk verkeerd over. Hautain noemen ze me dan. Met sommigen heb ik ruzie omdat ik ongelooflijk veel scrupules heb en me deontologisch opstel, maar het spreekt vanzelf dat ik vind dat ik gelijk heb' 'Ik weet vooral dat ik ongelooflijk veel geld had kunnen bezitten als ik wat minder eerlijk was geweest. Ik zat in de milieus waarin dat kon''In een persartikel werd ik onlangs vergeleken met koning Midas die eerst alles wat hij aanraakt in goud verandert maar daarna ezelsoren krijgt en verstoten wordt. Het was laaghartig, daar ben ik compleet van de kaart van geweest. Het is alles wat ik niet ben en hoe ik niet werk'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234