Vrijdag 25/06/2021

Optimistisch snakken naar verandering

an zodra je in Europa op een vlucht naar Kinshasa stapt, ben je een beetje in Congo. Altijd kom je op het vliegtuig wel een paar ‘Kinois’ tegen die je blijken te kennen. Dat ik deze keer zou reizen met choreograaf Faustin Linyekula, Congo’s bekendste podiumartiest, was zo gepland. Maar al op het busje dat ons op de Charles De Gaulle-luchthaven van de terminal naar het Air France-toestel brengt, word ik aangesproken door journalist Zacharie Bababaswe Wishiya. Zacharie is een Bekende Congolees, die furore maakte als ‘tv-host’ van een programma waarin alle grote muzieksterren de revue passeerden - de plaatselijke Jools Holland zeg maar. De tijden veranderen echter snel, zeker in Congo. Ondertussen is Zacharie zowat de officieuze woordvoerder van ‘first lady’ Olive Kabila en maakt hij zich permanent nuttig. Overal waar Olive zich laat zien, duikt ook Zacharie op. Begin 2009 was hij een van de gangmakers van de lastercampagne tegen kamervoorzitter en presidentiële rechterhand Vital Kamerhe, omwille van diens kritiek op het door Kabila bedisselde gemeenschappelijke legeroffensief met de Rwandezen tegen de Hutu-rebellen in Oost-Congo. Ondanks zijn onvoorwaardelijke en cruciale steun voor Kabila tijdens de verkiezingen moest Kamerhe eind maart aftreden, na maanden van stemmingmakerij. Zacharies loyaliteit legt hem in ieder geval geen windeieren: hij blijkt op de terugweg van de klimaattop in Kopenhagen. Het is één dimensie van het nieuwe Congo: de meesten hebben nog altijd amper de middelen om van de ene kant van de stad naar de andere te trekken, maar een kleine en politiek goed geconnecteerde jetset reist de wereld rond. Het onderscheid tussen politieke of journalistieke missie en plezierreis valt daarbij niet altijd te maken.

De N’djili-test

Bij aankomst rond een uur of zeven ‘s avonds op de luchthaven van N’djili belanden we in de gebruikelijke heksenketel. Niet alleen is het ongeveer 40 graden warmer dan in Brussel en schiet de decibelmeter meteen de hoogte in, ook langs de immigratie- en gezondheidsdiensten geraken en onze bagage recupereren vergt enige concentratie en koelbloedigheid. De interne organisatie op de luchthaven blijkt alweer op zijn kop gezet sinds ik hier een half jaar terug voor het laatst passeerde, zonder dat dat per se de efficiëntie ten goede kwam: waar je vroeger naar buiten kon, versperren nu militairen de weg. Een kleine twee uur na de landing kruipen we dan toch in een gammele auto richting stadscentrum. De ‘N’djili-test’ heeft zo zijn voordelen: van zodra je een voet op het tarmac zet, ga je kopje onder in een andere wereld. Die is niet vijandig of agressief, verre van zelfs. Een stevige dosis humor en relativeringsvermogen zijn zonder twijfel de beste glijmiddelen om alle mini-obstakels te passeren. Wel vreemd is dat er nog niks te merken valt van de renovatie van de luchthaven, die sinds 1 april 2009 als excuus wordt gebruikt om iedereen die via N’djili het land verlaat, een taks van 50 dollar aan te smeren. Een eenvoudige rekensom leert dat die zoveelste belasting uit het niets al miljoenen dollars moet hebben opgeleverd. Maar voorlopig is nog geen steen verlegd.Tijdens de zoals steeds turbulente rit door de stad naar ons hotel in de wijk Lingwala valt het Faustin Linyekula meteen op dat er van kerstversiering en -verlichting niet bijzonder veel te merken valt, ook al zijn we ondertussen 22 december en staat het symbolisch belangrijke jaar 2010 voor de deur. Normaal is er in deze periode van het jaar sprake van ware competities tussen wijken en zelfs straten die elkaar trachten te overtreffen met de gekste en meest originele kerstornamenten en ware lichtshows. In de loop van de week zal echter voor een stukje duidelijk worden waarom de ‘Kinois’ het deze keer noodgedwongen rustiger aan doen. Zowat iedereen die op de een of andere manier voor de overheid werkt, blijkt sinds eind oktober geen salaris meer ontvangen te hebben. Om toch nog wat Congolese francs over te houden voor een ‘feestmaal’ aangevuld met de nodige flessen bier van de concurrerende merken Primus of Skol, is er dus stevig het mes gezet in de rest van de kerstbudgetten.Daarnaast gooien ook de elektriciteitspannes roet in het eten. De schitterende acteur Papy Maurice Mbwiti had me aan de telefoon al gezegd dat het met hem ‘pas pire que le pays’ ging. Als ik hem bezoek in de centrale cité Kasavubu waar hij woont, begrijp ik wat hij bedoelt: er is in Kasavubu al twee weken geen stroom meer. En de supergetalenteerde jonge danseres Jolie die in de afgelegen en straatarme cité Selembao woont, vertelt me zelfs dat zij in december nog niet één dag elektriciteit hebben gehad. Geen kerstverlichting dus, maar evenmin een mogelijkheid voor Jolie om de dansdvd’s van Rosas en Ultima Vez te bekijken, die we de vorige keer bij haar achterlieten. Ook om de dvd-speler waarvoor ze maanden spaarde in gang te krijgen, is het natuurlijk nodig dat Selembao enkele dagen van ‘coupures’ gespaard blijft. Of ik haar dan maar een paar boeken kan lenen? Lezen bij kaarslicht gaat nog net.

Pijnlijke populariteitsstrijd

Dat het dagelijkse leven in Congo voor het gros van de bevolking na bijna 50 jaar onafhankelijkheid hard blijft, is een understatement van jewelste. Een miserabele staatsinfrastructuur, amper water of elektriciteit, zeer gebrekkig onderwijs en gezondheidszorg, te weinig goedbetaalde jobs en dus veel corruptie. Over de complexe redenen daarvoor lopen de meningen van de Congolezen danig uiteen; men geeft de zwarte piet zeker niet enkel aan de huidige machtshebbers. Toch manifesteren meer en meer Congolezen, ook al vinden wij hen vaak te gelaten en gehoorzaam, steeds vaker hun ongeduld, zelfs buiten de hoofdstad en op symbolisch belangrijke momenten en plekken die niet aan de aandacht van het politieke establishment ontsnappen. 7 november 2009 was zo een moment. Toen speelde de beste Congolese voetbalclub, Tout Puissant Mazembe uit Lubumbashi, in eigen huis de terugmatch van de finale van de Afrikaanse Champions League, tegen Heartland FC uit Nigeria. Na 2-1 verlies in de heenmatch leverde de 1-0 winst van Mazembe op 7 november Congo voor het eerst in 29 jaar nog eens een Afrikaanse Cup op. Reden tot groot feest natuurlijk, maar de wedstrijd draaide ook uit op een ongewilde en pijnlijke populariteitsstrijd tussen president Kabila, die de match bijwoonde en in het zuiden van Congo ooit erg populair was, en de gouverneur van Katanga en eigenaar van Mazembe, Moïse Katumbi. Katumbi, hoofdfiguur in de documentaire Katanga Business van de Belg Thierry Michel, speelt een sleutelrol in de relatieve wederopstanding van Katanga en is momenteel heel graag gezien. Toen Katumbi het stadion betrad voor de wedstrijd, stak het enthousiaste applaus schril af bij de uiterst kille ontvangst die de president te beurt viel - voor hem gingen de handen nauwelijks op elkaar. Katumbi bleek zelfs in die mate gegeneerd dat hij zich na de zege bewust op de achtergrond hield en de eer om ‘zijn’ Cup in de lucht te steken aan Kabila overliet. Maar het verhaal verspreidde zich wel als een lopend vuurtje over het hele land.Ook een vooraanstaand Westers ambassadeur hoorde ervan en koppelt het voorval aan de volgende presidentsverkiezingen, die zouden moeten plaatsvinden in 2011. Volgens de diplomaat zijn er twee grote vragen: komen die verkiezingen er in 2011 of worden ze uitgesteld? En dienen er zich concurrenten voor Kabila aan? Bemba lijkt definitief uitgeteld. Maar zowel gouverneur Katumbi van Katanga als de afgezette parlementsvoorzitter Kamerhe zouden volgens hem uitstekende kandidaten zijn, die zowel in de hoofdstad als in het oosten en zuiden van het land een sterke aanhang hebben. Of hen de ruimte zal worden gegund om zelfs maar deel te nemen aan de campagne, valt te betwijfelen. In de hoofdstad doet zelfs het gerucht de ronde dat Katumbi een officieus verbod kreeg om Katanga te verlaten en zich in de rest van het land niet meer mag laten zien. Dat gezegd zijnde: de populairste politicus in Kinshasa blijft allicht VS-president Obama. Zelfs de zakjes drinkwater die in de stad worden verkocht, dragen het opschrift ‘Eau Bama’. Toch heeft Obama natuurlijk geen Congolees paspoort en precies die cruciale ‘Congolité’ blijft vandaag een zeer gevoelig thema. Wie in Congo een politieke functie ambieert, maar de ‘Congolité-test’ niet passeert, riskeert dit vernietigend verwijt: ‘Oteki mboka! - je verraadde ons land!’.Even kenschetsend voor de kantelende sfeer was wat zich tijdens het weekend voor Kerstmis afspeelde in Kisangani, ook een machtsbasis van president en vredesbrenger Kabila. Uitgerekend in dat Kisangani gaf Werrason, één van Congo’s bekendste popsterren, op 19 december een groot concert in het voetbalstadion waar plaats is voor meer dan 5.000 mensen. Al is Werrason dan een soort van plaatselijke mini-Michael Jackson, van wie vele nummers door de Congolezen van a tot z worden meegezongen, zijn openlijke steun voor het regime wordt hem vaak kwalijk genomen. Zo ook op 19 december: op Werrasons vraag om een rondje applaus voor de president en voor de ‘5 chantiers’ - de 5 grote werven waaraan het hele beleid van Kabila is opgehangen - bleef het tweemaal compleet en akelig stil in het hele stadion. Alweer bereikte dat nieuws Kinshasa reeds de volgende dag.Een en ander zorgt natuurlijk voor een zekere zenuwachtigheid in bepaalde politieke kringen. Dat bleek al halverwege 2009, toen de première van Katanga Business van Thierry Michel in Kisangani werd verboden en de regisseur korte tijd door de politie werd ondervraagd. Het werd nooit duidelijk wie het bevel voor het verbod gaf, maar dat iemand toen al wilde vermijden dat de populariteit van Moïse Katumbi zich ook buiten Katanga verspreidt, is duidelijk. In het algemeen kan je je vandaag zeker niet van de indruk ontdoen dat er van een zekere verharding van het politieke klimaat sprake is, wie daarvoor ook verantwoordelijk moge zijn. In het hele land is het uitkijken voor mensen die zich kritisch uitspreken over politieke machthebbers en hun beleid. Onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten kwamen de voorbije jaren geregeld in de problemen, hetzelfde geldt voor priesters van de katholieke kerk die, in tegenstelling tot de inhalige charlatans van de evangelische kerken (‘Si ton dieu est mort, essaie le mien’…), een van de weinige verzetsbastions tegen maatschappelijke wantoestanden blijft. Daar betalen pastoors soms de hoogste prijs voor: zo werden in november en december van vorig jaar nog een katholieke zuster en priester op brutale wijze vermoord door onbekende gewapende mannen in Bukavu.

‘Les cadeaux des Chinois, ça ne dure pas’

Toch kan je niet zeggen dat de kerstsfeer in Kinshasa aan de vooravond van 50 jaar onafhankelijkheid defaitistisch of wanhopig is. Optimistisch blijven de Congolezen bijna altijd. Alleen: als er van enige politieke naïviteit sprake was, dan zijn ze daar ondertussen wel van verlost. Alwetende westerlingen durven weleens beweren dat democratie niks voor de Congolezen is en dat het land vooral baat zou hebben bij een verlicht despoot. Wie echter in 2006 de verkiezingen meemaakte en de ongelofelijke motivatie en bereidheid waarmee de gewone Congolezen in aartsmoeilijke omstandigheden gingen stemmen, kan zo’n uitspraken moeilijk anders dan cynisch vinden. De veelal jonge Congolezen die ik spreek, zijn politiek ongelofelijk goed geïnformeerd en willen niet liever dan tekenen van wederopstanding zien. Ze snakken naar een groot en wervend project van maatschappelijke wederopbouw waar ze de schouders onder kunnen zetten. Maar hun president laat zich naar hun zin te weinig zien en als ze al iets horen, dan worden de woorden te zelden omgezet in krachtdadig beleid. De ‘5 werven’ waarover sinds de verkiezing van Kabila in 2006 zoveel te doen is, leverden voorlopig weinig resultaten op, ondanks de enorme publiciteitspanelen die sinds kort in heel de stad te zien zijn. Daarop staat telkens de kop van de president, naast een afbeelding van hoe een bepaald vervallen stadsdeel er binnenkort moet gaan uitzien. Maar over termijnen of strategieën wordt niks gezegd en waar men toch al in actie schoot, vallen de veranderingen vaak tegen. De legendarische ‘Boulevard du 30 juin’, die de voormalige koloniale wijk Gombé doorkruist, is een goed voorbeeld. Wat vroeger een vervallen, maar mooie koloniale laan was, in tweeën gedeeld door en afgegrensd met statige oude bomen, is nu vermassacreerd tot een grote landingsbaan. Met glad asfalt, omgehakte bomen en zonder rijvakken. ‘s Nachts op ‘de 30 juin’ rijden is dan ook levensgevaarlijk. En gezien in de heraanleg van de parallelstraten niet werd geïnvesteerd, blijft overdag ook het verschrikkelijke verkeersinfarct op de centrale as een feit. Wie voor die gebrekkige resultaten door de bevolking niet zelden verantwoordelijk worden gehouden, zijn de Chinezen. Niet dat er van enige xenofobe agressie tegen hen sprake is, geenszins. Maar ondanks de enkele Chinese scholen en hospitalen die in de stad opdoken, is het vooral de povere kwaliteit van het Chinese werk die de Kinois opvalt. Daartegen zetten ze dan hun beruchtste wapen in: bijtende humor. Alle Chinese producten hebben in Kinshasa de reputatie ‘à usage unique’ te zijn. Zelfs zeer grove grappen doen de ronde. Zoals die over de jonge Congolese die zwanger raakt van een Chinese man, maar haar baby al op de dag van de geboorte ziet sterven. Familie en vrienden verzamelen zich rond het kraambed om haar te troosten, maar de jonge moeder blijkt niet verrast: ‘Vous savez quand-même tous que les cadeaux des Chinois, ça ne dûre pas.’Ook los van de ‘5 werven’ wordt er in Kinshasa wel degelijk veel gebouwd, zeker in het centrale Gombé. Jammer genoeg gaat het vooral om sjieke appartementsgebouwen waarin luxeflats terecht zullen komen, als het even kan stevig ommuurd. Ook in Kinshasa is de ‘gated community’ vandaag een feit. Op zich mogen zulke prestigeprojecten - naar het schijnt alweer vooral gefinancierd met Chinees en Indisch kapitaal - er uiteraard zijn. Congo heeft enorme behoefte aan het onstaan van een lokale en kapitaalkrachtige middenklasse. Maar de vele panelen waarop voor de ‘Crown-Tower’ of ‘La cite du fleuve’ reclame wordt gemaakt, hebben toch iets surrealistisch in een stad waar miljoenen mensen geen elektriciteit of stromend water hebben en de meesten met zijn tientallen op enkele vierkante meters samenhokken. Sociale woningbouw zou een net iets belangrijker prioriteit mogen zijn dan peperdure condo’s.

Jaar van ontwaken of jaar van de grote excuses?

Wat verwachten de Congolezen zelf nu van dat o zo belangrijke jaar 2010, waarin hun land op 30 juni zijn vijftigste verjaardag viert? Het hangt er allemaal een beetje vanaf met wie je spreekt. De vermaarde historicus en professor Isidore Ndaywel, coördinator van het wetenschappelijk comité van de ‘Cinquantenaire’, hoopt dat 2010 vooral een “jaar van ontwaken wordt”, voor de Congolezen die moeten inzien dat de wederopbouw van het land eigenlijk nog maar net is gestart, maar ook voor de Belgen die volgens Ndaywel moeten oppassen dat ze niet in “een verkeerde vorm van nostalgie vervallen, waarbij het lijkt alsof vroeger alles beter was”. De jonge schrijfster Marie-Louise Mumbu vreest dan weer dat 2010 “het jaar van de grote excuses” wordt, waarin het regime de investeringen in de festiviteiten misbruikt om te verklaren dat er verder bitter weinig is gebeurd. En in 2011 komen er volgens Mumbu in geen geval verkiezingen. Zelfs een jonge politicus zoals Jean B., vicegouverneur van een belangrijke provincie in het oosten van het land, maar op kerstbezoek in de hoofdstad, is eerder kritisch voor de politieke alliantie die president Kabila ondersteunt. Hij vindt dat 2010 op zijn minst een stevige regeringswissel moet brengen, “al was het maar omdat de bevolking daar stilaan luidkeels om vraagt”.Hoe moeilijk het leven in Kinshasa soms wordt, blijkt nog maar eens op kerstavond. Een half uur voor ik naar mijn kerstafspraak in de cité van Bandal moet vertrekken, barst er een hels tropisch onweer los, verre van ongewoon in deze tijd van het jaar. Maar omwille van de gebrekkige afwatering loopt de hele stad telkens onder water. Chauffeur Robert ziet het niet meer zitten om nog te vertrekken, maar na enig aandringen wagen we het er toch op. We blijken zowat de enigen te zijn. Robert kent gelukkig de ‘code de la route’ bij slecht weer: stapvoets rijden en steeds het midden van de weg houden, om onzichtbare rioolputten te vermijden. Rondom ons: ‘Kinois’ die blootsvoets door het water waden, schoenen in de hand, in een poging om toch nog voor het ‘kerstdiner’ thuis te raken. Het kost ons uiteindelijk meer dan een uur om de enkele kilometers af te leggen tot bij de geweldige bar ‘Chez Ma Starlette. Nul part ailleurs’, waar het ondanks de stortbui volop ambiance is. Ook al is het zelfs in het vurige Bandal met de kerstverlichting eerder triest gesteld, toch is er wel geld voor vele bakken Primus en wordt er stevig gefeest, tot 8u ‘s ochtends op kerstdag. En op die kerstdag wordt er in de cite van N’djili dan weer gewoon voortgefeest met de muzikanten van Staff Benda Bilili: vijf heren op leeftijd in een rolstoel, die op het Belgische label Crammed Discs in 2009 met hun cd Très Très Fort voor één van dé wereldsuccessen zorgden in de categorie wereldmuziek. In een kleine achtertuin in N’djili geven dezelfde heren die afgelopen december nog Brussel en Londen plat speelden, een kerstconcert voor 50 man. Eigenlijk wil je hier best veel geld voor betalen, maar hier krijg je het gratis. Al wie het nog niet wist, krijgt alweer een overtuigend bewijs: het culturele en muzikale hart van Congo klopt nog steeds op volle toeren.

Vele kleine verzetshaarden

Wie zich blindstaart op de incompetentie of corruptie van een stevig deel van de Congolese elite, of op het macro-economische verhaal van wild en ongecontroleerd kapitalisme dat Congo en andere Afrikaanse landen in zijn greep heeft, kan gauw tot de conclusie komen dat er in Congo niet één serieus mens rondloopt en dat iedere investering bij voorbaat zinloos is. Toch kan wie de moeite doet om het gesprek aan te gaan met sleutelfiguren uit de civiele samenleving, zoals de culturele en wetenschappelijke wereld, niet anders dan tot de conclusie komen dat er heel wat grote talenten en lucide geesten rondlopen, die perfect inzien hoe het met hun land gesteld is. En niet zelden proberen ze op hun eigen terrein en op relatief kleine schaal het voorbeeld te geven dat het ook echt anders kan - zo creëren ze vele kleine verzetshaarden. De succesvolle choreograaf en regisseur Faustin Linyekula is een graag geziene gast op het Festival van Avignon of het Brusselse KunstenFestivaldesArts. Het hippe Franse magazine Les Inrockuptibles riep hem net nog uit tot een van de artiesten van 2009. Maar de helft van het jaar brengt Linyekula trouw door in zijn geboortestad Kisangani, waar hij een dynamisch netwerk van kleine kunstencentra aan het uitbouwen is. Filmregisseur Djo Munga is momenteel dan weer volop bezig met de opnames van zijn eerste langspeelfilm, de thriller Viva Riva, middenin de cités van Kinshasa. Munga zwoegde jaren om een budget van 1.5 miljoen euro bij elkaar te krijgen, eigenlijk nog altijd een miljoen te weinig om een beetje comfortabel te kunnen werken. Maar de film komt er en zal waarschijnlijk in mei in première gaan op het Festival van Cannes. 45 Congolese acteurs en figuranten werken eraan mee, daarnaast ook nog eens 60 technici met, naast vele jonge Congolezen, ook enkele prestigieuze camera- en geluidsmensen uit België, Frankrijk en Canada. Munga is niet enkel filmmaker, maar eigenlijk ook een kleine ondernemer die in zijn kielzog een jonge generatie opleidt. Ze krijgen een enorme stimulans om het heft in eigen handen te nemen en voor zichzelf mogelijkheden te creëren die hen uit de impasse helpen. Natuurlijk kunnen artiesten en cultuurwerkers een land als Congo niet in hun eentje uit het slop halen, verre van. Maar zonder hen zal het evenmin lukken. In het vormen en inspireren van getalenteerde jonge Congolezen die het de volgende decennia voor het zeggen zullen krijgen, spelen ze een cruciale rol. Bovendien zijn hun ‘good practices’ precies wat er nodig is om stapje voor stapje voor een mentaliteitswijziging te zorgen bij een kleine, maar broodnodige artistieke en intellectuele elite. Jammer genoeg worden artiesten als Linyekula en Munga echter nog altijd niet voldoende gesteund en vallen hun culturele projecten tussen allerlei subsidiestoelen door. Dat er zo ontzettende kansen worden gemist, heeft bijvoorbeeld een van Afrika’s grootste denkers, de briljante professor Achille Mbembe van de universiteit van Johannesburg, al lang begrepen: “De verstandhouding tussen westerse culturele financieringsinstellingen en plaatselijke kunstenaars en ontvangers is nog nooit zo slecht geweest. In plaats van kunst te maken zijn veel kunstenaars op het Afrikaanse continent gedwongen een groot deel van hun tijd, energie en intelligentie te stoppen in het invullen van overbodige bureaucratische formulieren, in bedelen, in wanhopige pogingen om te voldoen aan voortdurend wijzigend beleid en nieuwe rages, als ze al niet bezig zijn de stemming te peilen bij lichtgeraakte culturele attachés van westerse consulaten of instellingen waar ze wat ondersteuning hopen te krijgen. Wat een verspilling.” Het valt te hopen dat we in België ook niet te veel van de energie die we investeren in de herdenking van 50 jaar Congolese onafhankelijkheid, verspillen aan misplaatste nostalgie of aan agenda’s die enkel de onze zijn, maar waar de Congolezen die we vandaag zouden moeten steunen, niks aan hebben. Dat is precies waar Achille Mbembe maar ook Isidore Ndaywel ons voor waarschuwen. Ook al is 2010 intussen gestart, het is niet te laat om over hun raadgevingen nog eens goed na te denken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234