Vrijdag 30/10/2020

Opsporing verzocht: kunst, met een reukje

Waar zijn de honderden waardevolle sculpturen, mallen van dieren en de bronsgieterij naartoe die vier jaar geleden uit het atelier van de tot ver buiten de landsgrenzen gerespecteerde dierenbeeldhouwer annex animalier Ronald De Winter verdwenen? Een levenswerk dat plaats moest maken voor het fel besproken migratiemuseum van de stad Antwerpen, zo bleek later. 'Die stinkende rommel is wellicht naar het stort', is nog altijd slechts een van de mogelijke hypotheses.

Peter Goris

'Dertig paardenpoten, acht koeienpoten, twee paardenkadavers, een rendierkadaver, een vos, dertien paardenkoppen, koppen van een rendier, van een reebok, van een gazelle, van een rode bosbuffel, van een pekari en van een beverrat, twee roodwangschildpadden, een steenuil, een zanglijster, drie merels, de resten van een knobbelzwaan, een bosfazant, een kievit, een jan van gent, een ibis, een kraai, een vleermuis, acht struisvogels, een zwanenpoot, twee reigerspoten, twee vleermuizen en het vel van een netpython.'

Het moet wellicht een van de vreemdste opsommingen zijn die de rijkswacht anno 1999 in een proces-verbaal goot. In januari van dat jaar werden ze naar de Red Star-loods (ooit de vertrekplaats van de boten voor de Red Star Line, die miljoenen landverhuizers van Antwerpen richting New York bracht, PG) aan de Montevideostraat naast het Antwerpse Kattendijkdok geroepen. Na een anonieme klacht over geurhinder van 'rottende kadavers'. "Och ja, dat herinner ik me nog levendig", vertelt de 'anonieme' klager vandaag: een bejaard koppel uit de naburige Braziliëstraat, in het enige woonhuis dat in de buurt nog overblijft in een zee van verlaten loodsen, leegstaande krotten en een enkel bedrijf. "Hier achteraan in ons 'magazijn' zat er een groot gat in de wand, waarlangs de stank ons huis binnenkwam. Een rottende geur, van de beesten van 'die mens', hé. Ja, we hebben toen klacht ingediend. En de rijkswacht is het komen verzegelen, met dikke kettingen."

'Die mens' heet Ronald De Winter, inmiddels bijna 49 jaar oud. "Een van de beste nog actieve animaliers (dierenbeeldhouwers)", klinkt het unaniem bij vriend en zelfs - af en toe - vijand. Een Antwerps kunstenaar met een reputatie. Het beeld van de gorilla Gust in de Antwerpse Zoo (eigenlijk met gorilla Kaisi als model, PG), de groep geiten aan de Kern in Wilrijk, een bronzen bonobofamilie voor Planckendael, het Boudewijn-standbeeld in Aalst (een van zijn 'menselijke' werken), een groep van zeven levensgrote lopende paarden, Les Ailes de Chantilly, op het kasteeldomein van de gerenommeerde Dieleman Gallery in het Waalse Grand-Leez... Allemaal pièces uniques.

"In de wereld van de animalierkunst is Ronald De Winter zonder twijfel een gerespecteerd en bijzonder goed artiest", beaamt Daniel Van Wilderode, verkoper bij diezelfde Dieleman Gallery. "Wij hebben hier inderdaad een van zijn belangrijkste werken staan, de zeven paarden in polyester. De waarde? Kunst is iets waar men moeilijk zomaar prijzen op kan plakken. Maar om een indicatie te geven... We hebben hier bijvoorbeeld een koala in brons van hem staan, zeventig centimeter groot. En daar moet je toch 12.000 tot 13.000 euro voor ophoesten. En als je over die paarden spreekt, denk dan al maar aan minstens het tienvoudige..."

Geen klein bier, met andere woorden. Alleen werkt zo'n animalier voor de buitenwereld nogal 'onorthodox', "morbide" zeggen anderen zelfs. De Winter streeft voor zijn beeldhouwwerken van dieren naar eigen zeggen 'anatomische perfectie' na; waarvoor hij kadavers als studie- én werkmateriaal voor de vervaardiging van mallen gebruikt. Van platgereden katten op straat en dieren uit het vilbeluik tot dode lichamen van beesten uit de dierentuin: voor de kunstenaar hebben ze betekenis. "Die dierenkadavers - allemaal legaal verkregen, overigens - horen bij mijn stijl. Het is mijn manier van werken. Net zoals een tekenaar een potlood nodig heeft om te kunnen tekenen. Ik wil gewoon mijn job doen", zou De Winter ontelbare keren proberen uit te leggen. "Ik boots hun lijfjes na om ze te conserveren. Want zelfs als ze dood zijn, zijn die dieren nog mooi."

Een werkwijze die blijkbaar niet overal op gejuich onthaald werd. Terwijl De Winter in Chantilly aan zijn paarden werkt, wordt midden jaren negentig zijn toenmalig atelier in de kapel van het voormalige Militair Hospitaal in het Antwerpse Merksem (in bruikleen gekregen om aan zijn Boudewijn-monument te werken) zonder zijn medeweten ontruimd door het leger. Het overgrote deel van zijn werk én materiaal verdwijnt spoorloos of wordt in stukken en brokken teruggevonden. "Vandalen", zegt het leger. De zaak wordt door de krijgsraad geklasseerd.

Wat nog resteert van zijn werk brengt hij twee jaar later over naar zijn inmiddels nieuwe atelier, de genoemde Red Star-loods aan het Antwerpse Eilandje. "Dankzij een beslissing van het Antwerps schepencollege", vertelt De Winter. "Een schitterend pand voor iemand als ik." De animalier voelt er zich snel thuis. Maar even snel beginnen de problemen opnieuw. Nog geen jaar later blijkt tijdens zijn afwezigheid plots het slot geforceerd en binnengebroken, zonder dat er iets gestolen wordt. "Ze kwamen alles opmeten", zegt De Winter.

'Ze' zijn volgens hem mensen uit de immobiliënsector, gesteund door eigenaar het Havenbedrijf en hoge functionarissen in het stadsbestuur. "Wat was voor hen interessanter: een kunstenaar die daar zijn ding deed in een loods of een groot stuk bouwgrond op het Eilandje dat vrijkwam voor verkoop?", stelt De Winter de vraag. Hij geeft zelf het antwoord. "Ze wilden alles plat gooien, om er volgens de geruchten toen een Grand Café neer te zetten, en een dancing. Gelukkig heb ik me toen mee ingezet om het pand te laten klasseren. Dat was wellicht de grote 'fout' die ik gemaakt heb, om de hele zaak te laten escaleren."

Havenbedrijf en stadsdiensten waren volgens De Winter belust op wraak. "Ik kreeg de boodschap dat ik weg moest, hoewel ik een contract had en altijd braaf mijn huur (ongeveer 5.000 frank) betaalde, ook al beweerden ze het tegendeel. Ze stelden me voor om te verhuizen naar een nieuw atelier, in de oude papierfabriek van Merksem. Gratis zelfs."

Het was buiten de koppige geest van De Winter gerekend. "Waarom zou ik daar weggaan? Om plaats te maken voor een of ander vastgoedproject? Ik dacht er nog niet aan", blikt hij nu terug. "En toegegeven, ik ben geen gemakkelijke, een dwarsligger zelfs. Zo heb ik altijd willen vechten tegen de verminking van mijn stad en het platgooien van die loods hoorde daar in mijn ogen bij. Ik voelde me ergens zelfs verantwoordelijk voor dat pand. En zonder zielig te willen klinken, als ik Fabre of Panamarenko had geheten, hadden ze me daar waarschijnlijk met rust gelaten. Niet dus."

In januari 1999 volgt dan de anonieme klacht wegens geurhinder. De Winter moet alle aanwezige (gemummificeerde, met formol behandelde) dierenkadavers opruimen, een deel wordt vernietigd. Ook al besluit het ministerie van Volksgezondheid dat er geen sprake kan zijn van 'gevaar voor bse en handel in beschermde diersoorten'; zoals gefluisterd werd. Enkele jaren later volgt toch de rekening, van de Antwerpse strafrechter: 60.000 frank wegens 'milieuhinder'. Het zou pas het begin van de echte ellende betekenen...

Augustus 2005. Ronald De Winter loopt druk gesticulerend door 'zijn' ondertussen lege Red Star-loods. "Hier lagen tonnen ijzer opeengestapeld, hier mijn sokkels, daar mijn Japanse houten platen, kleine ijzeren paardjes daartussen, hier mijn maquettes, daar tegen de muur een hele rij beelden van mensen in ijzerbeton, mijn ijzeren skeletten van paarden, van apen, tientallen dierenkoppen in Italiaanse klei, schilderijen, een houten podium, daar de bronsgieterij, de lasinstallaties, vaten polyester en silicone... En overal daartussen mijn 'moules' natuurlijk, mallen voor mijn beelden. Van een baviaan, een Chinese luipaard, een slang, een Sint-Bernard, een eekhoorn, een fazant, koeien, paarden, veulens, schapen, zo'n vijftig kippen, roofvogels... Te veel om op te noemen, allemaal levensgroot."

Sinds 17 september 2001 is hij het allemaal kwijt. Op die datum vond de ontruiming plaats, op last van het Havenbedrijf. En opnieuw terwijl De Winter afwezig is (wegens de ziekte van zijn vrouw, die later aan botkanker overlijdt), wordt zijn hele atelier in drie dagen tijd onder leiding van een deurwaarder volledig leeggehaald. "Met een camionette voor de kleine zaken en meer dan tien containers - van de stad, nota bene - stonden ze hier, hebben getuigen me verteld", zucht De Winter. "Met vorkliften hebben ze de hele inboedel opgeladen. Alles. Negentien ton in totaal. Kan iemand zich dat voorstellen? Al het werk van jaren... Alles in een klap verdwenen."

De snelheid waarmee de havenautoriteiten te werk gaan, wordt nog geen half jaar later duidelijk. De Red Star-panden en -gronden blijken een van de loten te vormen die het Havenbedrijf nu wel echt snel wil verkopen. Het vastgestelde oorspronkelijke minimumbod: 676.749 euro. Onder impuls van de Eugeen Van Mieghem Stichting en de stad Antwerpen wordt echter het plan gelanceerd om in de geklasseerde gebouwen een migratiemuseum à la New Yorks Ellis Island onder te brengen. Het plan werd aanvaard. De overdracht van de gebouwen aan de stad zou volgens het Havenbedrijf vandaag "nog slechts een formaliteit zijn". De bouw van het Red Star Memorial-museum zou daarna volgen.

Het zal Ronald De Winter allemaal een zorg zijn. Hem interesseert waar zijn werk en materiaal naartoe is. "Ze hadden me al eens gewaarschuwd: 'We gaan uw rommel op straat gooien', maar ik geloofde dat niet. Maar dat is er dus gebeurd", vertelt De Winter. "De machines zouden ze volgens enkele getuigen al verdeeld hebben in het atelier zelf. Voor de rest is er volgens mijn informatie volk geronseld om letterlijk de buit te verdelen. Mensen hebben me verteld dat de containers wellicht naar een plek achter de groothandelsmarkt gegaan zijn, waar de beste stukken verdeeld en verkocht zijn. Jammer genoeg heb ik daar geen bewijzen van."

Een versie die met klem wordt tegengesproken door de betrokken diensten. "Ik heb inderdaad vernomen dat deze man meende dat er daar een hoop kunstwerken waren verdwenen", zegt gerechtsdeurwaarder Dirk Corstjens, in naam van zijn collega Johan Genbrugge, die de effectieve uitzetting deed. "Maar alles wat daar in die loods zat, is volgens onze info afgevoerd als stortafval. De behandeling van de inboedel is in principe ook niet onze taak. Wij zijn verantwoordelijk voor het uitruimen van de loods en zetten alles op de stoep. Wat er daarna mee gebeurt, dat is de taak van de aanwezige politie-inspecteur."

Die inspecteur is echter kort. "Ja, ik kan me die zaak nog herinneren", wist Henri Visschers van de politiezone Antwerpen Noord gisteren aan de telefoon te melden. "Maar meer commentaar mag en kan ik daarover niet geven."

Is het echter niet de taak van een gerechtsdeurwaarder om waardevolle zaken te noteren? "Wij zouden inderdaad eventueel beslag hebben kunnen leggen, om bijvoorbeeld de juridische kosten te kunnen verhalen", beaamt gerechtsdeurwaarder Corstjens. "Maar dat heeft mijn collega Genbrugge toen niet opportuun geacht. In zijn ogen hadden die zaken geen waarde om op te laden of te verkopen. Daarna kunnen de stadsdiensten nog eventueel uitmaken wat er naar het stadsmagazijn gaat voor bewaring en wat naar het stort. Maar nog eens, dat is onze verantwoordelijkheid niet meer."

Corstjens verwijst graag door... "Wie die opruiming doet? Wij werken altijd met dezelfde firma, Codiline om precies te zijn, die vast verbonden zijn aan het veilinghuis. Zij werken trouwens voor het gros van de deurwaarders. Wij nemen hen mee als 'werkvolk', om leeg te maken of eventueel bij beslag goederen te stockeren tot ze geveild worden. Maar nog eens, er was in deze zaak geen sprake van beslag en zij hebben dus niets moeten meenemen. Of ze lukraak wat konden uitkiezen? (verontwaardigd) Absoluut niet."

Hallo Codiline (brocanteurs en opruimers van inboedels, met vestiging op de overbekende Vrijdagmarkt, leert het telefoonboek). "September 2001... Een loods van een kunstenaar... Ja ja, dat zegt me iets", herinnert werknemer Dirk Lambrechts zich na amper een minuutje denken. "Ik kan alleen maar bevestigen dat de normale procedure daar is gevolgd. We zetten voor de deurwaarder alles op straat en daar wordt de verdeling gemaakt: wat naar het stort, wat naar het stadsmagazijn, wat wordt in beslag genomen en geveild."

"De beslissing in zijn geval? (luide lach) Daar zat niet veel bij om te verkopen, zenne. Kunst? Misschien in zijn ogen, maar volgens mij was daar maar één ding mee te doen: opstoken. Ik herinner me vooral die stinkende kadavers. Een lugubere bedoening, echt niet smakelijk. Beelden? Kan zijn, ja. Maar die zullen ze dan wellicht ook mee weggegooid hebben. Iets meegenomen door ons of andere omstanders? (ook al verontwaardigd) Onmogelijk. En zelfs als we het hadden gewild, dan zouden we dat nog niet gedaan hebben. Wij maken wat mee, maar zo'n vettige boel... Dat hadden zelfs wij zelden gezien."

Blijft één optie over: stort óf stadsmagazijnen. Helaas. "Ik ben op de Hooge Maey en andere mogelijke stortplaatsen langs geweest en ze zegden me telkens dat het gros van dat materiaal daar zelfs niet toegelaten was, als ze er al mee afgekomen waren", beweert De Winter. En op het stadsmagazijn, aan de Havanastraat achter de politieschool, is een medewerker eveneens formeel: "Wees maar zeker dat ik die zaak ken. Hijzelf met zijn advocaat, de deurwaarder, de politie... Allemaal zijn ze bij ons - toen zaten we nog op de Olieweg aan Antwerpen-Zuid - langs geweest voor 'die zaak'. En ik kan u enkel vertellen wat ik al zoveel keer heb moeten herhalen: bij ons is er nooit iets van die man binnen geweest. Honderd procent zeker. Ten andere, sinds 1975 zijn we nog maar zes maanden verplicht om alles bij te houden. Daarna wordt dat openbaar verkocht. Maar nee dus, bij die inboedel van hem is dat nooit gebeurd."

Voer voor gerechtelijke diensten, lijkt zoiets. Die overigens een klacht van De Winter kregen over de hele zaak. Opnieuw helaas. "Sinds juni van dit jaar is de onderzoeksrechter ontlast van dit dossier, zonder dat er officiële beschuldigingen zijn gebeurd. Voor ons is deze zaak dus geklasseerd", klinkt het - "anoniem, alsjeblieft" - binnen het gerechtsgebouw. "Probeer eens bij het Havenbedrijf of die er nog iets van weten..."

Opnieuw helaas. "In juni 2001 is een vonnis tot uitzetting uitgesproken tegen de heer De Winter, wegens het stopzetten van de concessie", begint een woordvoerster een droge opsomming. "Hij wist dat hij eind augustus dat pand moest verlaten hebben en hij had drie maanden om daar gevolg aan te geven. Dat gebeurde niet, waarna half september dan de 'uitdrijving' heeft plaatsgevonden. De aanleiding volgens ons? Dat doet er niet meer toe. Wat er daarna met die zaken is gebeurd? Dat is niet onze verantwoordelijkheid. Kijk, voor ons is dat dossier afgesloten. Goeiedag."

Hoewel hij zelf uiterlijk blijft lachen en weer helemaal actief bezig is in alweer een nieuw atelier - "Waar? Dat zeg ik niet meer (lacht)" - doet de hele historie De Winter nog altijd pijn. "Noemen ze het allemaal 'rommel'? (windt zich op) Ik geef toe, ik was niet proper. Ik kan ook niet proper werken. Ik hou niet van steriel werk. En ik moet ook veel maken om er iets goeds uit te kunnen halen. Ik moet kunnen knoeien om mezelf te kunnen bekritiseren. Kunst is soms vuil voor mij. Dat hoort bij het scheppingsproces..."

"Wat nu? Ik laat dit niet los. Er is mij onrecht aangedaan. En als ze deze zaak echt willen onderzoeken, dan kunnen ze volgens mij nog altijd zaken terugvinden. Er moeten nog restanten zijn. Zeker weten."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234