Donderdag 08/12/2022

‘Orde was belangrijker dan knuffels’

Vier ex-bewoners van het Kortrijkse weeshuis Stella Maris hebben inmiddels klacht ingediend wegens seksueel misbruik. Velen die indertijd in het instituut verbleven, reageren verbijsterd: van pedofiele praktijken hebben ze nooit iets geweten. Voor sommigen was het tehuis een warm toevluchtsoord, voor anderen was het hoogstens een kille bedoening. Een portret achter de schermen van het weeshuis anno 1960.

‘Ik was een jaar of zes, zeven toen ik in 1960 samen met mijn drie jongere zussen werd afgezet bij het weeshuis op de Pottelberg”, vertelt Mireille Geldhof. “Onze moeder was gescheiden. We hadden nog één broer. De zorg voor vijf kinderen onder de zeven kon ze niet aan.”

En zo kwam het dat de zusjes op een avond voor de grote witte deur van Stella Maris stonden. “Wij waren aan het huilen, maar we werden ontvangen door een vriendelijke non. Ze gaf ons meteen een bord ‘smoelpap’ (griesmeelpudding, KH/LB).”

De grote witte deur is er nog steeds en ook de voorgevel van het voormalige weeshuis Stella Maris is dezelfde gebleven, maar verder herinnert nog maar weinig aan de tijd van toen. Binnen zijn alleen de inkomhal en een enkele gang gebleven zoals in de jaren ’60. De voormalige slaapzaal staat leeg en in de woonvertrekken van de wezen wonen nu de nonnen. De indertijd moderne kapel ligt er vervallen bij en de ‘boerderij’, een losstaand gebouw waar de oudere kinderen in leefgroepen samenwoonden, werd gesloopt en heeft plaatsgemaakt voor ultramoderne laagbouw die onder meer een kinderdagverblijf herbergt.

De geschiedenis van het weeshuis begint in 1841, wanneer een ouderloos kind bij moeder overste Ciska en haar zusters van Verrue werd afgezet, in het gebouw aan de Pottelberg. De zusters kreunden onder de hongerjaren en hadden de fondsen niet om het kind op te vangen, maar besloten er toch voor te zorgen. Het duurde niet lang voor het volgende weesmeisje zich aandiende, en Stella Maris uitgroeide tot een weeshuis waar kinderen tot hun 21 jaar werden opgevangen. In de jaren 1960 woonden er zo’n 145 kinderen. Zuster Aline (100) en zuster Bernadette (97) zijn de enige nog levende Verrue’s uit die tijd, maar hun leeftijd maakt anekdotes ophalen eerder moeilijk.

Mireille herinnert het zich nog wel. Tenminste, haar verhaal. Niet het verhaal van het misbruik. “Wij zijn er geweest tot 1967. Pal in de jaren waarin het misbruik zou gebeurd zijn, maar ik heb nooit iets gemerkt. Overdag hadden wij weinig te maken met de nonnen. Op school, ja, en in de mis zagen we ze ook, maar voor de rest hadden we er niks mee te maken. ’s Nachts sliepen de jongere kinderen in een slaapzaal en de oudere in chambrettes. Buiten op de gang surveilleerde een zuster, die ook in een aangrenzend kamertje sliep, maar ik heb nooit gemerkt dat daar iets verkeerd gebeurde.”

Mireille denkt met plezier terug aan haar kinderjaren in Stella Maris. “In het begin vind je het natuurlijk erg, maar achteraf bekeken waren we goed af. We hadden meer luxe dan vele andere kinderen.”

“Ik had het gevoel een perfect normaal leven te leiden”, vertelt ook Els*, die er in dezelfde jaren verbleef. “De concrete herinneringen zijn vaag, maar ik voelde me geliefd. We mochten naar de speeltuin, naar de tandarts buitenshuis. Ik had in die tijd ook een schoolvriendinnetje waarbij ik af en toe mocht gaan spelen. We kregen ook muziekinstrumenten. Ik prutste meestal wat op de accordeon."

Els zegt dat ze schrok, toen ze deze week de verhalen hoorde van de mensen die als kind misbruikt werden door de nonnen van Stella Maris. “Ik las over het misbruik, over hoe de zusters de kinderen vernederden, hoe ze hardhandig werden aangepakt. Maar mijn ervaring was helemaal anders. Als ik in bed had geplast, dan moest ik mijn natte lakens afgeven in de waskelder. Daarna mocht ik in de douche, en even later zat ik al aan het ontbijt. Toen ik negen was ben ik naar een ander weeshuis gestuurd. Een minder gelukkige periode: daarover praat ik niet graag.”

Poetsen en ontsmetten

Het weeshuis werkte volgens een strakke structuur. Dorien liep er in de tweede helft van de jaren ’60 stage als kinderverzorgster. “Er was een groep met zuigelingen en dan eentje die we ‘quarantaine’ noemden. Daar zwaaide zuster Germana de plak. Een heel mooie vrouw met donkere haren en een gebruinde huid, maar erg streng: alles moest tiptop in orde zijn. We deden niet anders dan poetsen en ontsmetten. Liters en liters Dettol moesten wij gebruiken.”

Ook de peuters zaten in groepjes in het grote kloostergebouw, maar vanaf een jaar of drie kwamen de kinderen in de leefgroepen in de boerderij terecht. Elke groep telde vijftien à twintig kinderen . Soms stond er een zuster aan het hoofd, meestal was het een leek. “Bij ons was dat tante Leen”, vertelt Mireille. “Een hele lieve, warme vrouw. Dat was echt onze moeder. Per groep hadden we een leefruimte en een kleine keuken. ‘Het huizeke’, noemden we dat.”

Els bestempelt moeder overste als een “kleine, vieze vrouw die vaak slechtgezind was”, maar verder hebben zij en Mireille overwegend goede herinneringen aan de behandeling in het weeshuis.

De voormalige kinderverzorgsters zien dat anders. “Het was belangrijker dat de doeken in een kast op een perfecte stapel lagen dan dat de kinderen geknuffeld werden”, zegt Dorien. “Alles was netjes en proper, maar tegelijkertijd ook heel kil en afstandelijk. Een kleintje met een vuile pamper moest gewoon wachten tot het aan de beurt was en wie in zijn bed had geplast, moest een koude douche pakken. Wij durfden daar niks over zeggen. We waren veel te benauwd van de zusters. Zij hadden alle macht. Al hadden ze al bij al niet veel te maken met het weeshuis: ik herinner mij zuster Martha in de wasserij, een zuster in de keuken en zuster Germana, maar dat is het dan ook.” Van de nu beschuldigde ‘tante Cécile’ en zuster Germaine herinneren ze zich niets. Een oude archieffoto toont echter wél een zuster Germaine. De vrouw trad in in het klooster in 1924 en stierf begin jaren ’80. Van een Cécile is geen sprake. Mogelijk was zij een leek.

“Het tehuis draaide zo goed als volledig op leken en stagiaires”, zegt Greet*, die ook in de jaren ’60 twee jaar stage liep in Stella Maris. “In mijn jaar alleen al waren drie klassen van telkens dertig leerlingen. Die werkten bijna allemaal ginds. Ach, van dat misbruik heb ik nooit geweten, maar ik had vooral medelijden met die kindjes. Zoveel dat dat er waren, en de meesten kregen nooit bezoek.”

Voor de oudere kinderen was veel minder compassie. “Die keken ons aan alsof wij hun slaven waren”, zegt Dorien verongelijkt. “En hoe die gekleed waren! Ultramodern. Ik denk niet dat ze bij de oudere kinderen zo streng waren als bij de jongere.”

Dat de kinderen worden grootgebracht in leefgroepen, geldt in de jaren 1960 als eerder vooruitstrevend. Tegelijk wordt het decennium gekenmerkt door de ontwikkeling van een nieuwe opvoedingsstijl, waarbij een lossere aanpak de disciplinaire, bijna militaristische opvoeding langzaam opzij duwt. Toch blijft de houding tegenover de kinderen eerder afstandelijk, weet professor Marc Depaepe, die aan de KULAK het vak geschiedenis van de opvoeding en onderwijs doceert. “Onder invloed van nieuwe pedagogische inzichten en maatschappelijke evoluties besloten almaar meer opvoeders voor wezen een gezin te imiteren, via leefgroepen. Maar het is niet omdat de organisatie van een familie geïmiteerd werd, dat het emotionele klimaat volgde. In die jaren leefde bovendien de constante vrees dat wezen en vondelingen bijna genetisch voorbestemd waren voor een leven in de criminaliteit of marginaliteit. Ook die angst verklaart waarom ze extra streng in de gaten werden gehouden. Al denk ik sowieso niet dat in de jaren 1960 in veel gezinnen geknuffeld werd.”

“In tien jaar tijd is toen veel veranderd in weeshuizen, maar we mogen aannemen dat nonnen die evoluties net iets trager omarmden. Bovendien zijn vrouwen die van jongs af in een klooster treden zelf nauwelijks emotioneel volwassen. Kinderen zijn dan een makkelijk slachtoffer. Dan heb ik het niet alleen over seksueel misbruik, maar ook de woede-uitbarstingen of ander kinderlijk gedrag. En hoewel het tot eind jaren ’60 normaal was dat zusters zorgende taken op zich namen - ze waren goedkoop en makkelijk inzetbaar personeel - hadden weinigen een opleiding gevolgd. Je kan je afvragen of ze wel allemaal zo geschikt waren om met kinderen te werken.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234