Zaterdag 23/01/2021

Opkalefateren is niet genoeg

'Tijd' is het thema van de Open Monumentendag in dit millenniumjaar. Morgen zullen we massaal achteruitblikken en ontdekken welke sporen van dat ongrijpbare dat de tijd is, zijn overgebleven in onze bebouwde omgeving. In een kersverse publicatie deed de Koning Boudewijnstichting echter het omgekeerde: vooruitblikken. Ze vroeg zich af welke rol het historische erfgoed kan spelen in de eenentwintigste eeuw.

De jaren negentig vormden voor de monumentenzorg ontegensprekelijk een periode van hoogconjunctuur. Het massale succes van de Open Monumentendagen zette de overheid aan verschillende stimulerende maatregelen te nemen: het aantal beschermingen is toegenomen en het wettelijk instrumentarium werd uitgebreid en verfijnd - zo komen nu ook historische schepen in aanmerking voor bescherming. De subsidies voor restauraties zijn fors de hoogte ingegaan, zodat het voor eigenaars aantrekkelijker is om waardevolle gebouwen op te knappen in plaats van ze te laten verkommeren en uiteindelijk te slopen. En om erfgoed regelmatig te onderhouden kunnen onderhoudspremies worden gebruikt.

Daarnaast zagen verschillende nieuwe erfgoedverenigingen het daglicht, die het overheidsbeleid ieder op hun manier aanvullen. Met de Stichting Vlaams Erfgoed (SVE), intussen ook de eigenlijke organisator van de Open Monumentendag, heeft Vlaanderen nu ook zijn National Trust. De Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg (VCM) overkoepelt plaatselijke erfgoedverenigingen en neemt elk jaar een heikel thema uit de erfgoedsector onder de loep, zoals dat van de zonevreemde monumenten. De Monumentenwacht speurt in historische gebouwen naar tekenen van aftakeling, het Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie (VCAR) probeert ervoor te zorgen dat oude technieken niet verloren gaan en dat er opnieuw bekwame ambachtslui zijn die restauraties vakkundig kunnen uitvoeren.

Uiteraard betekent zoveel bedrijvigheid niet dat nu stilaan mag worden overgeschakeld op de automatische piloot. De Open Monumentendagen zijn om te beginnen een tikkeltje voorspelbaar geworden - gelukkig doet het thema voor de komende jaren dat vorige zaterdag werd bekendgemaakt, 'Grondstoffen. Stof tot nadenken', vermoeden dat het organiserend comité tenminste voor een inhoudelijke verdieping wil blijven zorgen. (Wat niet kan worden gezegd van De Gordel van het afgelopen weekeinde, waar altijd maar wordt gesproken over het Vlaamse en groene karakter van de Brusselse rand, maar waar men zich ervoor hoedt om de problemen van de regio van dichterbij te bekijken.)

Er zijn nog meer onvolkomenheden in de monumentensector dan een voorspelbaarder geworden OMD. In de kranten blijven berichten verschijnen over de lijdensweg van sommige historische gebouwen. Het kasteel Beaulieu in Machelen is allicht het bekendste voorbeeld geworden, maar het is lang niet het enige. In Diest werd een interieur van kunstenaar Paul Cauchie gesloopt, in Oostende ging tijdens het Ensorjaar een huis tegen de vlakte waar de schilder lange tijd zijn atelier had ondergebracht. De oorzaken voor zulke probleemgevallen zijn velerlei. Niet zelden is de ware schuldige het feit dat de wetgeving inzake ruimtelijke ordening slecht is afgesteld op de noden van de monumentensector. Ook lakse eigenaars, gemeentebesturen die een oogje dichtknijpen bij onorthodoxe plannen, en zelfs onze moeilijke staatsstructuur kunnen verantwoordelijk zijn voor het onheil. En tot slot blijven er, ondanks het toegenomen aantal beschermingen, veel gebouwen over die deze garantie op een langer leven niet hebben gekregen. Kunsthistorisch zijn ze misschien niet altijd van topniveau, maar ze kunnen wel het beeld van hun omgeving bepalen of voor de omwonenden een symbool zijn geworden voor wat eens is geweest.

De band tussen bewoners en het erfgoed - zeg maar tussen de maatschappij en het erfgoed - is een van de grote aandachtspunten geworden van de Koning Boudewijnstichting, die sinds vorig jaar niet langer de concrete organisatie van de Open Monumentendag op zich neemt. Het heeft geen zin om met veel (financiële) inspanningen gebouwen te restaureren als die daarna slechts een decoratieve functie krijgen, zo luidt ongeveer de redenering. Erfgoedzorg is een van de manieren om bij te dragen tot een leefbaarder en kwaliteitsvoller omgeving. Met het boek Erfgoedzorg in de 21ste eeuw, dat onlangs door de verschillende auteurs samen werd voorgesteld, heeft de stichting dat debat op gang willen trekken. Auteurs als architect Geert Bekaert, stedenbouwkundige Marcel Smets en historicus Herman Balthazar leggen, ieder vanuit hun eigen invalshoek, pijnpunten bloot van de monumentenzorg zoals die vandaag wordt bedreven of in ieder geval bekeken. Concrete suggesties voor de stedelijke of Vlaamse overheden vindt men in dit boek niet meteen terug. Wel werd een Nederlands auteur, socioloog Ben Verfürden, gevraagd om de situatie in zijn land te schetsen, waar wel al een zeker beleidsinstrumentarium werd uitgebouwd, waar 'gereedschapskisten' voorhanden zijn om bijvoorbeeld de cultuurhistorische waarde van een bebouwde omgeving of landschap te inventariseren. Een collega van Verfürden gaf op de boekvoorstelling in Brussel echter toe dat men er in Nederland al eigenlijk evenmin echt in geslaagd is om van die inventarisatie de overslag te maken naar het beleid.

Wat schort er anno 2000 aan de monumentenzorg in Vlaanderen? De Oost-Vlaamse provinciegouverneur Herman Balthazar neemt de term "mentale inertie" in de mond: al te vaak ontbreekt de band tussen erfgoedzorg enerzijds, architectuur en ruimtelijke ordening anderzijds. Balthazar begint met een vergelijking te maken met zijn eigen discipline, de geschiedenis. "Historiografen hebben lang gewerkt met geschreven bronnen die de maatschappij beschreven met een blik van bovenaf, van de machthebbers. Historici hebben ondertussen echter ook geleerd dat historische bronnen veel verscheidener zijn, dat er ook bronnen zijn 'van onderuit', mondelinge bijvoorbeeld. Ze hebben eveneens ingezien dat de tijd niet stopt, maar voortdurend doorloopt, dat er ook iets bestaat als zeer recente geschiedenis. Ook de monumentenzorg kan niet aan die trend ontsnappen en moet een steeds bredere definitie hanteren. Arbeidershuisjes in een beluik, oude steegjes en pleinen, elementen uit de sociale omgeving horen ook thuis binnen de definitie, net zoals gebouwen uit het recente verleden." Balthazar beseft dat zulks in de praktijk niet altijd voor de hand ligt. "De conflictstof zal altijd groter worden. Al was het maar omdat we in een klein land leven en dat we de beschikbare ruimte voortdurend zullen moeten hergebruiken." Als man van het beleid suggereert Balthazar een oplossing: een geïntegreerde manier van werken, wat erop neerkomt dat diegenen die bij monumentenzorg, architectuur en ruimtelijke ordening betrokken zijn, voortdurend hun plannen op elkaar afstemmen.

Ook Bekaert is vrij streng: "Het ziet er naar uit dat we in de laatste twee eeuwen architectuurvernieuwing en monumentenzorg geen stap vooruit zijn gekomen en nog altijd klemvast zitten in de even onvruchtbare als onoverwinnelijke tegenstellingen tussen oud en nieuw, tussen gewoonte en creativiteit, tussen geschiedenis en beleving," schrijft hij in het boek. Het verleden wordt bevroren, terwijl dat, en dus ook de monumentenzorg, juist een actueel gegeven is, een creatie van het heden, iets wat niet af is maar zichzelf voortdurend moet vernieuwen. Bekaert vindt dat monumentenzorgers vandaag veel te veel hun best doen om uit te leggen, te verklaren, terwijl goede historische architectuur, net zoals goede hedendaagse architectuur, de mensen juist moet confronteren met 'het andere', iets wat hun verwondering opwekt. Goede architectuur moet 'in de weg staan'. Aan de Vlaamse bouwmeester, b0b Van Reeth, was tijdens de presentatie gevraagd te reageren op wat hij had gelezen: "Geschiedenis kansen geven betekent nu de monumenten bouwen die morgen getuigen van vandaag," luidde zijn stelling. "Voor mij gaat het om de zorg voor culturele duurzaamheid, zonder verschil tussen oud en nieuw."

Stedenbouwkundige Marcel Smets volgt gedeeltelijk dezelfde redenering als Bekaert. Ervan uitgaande dat de monumentaliteit van weleer haar zin heeft verloren omdat men om een spoor na te laten beter op de televisie komt dan een monument opricht (lees: ministers duiken op in spelprogramma's in plaats van borstbeelden te laten inwijden), verzet hij zich tegen de 'verpretparking' van de historische binnensteden. Belangrijke maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen, winkelcentra en ziekenhuizen, liggen buiten de stad. "Men zoekt nu nieuwe betekenissen voor de binnenstad, maar men komt niet verder dan te zeggen dat wat die binnenstad uniek maakt, het historische is en dat er dus een zekere eenheid van uitgaat die andere delen van de stad niet hebben. Er gaat een zekere behaaglijkheid van uit." De historische gebouwen in het centrum worden een decor, een etalage van wat 'in' is: "Net zoals de badplaatsen of de skistations, wordt de binnenstad een toevluchtsoord waar men kortstondig afkickt en de beklemmende druk van de egocentrische competitiemaatschappij vergeet." Smets signaleert ook een pervers effect: "Het oude is alleen interessant als het de tijd heeft doorstaan zonder af te takelen," legt hij uit. "En dus wordt het opgekalefaterd, maar daardoor ook van zijn geschiedenis ontdaan." Lijden binnensteden als die van Gent of Leuven al niet in zekere zin aan die kwaal? Een mogelijke oplossing reikt Smets niet aan, al ziet hij veel heil in een gedachte die jaren geleden werd geformuleerd door filosoof Bart Verschaffel: monumenten kunnen een middel zijn om persoonlijke herinneringen te bewaren. Door monumenten terug te zien herinneren we ons wat we op een bepaalde plaats hebben beleefd.

Daarmee komt Smets dicht in de buurt van een experiment dat in 1997 in Gent plaatsvond in het kader van het Time-Festival. Daar werd een 'openbaar onderzoek' verricht naar de Kuiperskaai, de Gentse uitgaansbuurt die voor de fel gecontesteerde heraanleg van het Zuid tegen de vlakte werd gegooid. Aan Gentenaars werd gevraagd voorwerpen te zoeken die herinnerden aan de buurt, zodat ze in zekere zin opnieuw tot de Gentse stadsactualiteit kon gaan behoren. Volgens onderzoeker Paul Blondeel, die net als Van Reeth was gevraagd op de bundel te reageren en die het voorbeeld van de Kuiperskaai aanhaalde, vertelt een gebouwde omgeving altijd iets over wat er met die omgeving is gebeurd, zonder dat dat verhaal daarom samenvalt met het gebouw zelf. Hij verwees ook naar de Brusselse verpauperde wijk Kuregem (waar acteur Benjamin Verdonck onlangs in een 'kraanhut' ging wonen om het 'niemandsland' genaamd Baraplein weer tot een ontmoetingsplaats te maken, wat hem wonderwel lukte). In Kuregem staan nog heel wat architecturaal prestigieuze huizen, maar die hebben weinig van doen met de allochtone ketjes voor wie de straten de biotoop zijn. Volgens Blondeel mag je "van erfgoed wel verwachten dat het de sedimenten van oude praktijken weer confronteert met actuele vormen van toe-eigening". Hij gebruikt het beeld van een transformator: oude energie kan worden getransformeerd zodat ze weer compatibel is in een vernieuwde omgeving.

Zeker voor de stedelijke overheden liggen daar belangrijke uitdagingen. Na afloop van de voorstelling zuchtte iemand: "Allemaal goed en wel, maar de realiteit is nu eenmaal dat als je met een probleem uit de monumentenzorg komt aankloppen, een gemeentebestuur niet meer reageert voor de gemeenteraadsverkiezingen achter de rug zijn." Na 8 oktober hebben de nieuwe gemeentebesturen zes jaar de tijd om dit boek te lezen en zelf de overslag naar hun beleid te maken. Naar verluidt hebben heel wat gemeenten het boek alvast besteld.

'Erfgoedzorg in de 21 ste eeuw' kost 650 frank en is te koop in de boekhandel. Info bij de uitgevers, de Koning Boudewijnstichting (070/233.728) of Tijdsbeeld (09/234.20.11). Info Open Monumentendag op www.monument.vlaanderen.be of 02/514.20.26.

Herman Balthazar: 'Arbeidershuisjes in een beluik, oude steegjes en pleinen en elementen uit de sociale omgeving horen ook thuis van monumentenzorg, net zoals gebouwen uit het recente verleden'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234